TIJDSCHRIFTEN: Oogst; Verzin

Oogst , nr. 8, 2016.
Verzin , nr. 1, 2017.

 

Oogst

nr. 8, 2016

 

Op 15 november 2016 plaatste Timothy Snyder, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Yale, op zijn Facebookpagina twintig lessen van de twintigste eeuw, aangepast aan de omstandigheden van vandaag. De tekst werd niet veel later veelvuldig overgenomen, in vertaling in Le Monde bijvoorbeeld. Snyder raadt onder meer aan om instituties te verdedigen, een professionele ethiek hoog te houden, kalm op terroristische aanslagen te reageren, voorzichtig om te gaan met taal, in waarheid te geloven, van andere landen te leren, oogcontact te maken en niet afkerig te zijn van small talk, er een privéleven op na te houden, voor het slapengaan een boek te lezen in plaats van een smartphone te raadplegen, en – verrassend misschien in een bericht op Facebook – zo veel mogelijk abonnementen te nemen op papieren kranten en onafhankelijke tijdschriften, omdat in dergelijke periodieken lange en genuanceerde teksten gepubliceerd maar ook gelezen kunnen worden.

Het is zeker zo dat internetsceptici het afgelopen jaar niet te klagen hadden, en dat de problemen die met de virtualisering van het publieke domein en het maatschappelijke debat gepaard gaan, de voordelen ondertussen ruimschoots overtreffen. Hopelijk is dat een tijdelijke toestand, maar het internet enthousiast als het belangrijkste medium van de toekomst omarmen, en drukwerk of het lezen op papier als onaangepastheid van zeventigplussers of als fetisjisme van hipsters weglachen – het is niet iets wat ik zomaar zou aandurven.

Hetzelfde geldt voor journalist Jozefien Van Beek en schrijver Frederik Willem Daem, die in januari 2015 het eerste nummer presenteerden van Oogst, een ‘niet-actueel magazine over beeldende kunst, literatuur en film’. Elk nummer is opgevat als ‘een tentoonstelling op papier’, en inderdaad is de website van het tijdschrift enkel informatief, en er worden online geen teksten of bijdragen ter beschikking gesteld. Het opzet is eenvoudig: aan een twintigtal schrijvers, critici, journalisten of kunstenaars wordt per nummer een bijdrage gevraagd – een verhaal, een kunstwerk, of een ‘hoogstpersoonlijke keuze uit de hele kunstgeschiedenis’. Er worden geen themanummers gemaakt, wat het grote voordeel heeft dat medewerkers niet om gerichte bijdragen worden gevraagd waar ze eigenlijk geen tijd of geen zin voor hebben. In elk nummer van Oogst staan daarom ook altijd een paar fictiestukken van jonge auteurs. In het achtste nummer, eind 2016 verschenen, zijn twee kortverhalen opgenomen: ‘Keramiek’ van Elise de Groot, en ‘Alles is altijd anders op de terugweg’ van Sofie Verraest. De andere teksten zijn beschouwend: Sam De Wilde schrijft onder meer over de poëzie van David Berman, Ann-Sofie Dekeyser heeft een gesprek met Christiaan Weijts, Jozefien Van Beek met fotograaf Alec Soth en met kunstenaar Wim Catrysse, die ook de ‘editie’ leverde voor dit nummer – een kunstwerk (een still uit een film over een mijnwerker) op postkaartformaat. Jonas Bruyneel schrijft over Oscar Micheaux, ‘pionier van de zwarte cinema’. Lander Deweer interviewt de Belgische actrice Tine Balder over haar rol in de film Meeuwen sterven in de haven uit 1955, en Leo Pleysier schrijft langs de omweg van zijn eigen biografie over Een schrijver in oorlog, de verzamelde dagboekaantekeningen van Vasili Grossman.

Waarschijnlijk is het niet in de eerste plaats dit soort teksten, op papier, dat Timothy Snyder hoogstnoodzakelijk acht in Trumptijden. Uit Oogst spreekt een haast escapistisch verlangen om te verblijven in het veilige en vredige reservaat van de kunst, en om vooral niet op zoek te moeten gaan naar sociale of politieke relevantie, zoals onophoudelijk in rekto:verso gebeurt. En net daarom is dit soort van esthetische aandacht toch ook het verdedigen waard, precies omdat op de bladzijden van Oogst er alles aan wordt gedaan om afstompende stoorzenders uit de buitenwereld of uit het immer zinderende internet op afstand te houden.

Het neemt niet weg dat in een dergelijke, zelf gecreëerde sfeer van rust, artistiek positivisme en veronderstelde diepgang gebreken en tekortkomingen extra opvallen. De grote bedreiging voor Oogst is het genre van de reportage of de in 1500 woorden neergeschreven selfie, waartoe bijna alle medewerkers aan dit nummer zich minstens verleid weten. Typisch is het alomtegenwoordige gebruik van de ik-persoon, tot in de kortverhalen toe. De meest verhelderende bijdrage is op dat vlak een tekst van Daan Heerma van Voss (de golden boy van de Nederlandse letteren, aldus het colofon), met als eerste zin: ‘Er is geen publiek, geen toeschouwer of lezer, mijn spiegelbeeld en ik zijn alleen.’ Het wekt het vermoeden dat Oogst is gevuld met hoogst individuele bespiegelingen of opvattingen, die zelden aanspraak maken op algemene geldigheid. Dat blijkt ook uit de kritische interpretatiekaders – en simpelweg de woorden – waarmee kunstwerken benaderd worden. ‘Hartverscheurend’, ‘onbekende parels’, ‘tijdloze meesterwerken’, ‘een bloedmooie en tedere lofzang op het alledaagse’, ‘diepgaande emotionele intensiteit’, ‘alledaagse schoonheid die de werkelijkheid een piepklein beetje ontstijgt’ – het is niet bepaald een ‘barthesiaanse’, ‘benjaminiaanse’ of ‘sontageske’ inventiviteit waarmee kunst hier besproken wordt. ‘Want terwijl je het ene soort woorden gemakkelijk vindt,’ zo schrijft Jan Postma in zijn tekst over het werk van fotograaf Mark Steinmetz, ‘is het godsonmogelijk die andere woorden te vinden, woorden voor wat er allemaal nog meer uit het beeld spreekt.’ Soms leidt dat al te makkelijk tot een vrijgeleide om ideeën of beweringen als totaal ongegronde tweets te laten staan. Christiaan Weijts gaat in het interview met Ann-Sofie Dekeyser tekeer tegen de vervlakking van de cultuur en de devaluatie van de literatuur, maar vreemd genoeg ook ‘tegen de literaire canon die scholieren via leeslijsten wordt opgedrongen’. ‘Belachelijk’, aldus Weijts, ‘dat ze Max Havelaar moeten lezen. Zo jaag je ze weg van de literatuur. Het is een kunstvorm, je moet er gevoeligheid voor kweken. Als je dat met muziek doet, begin je toch ook niet bij Karlheinz Stockhausen? Je start rustig, met een beetje Mozart en zo.’

Door die combinatie van conceptuele kansen en onuitgesproken tegenstellingen, en door een exclusiviteit die zulke inhoudelijke beloftes creëert dat ze nauwelijks waargemaakt kunnen worden, lijkt Oogst een kruising tussen het Nieuw Wereldtijdschrift dat Herman de Coninck aan het eind van de twintigste eeuw maakte, en Das Magazin, hoewel de opgefokte brutaliteit gelukkig ontbreekt, en de vormgeving van Ward Heirwegh, veeleer dan die van het Nederlandse Vruchtvlees, op het lezen is gericht in plaats van op het afficheren. Misschien is Oogst daarom nog het best te omschrijven als een plek voor teksten die noodgedwongen uit kranten en weekbladen gemigreerd zijn, en die te gevoelig blijven om zomaar in de schier eindeloze wachtrij van het internet te gaan staan.

 

Verzin

nr. 1, 2017

 

Wat Oogst doet (of zou kunnen doen) is tonen hoe er gelezen en gekeken kan worden. Veel populairder is het, in een tijd waarin we allemaal tot ondernemerschap en productie worden aangezet, om zelf te schrijven. In de participatiesamenleving is lezen al te passief – en misschien zelfs lui, nutteloos en parasitair. Talrijk zijn de mogelijkheden en de aanmoedigingen om met pen en papier of met laptop, smartphone of iPad aan de slag te gaan. In Gent, Leuven en Antwerpen bijvoorbeeld organiseert de vzw Wisper ‘artistieke cursussen voor 18+’. ‘Via tal van oefeningen leer je te spelen met tijd, stijl en verwoording. Je bedenkt personages en plots. Je wordt heel wat wijzer over de opbouw van een verhaal. Na deze cursus zal je het ene verhaal na het andere willen neerpennen. Want, wie start met schrijven, blijft schrijven.’ In Vlaanderen – een regio met als officiële tagline ‘verbeelding werkt’ – bestaat onder meer de vzw Creatief Schrijven, ‘het aanspreekpunt voor iedereen die schrijven niet laten kan’. ‘Creatief Schrijven vzw is er voor iedereen met een passie voor taal. Pennenlikkers, potloodbijters, toetsenbordtikkers, iPadstrelers, schoonschrijvers of krabbelaars. Iedereen is welkom.’ Deze vzw, aldus de website, ‘is structureel erkend op het decreet amateurkunsten voor de discipline ‘letteren’ en ‘lid van de European Association of Creative Writing Programmes’. Op 25 maart 2017 was er ‘de schrijfdag’ in het Felix Pakhuis in Antwerpen, met workshops, lezingen, infosessies en feedback.

Deze vereniging geeft ook het tijdschrift Verzin uit, met als hoofdredacteur Michiel Leen, dat vier keer per jaar verschijnt op duizend exemplaren. In het eerste nummer van 2017 wordt Kristien Hemmerechts geïnterviewd over haar boek Schrijven, kun je dat leren? ‘Als je jezelf tegenover je studenten plaatst met een houding van: ik weet het ook niet allemaal en ik heb het soms ook niet bij het rechte eind, dan geeft hen dat enorm veel vrijheid.’ Leen spreekt met Peter Terrin, die beweert als enige schrijver over een unieke schriftuur te beschikken: ‘Je ziet gewoon dat een verhaal uit mijn koker komt. Mijn specifieke toon laat zich niet verloochenen. Andere auteurs hebben meer speelruimte.’ Laatste vraag van het gesprek: ‘Hebt u nog een tip voor onze schrijvende lezers?’ Antwoord: ‘(denkt diep na) Wees maar streng voor jezelf.’ Vitalski geeft feedback op het verhaal – ongeveer 750 woorden – ‘Wintergroenten’ van Marie Jacobs. Openingsscène: ‘Hoe was je dag schat?’ Hij keek pas op van de krant toen ze geen antwoord gaf. “Ging wel. Ik ga koken.” “Oké liefje, ik zal wel afwassen.”’ De reactie van Vitalski: ‘Sommige lange zinnen in dit verhaal kunnen beter worden opgesplitst in aparte, meer vatbare, enkelvoudige gedachten. Maar los daarvan, weet dit verhaal wel degelijk te ontroeren.’ Karolien Selhorst verzamelt praktische schrijftips, zoals: ‘Kweek zitvlees! De inspiratie komt vanzelf.’

Natuurlijk is het heuglijk dat veel mensen willen schrijven, maar toch lijkt hier aan speeddating te worden gedaan, met als schijnbaar doel op tien minuten tijd een partner te vinden voor de volgende zestig jaar van je leven. Het is belangrijk dat iedereen, zoals in de bijbelse parabel, zijn of haar talenten kan ontwikkelen, maar het is even belangrijk dat mensen geen perspectieven krijgen voorgeschoteld die de hemel beloven maar van bordkarton blijken te zijn. Bovendien heeft onze maatschappij momenteel niet echt een gebrek aan schrijvers, en al ‘dat klimmen in de pen’ leidt ook tot een overaanbod op een verzadigde markt, waarin ondertussen veel meer schrijvers dan lezers rondlopen.

Totaal afwezig in Verzin, en de titel laat zoiets al vermoeden, is precies het lezen – nochtans onmisbaar voor wie wil schrijven. In het brievenboekje Gevouwen woorden uit 2001, reconstrueert A.F.Th. van der Heijden een telefoongesprek, op 3 december 1984, met een belastingcontroleur die vragen heeft bij de boeken die Adri heeft aangekocht en als beroepsonkosten aangegeven. ‘Het schrijfvak kent geen school, geen academie, geen opleiding met docenten. Iemand die schrijver wil worden, moet zichzelf het metier leren. Een leerproces dat je hele loopbaan doorgaat. Het enige waar je je op kunt oriënteren is het werk van grote voorgangers. De grote romans van Proust, van Joyce, van Kafka (en anderen) lees ik niet, ik bestudeer en analyseer ze, om ervan te leren, zoals Rembrandts leerlingen van hun meester leerden. Zonder dergelijke lessen kan ik zelf geen boeken schrijven. Dat geldt voor elke auteur.’ Schrijven zonder eerst te lezen is onmogelijk. En daarnaast is er niets belangelozer, onthechter en bovendien leuker dan lezen – om het daar vervolgens op superieure wijze bij te laten. Met een citaat uit het voorwoord op de verhalenbundel Wereldschandkroniek van Borges uit 1935: ‘Soms denk ik dat goede lezers nog duisterder en zeldzamer zwanen zijn dan goede schrijvers. Vooralsnog is lezen een bezigheid die komt na het schrijven: berustender, beschaafder, intellectueler.’