Niet lang meer

Auteur: Carmien Michels
Stad: Münster
Verschenen in: Pseudovertalingen
Of beluister dit citybook hier:

 

Op de hoek van iedere straat kom je een kerk tegen, een voor elke oorlog die de stad door de eeuwen heen doorstond. De kinderen hier hinkelen niet over letters van het alfabet of cijfers van een tot tien. Nee. In deze stad leggen ze het hinkelpad van oorlogsvoering af. Oorlogsverklaring, belegering, verwoesting, overgave of overwinning en uiteindelijk vrede en wederopbouw. Bij iedere sprong lichten de vuurvliegjes in de zolen van hun sneakers even op.

Onder hun voeten bevinden zich tal van steden. Huizen en straten die in oorlogstijd door zo veel puin en gruis bedekt raakten dat het zinloos was ze op te ruimen. Het zou jaren duren om alle resten van het verleden weg te schrapen en woningen op ongeschonden grond te bouwen, jaren van geduld dat de bevolking al lang had verschoten.

Dus trokken de burgers bij iedere overwinning vlijtig nieuwe straten over de vorige, met de schedels van de vijand als kasseien. Bij nederlaag en overheersing deden ze hetzelfde, zij het met de schedels van hun naasten, hun vlijt ingeruild voor deemoed. Op de beenwitte kasseien drupte het bloed van hun gemartelde leiders die in kooien aan de kerktorens hingen, als schrikbeeld voor wie het in zijn hoofd zou halen opnieuw de macht te grijpen.

Altijd was er wel iemand gek genoeg om een nieuwe strijd aan te gaan.

En zo kreeg de stad er door toedoen van iedere vijand een nieuwe laag bij, alsof een sissende vulkaan zich steeds opnieuw te goed deed aan de wilskracht en jeugdigheid van de stad. De burgers boden telkens weer koppig het hoofd aan deze vuurgod, die niet hun god was en die beslist zou doven als ze genoeg kerken optrokken.

Op een dag was het zover. Tijdens een allesonterende oorlog had de vulkaan zozeer gebloed dat hij zich terugtrok in een diepe slaap. De mensen die nog leefden, kropen uit de schuilkelders en stroopten de mouwen op voor een grondige wederopbouw. Ze waren meesters in de rouw. De as van de doden vermengden ze met wijwater en zo asfalteerden ze de wegen. Van kerk tot kerk. Elk gebedsgebouw als boetedoening voor het verleden. En toen was er vrede.

In de kerken slaan gelovigen nederig een kruisteken, knikken kwade gedachten weg, knielen en branden kaarsen voor hen die hen ontvielen. Jaar in, jaar uit.

Waar gaan alle kwade gedachten naartoe? Niet naar de tuinen waar groene vingers pompoenen kweken en rozen snoeien. Niet naar de parken waar de stedelingen wandelen, joggen, met honden en kinderen spelen, koetsen of rollators voortduwen. Niet naar de collegezalen waar de studenten door de open ramen hun toekomst rooskleurig tegemoet dromen. Niet naar de cafés waar jong en oud tijdens het happy hour klinken op het leven. Sinds die laatste oorlog kleden de burgers zich iedere ochtend met vrome gedachten, levensvreugde en vrede.

En toch sluimert er iets. Onder de stad slaapt de vulkaan zijn roes uit. Af en toe zucht hij in zijn slaap, een beving die de dromen van steeds meer zielen beroert. Zijn hete adem verschroeit hun nekhaartjes. Met gesloten ogen trekken ze hun harnassen aan, klaar voor de strijd. Nog voor het ochtendgloren zoeken ze verdwaasd hun bed weer op en sabbelen ze aan de schouders van hun lieven, verdwaalde kindermonden op zoek naar de moederborst.

Als de klokken van de vele kerken hier niet luiden, dan regent het. Alle kwade gedachten glijden met het regenwater de riolen in, vallen druppelsgewijs op de restanten van de vorige stad, sijpelen oudere riolen in. Door de toenemende hitte rollen ze als knikkers van spookstad tot spookstad, tot ze uitkomen in de buik van de stad, waar ze kletteren op eeuwenoude schedels, als hagelbollen deuken en gaten slaan en in het strottenhoofd van oude strijders tot stilstand komen.

Wellustige blikken? Vrekkige vingers? IJdele lippen? Nijdige vrouwen? Vraatzuchtige mannen? Luie padden? Laaiende toortsen? Die vind je hier niet op straat. Als je in de cafés een dronkenlap treft, dan is het een toerist of een student die het hier nog niet gewend is. Wie hier geboren is, houdt zich in. Wie hier geboren is, kent het klappen van de zweep. Hij slaat geen vlieg, volgt de verkeersregels, geniet in de weekends van de zon en het water, wandelt met de hond, verricht vrijwilligerswerk en is lid van minstens een fanfare.

De fanfares trekken op zaterdagen door de stad of over de promenade die een fietsring rond de stadskern vormt. Hun trommels zijn bespannen met huiden, zo wit en grijs gevlekt dat de trommelbouwers geen dieren lijken te hebben gevild maar de maan zelf. Op het ritme van eb en vloed paraderen ze door de straten en bezweren ze de oorlogen die nog ergens in hun oren marcheren.

De lange parades doen de toeristen glimlachen, foto’s nemen en aan hun ijsjes likken. Het vergezellende idyllische geklingel van de vele klokken zet hen aan tot romantisch zoenen. Wie de geschiedenis kent, slaat echter een kruis. In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen. Tik op het hoofd, tik op de borst, linkerschouder, rechterschouder. Ieder volk heeft een groet nodig om zich verbonden te voelen met elkaar en met iets hogers.

De ogen van de toerist zien mensen, maar alleen devote mensen, gelukkige mensen. Ouders die met hun kinderen badminton spelen op de sportvelden of touwen tussen bomen spannen om hun evenwicht te oefenen. De ogen van de toerist zien oefening omwille van de oefening. Sport om de sport. Geloof om het geloof. Zijn blik zoekt objecten en ervaringen die anders zijn dan thuis, die daardoor een brug vormen tussen hier en daar, tussen de sacrale buitenwereld en de besloten binnenwereld. Zijn blik zoekt bevestiging van zijn eigen bestaan.

Geheel anders kijken de ogen van de vele portretten in de raadzaal van het stadhuis, gezanten die ooit de vrede afdwongen door tezamen te knielen voor compromissen. Zij zien stedelingen die zich opmaken voor ongekend gevaar, die een evenwicht zoeken tussen de dagelijkse banaliteit en iets dreigends dat hen op de huid zit. Iets wat ze niet kunnen benoemen, wat ze alleen van zich af kunnen slaan met een badmintonracket, een kruisteken of een baseballbat. Wie daar niet in slaagt, trouwt met een buitenlander en vertrekt, maakt plaats voor nieuw bloed.

Ieder jaar leveren zustersteden tonnen studenten. Intellectueel kanonnenvlees voor later. Onbezorgd liggen ze in short of bikini in het gras, houden hun leerboeken boven hun hoofden bij wijze van zonnewering. Als ze wegkijken, branden er geen zwarte vlekken maar definities en grafieken op hun netvlies. Tussen hun kleurige handdoeken en picknicklakens huppen kraaien en konijnen. Alles oogt hier volstrekt vredig en roerloos.

 

Op een muurtje naast een kerk zitten drie oude mannen, met voor hen een rollator die dienst doet als tafelblad. Op het eerste gezicht lijken ze te kaarten. Wie goed kijkt, ziet dat ze in hun handen geen boeren, dames of heren houden maar foto’s uit het verleden. Bruingrijze ansichtkaarten van poserende soldaten, afgewisseld met verduurde familiefoto’s. Op de achterkant liefdesboodschappen en Mit herzlichen Grüßen.

Welk spel spelen ze? Ze discussiëren bij elke kaart die valt. Een herinnering die dichtvalt. Ze verheffen hun stemmen niet, ze weten dat ze hun adem moeten sparen voor de nacht.

Als het spel uit is, tikt een van de mannen met zijn wandelstok op een kassei. Zijn buurman neemt een slok van een borstflesje.

‘Hoe lang nog?’, zegt de man met de stok.

De derde man schudt zijn hoofd en verdeelt opnieuw de kaarten. Het trio speelt voort tot de zon laag tussen de rijen herenhuizen op het plein hangt. Op geen enkel moment laten ze hun ritme dicteren door de straatmuzikanten die verderop onder de zuilengalerij wereldse liederen spelen.

Een accordeonist en een trompetviolist. Iedere dag vermaken ze elkaar met het ene lied na het andere. Ze hoeven geen terrassen af te schuimen voor fooien van toeristen. Zelfs als ze tussendoor keuvelen en lachen, rinkelen de munten in hun hoeden.

De accordeonist leunt met zijn rug tegen het oudste huis van het plein, een authentieke gevel met ongelijke stenen. Jarenlang huisde er het stamcafé van de drie oude mannen, Café Kleimann, maar sinds enkele maanden blijven de deuren en luiken gesloten. Erfeniskwesties, fluisteren de straatstenen.

 De naburige gebouwen imiteren de zandkleurige voorgevel, maar hun gevels zijn te perfect, te rechtlijnig. Wie deze huizen heropbouwde na de vorige bombardementen, volgde de cadans van de politieke leider wiens radiostem voor altijd in zijn oren zou schallen.

De huizen op dit plein behoren toe aan dezelfde families als alle andere statige gebouwen in de binnenstad. Families die het vastgoed uitsluitend onderling verhandelen. Een selecte kring van mensen die hier het levenslicht zien, studeren, trouwen, werken, fortuinen erven, kunst aankopen, klassieke concerten organiseren in het Slot, applaudisseren en begraven worden in het familiegraf.

Alleen wie in het centrum geboren is en wiens ouders en grootouders hier geboren zijn, hoort bij deze stad. Alle anderen blijven voor eens en altijd vreemdelingen. Huurders handig en inwisselbaar, buitenstaanders die niet begrijpen waarom ze er in deze stad niet in slagen te slapen, onwetenden die met open ogen dromen van fanfares die door de straten marcheren, de trommels bespannen met de huid van de maan, hun bloed klotsend in hun oren alsof ze zelf onderhevig zijn aan de getijen. Als deze naïevelingen ’s morgens bezweet opstaan, gooien ze hun angst in de wasmand en ruilen die in voor nette kleren. Hun veters strikken ze blindelings.

Wanneer ze op een dag merken hoe hun handen niet meer van knopen weten, sluiten ze zich aan bij een van de vele koren of fanfares in de stad. Zolang ze zelf muziek maken, slapen ze moeiteloos door het bonzen van de nacht.

Er zijn meisjes en jongens aan wie elk muzikaal talent ontbreekt. Die vroeger iedere avond in slaap werden gezongen door hun moeders en vaders, omdat ze zelf niet bij machte waren de slapeloosheid te overwinnen. Als zij midden in de nacht ontwaakten, kropen ze tussen hun ouders in, wier geronk resoneerde in hun borstkassen en hen rustig stemde. Deze jongeren gaan nu naar concerten, dansen tot hun benen als loodjes aan hun bekkens hangen, houden elkaar wakker door ritmisch gehijg en slapen als lepels terwijl de platenspeler oude muziek speelt, uit de jeugdjaren van hun ouders. Het geeft hen het gevoel dat ze al leefden voor ze verwekt werden.

 

Een van de slapelozen is een studente van eenentwintig jaar. Haar lange zwarte haren heeft ze op een dag goud geverfd en draagt ze in een vlecht naast haar rechteroor. De ene dag valt die voor haar schouder, de andere dag erachter. Dan bedekt ze een tatoeage, bestaande uit drie getallen: 16.9.88. Het is niet haar geboortedatum, daar is ze te jong voor. Het is de datum waarop haar ouders elkaar hebben ontmoet, de dag waaruit zij is gekiemd, de dag waar haar bestaan van afhing. De dagen die erna kwamen, doen er niet toe. Daarin groeiden haar ouders steeds verder uit elkaar. Nog voor ze per ongeluk een embryo werd, bestond ze al. Dat is wat telt.

Ze heeft nog één andere tattoo. Op de dikke teen van haar rechtervoet staat het getal dertien gedrukt. Toen ze in Amsterdam logeerde, stapte ze een tattooshop binnen zonder te weten wat ze wilde. Het was toen vrijdag de dertiende.

‘Kijk niet zo teleurgesteld’, zegt ze tegen eender wie die om uitleg vraagt. ‘Het is mijn lichaam.’

Haar lichaam laat zich niet in slaap leiden. ’s Nachts althans niet. Als ze slaapt, dan is het tussen acht en tien uur ’s ochtends. Daarna rolt ze uit bed en doet ze yoga in het park.

Iedereen heeft vierentwintig uren in een dag om te verdelen over het bed, de badkamer, de keuken, de werktafel, de woonkamer en de buitenwereld. Wat te doen als je beduren zich opstapelen als overuren, in te halen in een verre toekomst?

Wat te doen als ze niet in de armen van een vreemde man kan liggen, luisteren hoe zijn ademhaling rustig wordt, overgaat in zacht gebrom, zodat ze kan wegsluipen? Wat te doen als ze niet in een studentenhuis kan dansen tot het ochtendkrieken? Wat te doen als ze niet de cafés in de oude stad kan afschuimen op zoek naar diepzinnige gesprekken? Dan moet ze studeren. Het werk wacht en klopt ongeduldig op haar bureau telkens als ze met tanden rood van de wijn thuiskomt. Ze kan het niet meer uitstellen. Het enige wat haar aandacht nog kan afleiden is het nieuws dat van de andere kant van de wereld haar kamer binnenstroomt. Daar waar iedereen wakker is.

Haar ouders leerden haar vele talen, opdat ze op de hoogte is van wat er gaande is in de wereld, waarover haar familie verspreid als moedervlekjes woont. Op de kaart boven haar bureau tekent ze een rood kruis op iedere plek waar een aanslag plaatsvindt. Sommige landen dragen zoveel kruisen dat de hoofdstad niet meer leesbaar is, verzonken in een rode zee. In het werelddeel waar zij woont, valt het al bij al mee. De frequentie van aanslagen neemt toe, maar er blijven genoeg plaatsen onbeschadigd. Sommige mensen zijn bang voor één dag, maar leven daarna voort met des te meer bezieling. Sommige mensen dagdromen ervan aanslagen te verijdelen en lopen bij voorbaat glimlachend en trots rond omwille van hun nakende heldenrol. Andere mensen gooien molotovcocktails naar vluchtelingencentra. Dat gebeurt in andere steden. In deze stad staat levensvreugd voorop.

Iedere nacht schuimt ze de nieuwspagina’s af. Er gaat geen dag voorbij zonder conflict. Sommige dagen geven hoop, andere zien zwart. Slecht nieuws is altijd en overal te vinden. Groot nieuws dat de mensen om haar heen schokt, komt met vlagen.

Tegen zeven uur ’s ochtends is ze moe en begint ze te studeren. Een uurtje productiviteit voor de geur van gebakken spek via de trap, onder haar deur door, haar neus binnenwaait. Haar huisgenote is wakker. Ze eten samen spek met eieren. Haar huisgenote vertrekt naar haar werk en zij begint aan haar ochtendslaap. Daarna wacht de dag op haar.

Doorheen de dag laaft ze zich met verhalen over de liefde. De nacht stelt zich uit zolang er mensen zijn om naar te luisteren.

‘Alle goede liefdesmuziek is ontstaan uit zelfmedelijden’, poneert een meisje uit Philadelphia op een pizza-avond in hun appartement. Ze toert door Europa en logeert enkele dagen bij het meisje met de gouden vlecht en haar huisgenote. Volgens haar is de enige remedie tegen liefdesverdriet naar muziek luisteren en je zelfmedelijden belijden. De drie andere aanwezigen knikken. Het meisje met de gouden vlecht niet.

 ‘Dat is toch nergens voor nodig?’, zegt ze. ‘Als een relatie gedaan is, zeg je hooguit fuck off.’

De jongen rechts van haar houdt zijn hoofd schuin. Door zijn tengere lichaam, zijn haast doorschijnende huid en zijn felgroene ogen heeft hij een androgyn voorkomen. Hij draagt een rood jasje met gouden franjes, dat zo uit de kleerkast van een circusaap is geplukt.

‘Jij bent toch nog nooit verliefd geweest?’, vraagt hij.

 ‘Jawel’, zegt de gouden vlecht. ‘Op mijn vijftiende. Toen heb ik besloten dat niemand het waard is om zulke hoogdravende gevoelens voor te hebben.’

De Amerikaanse zet grote ogen op.

‘Denk niet dat ze een non is’, zegt de huisgenote. ‘Ze heeft flirts over de hele wereld.’

‘Ook vrouwen en transseksuelen?’, vraagt de androgyne jongen.

‘Mannen tussen twintig en vierenveertig’, zegt de gouden vlecht. ‘Heel verschillend van karakter en seksualiteitsbeleving.’

‘En je bent nooit meer verliefd geworden?’, vraagt de Amerikaanse. ‘Ik kan pas met iemand naar bed als ik gevoelens voor hem heb. En in bed word ik al helemaal week.’

‘Heb ik niet voor’, zegt de gouden vlecht. ‘Ik kies voor mannen met wie ik een band voel, maar ik bind me niet aan hen. De afspraken zijn duidelijk. We zijn vrij, niet exclusief, hebben beperkingen noch verplichtingen. Als ik bij hen in de buurt ben, kan ik bij ze logeren. Als ze stom gaan doen, haak ik af.’

‘Hoeveel partners heb je tegelijkertijd?’, vraagt de Amerikaanse.

‘Nu?’ Ze denkt even na. ‘Vier en een half.’

‘Een halve man?’, lacht de androgyne jongen.

‘Iemand van wie ik niet weet of we vrienden zijn of meer. Ik heb straks nog een date met hem.’

‘Mooi zo’, zegt de huisgenote terwijl ze de lege borden verzamelt.

‘Misschien word je niet verliefd omdat je verliefd bent op jezelf’, zegt de androgyne jongen.

Ze kijkt hem in de ogen tot hij zijn blik neerslaat.

‘Ik ben te rationeel’, zegt ze. ‘Ik zie de kwaliteiten van een man, maar ook meteen wat aan hem ontbreekt. Zelfs als iemand de perfectie benadert, zie ik vooral zijn imperfectie.’

‘Liefde draait toch helemaal niet om perfectie’, zegt een jongen die tot dan toe heeft gezwegen. Hij zit op een matras en leunt met zijn rug tegen een boekenkast. Daarin staan klassiekers als De Toverberg en Het lijden van de jonge Werther. Bovenop de kast kijkt een koperen borstbeeldje van Beethoven met een milde blik naar de twintigers.

‘Ik word juist aangetrokken door mannen en vrouwen die allesbehalve perfect zijn, die iets atypisch hebben’, vervolgt de jongen. ‘Iets wat botst, waardoor er vonken ontstaan. Passie en vlees doen het verdere werk.’

Het meisje met de gouden vlecht knikt. Imperfectie lijkt haar een mooi uitgangspunt voor liefde.

‘Mijn bedpartners zijn allesbehalve perfect’, zegt ze. ‘Maar ze doen mijn hart niet sneller slaan, ze komen me gewoon handig uit.’

‘Je bent de juiste nog niet tegengekomen’, zegt de Amerikaanse.

‘Of je kent je eigen voorkeur niet’, zegt de androgyne jongen. ‘Wie weet val je op freaks. Mensen met wangen vol piercings. Of necrofielen.’

‘Ja, daar zou ik heel veel kans bij maken’, zegt het meisje met de gouden vlecht ironisch.

‘Of mensen zonder armen en benen. Rompjes’, zegt de Amerikaanse en ze begint onbedaarlijk te lachen. Ze kent nogal veel moppen over rompjes.

‘Het uiterlijk maakt me niet uit’, zegt de gouden vlecht. ‘Ik zou ook met een rompje naar bed gaan als hij diepzinnige dingen te zeggen heeft. Misschien zou dat zelfs gemakkelijker gaan.’

‘Wat zeg jij nu!’, roept de androgyne jongen. ‘Seksueel, bedoel je? Voor freaky standjes?’

‘Zo had ik het niet bekeken. Ja, misschien. Ik bedoel dat zulke mensen dichter bij hun kern staan.’

De androgyne jongen proest het uit.

‘Het zijn dan ook rompjes!’

‘Serieus. Ze hebben volgens mij de dood al dieper in de ogen gekeken, waardoor ze het leven en de liefde voller kunnen beleven. Eros en thanatos.’

‘Cliché’, zegt de huisgenote, die een fles rosé weggrist en weer naar de keuken verdwijnt.

‘Clichés zijn clichés omdat ze vaak waar zijn’, zegt de gouden vlecht. ‘Ik denk dat ik in oorlogstijd gemakkelijker verliefd zou worden. De omstandigheden dwingen je er dan toe voortdurend alert te zijn. Reageren op je instincten. Je hebt niet meer de luxe rationeel te zijn, omdat alles voortdurend aan een zijden draadje hangt.’

De Amerikaanse knikt.

‘Alles is spannender als je weet dat er het volgende moment een bom kan inslaan’, zegt ze.

‘Houd toch op’, zegt de androgyne jongen. ‘Jullie doen alsof aanslagen romantisch zijn. Het is toch gruwelijk te bedenken dat iedere zot online wapens kan bestellen en via een tutorial een bom in elkaar kan knutselen.’

De huisgenote komt binnen met pannenkoeken met choco.

‘Weet je wat het is?’, zegt het meisje met de gouden vlecht terwijl ze haar bord schoonveegt met een pannenkoek. ‘Imitatiegedrag.’

‘Wat?’, vraagt de huisgenote.

‘De hele mensheid vertoont voortdurend imitatiegedrag. Lekkere pannenkoeken trouwens.’

Met een vinger ontdoet ze haar mondhoeken van restjes choco.

‘Toen Robin Williams zelfmoord pleegde, explodeerde het aantal zelfmoorden wereldwijd. Twee vrienden van mijn moeder hebben kort nadien er ook een eind aan gemaakt. Misschien waren ze dat al lang van plan, misschien niet. Zijn dood gaf hen een duwtje in de rug.’

‘Dat wist ik niet’, zegt de androgyne jongen somber.

‘Al die aanslagen nu’, vervolgt ze. ‘Eerst waren het misdadigers geïnspireerd door IS. Zij inspireren weer andere mensen. Einzelgängers. Zotten. Of gewone mensen op een zwak moment? Misschien waren ze al lang iets van plan, misschien niet. Het heeft alles te maken met timing. Hun vrouw heeft hen juist verlaten, een collega heeft iets doms gezegd. Hoe dan ook, de omstandigheden maken hen ontvankelijk. Aangemoedigd door wat ze in de media vernemen, ondernemen ze actie.’

De bel gaat.

Het meisje met de gouden vlecht schiet in haar schoenen en komt overeind.

‘Ciao’, zegt ze tegen het gezelschap en maakt een diepe buiging. ‘Het was een eer met jullie te converseren.’

Haar huisgenote werpt haar seksuele kreetjes achterna terwijl ze de trap afdaalt. Vooraleer ze de voordeur opent, stift ze haar lippen rood.

‘Oi querido’, zegt ze tegen de jongeman voor zich. Hij verplaatst zijn ukelele naar zijn linkerhand, neemt haar pols vast en kust haar vingers. Ze laat zich graag omringen door welbespraakte mannen, maar deze jongen intrigeert haar juist omdat hij zo zwijgzaam is. Ze doorkruisen de gezellige studentenbuurt, stoppen bij haar favoriete Italiaanse restaurant om een fles Ramazzotti in te slaan en wandelen voort tot ze bij een verlaten plek komen.

Daar zingt hij al tokkelend op zijn ukelele terwijl zij bescheiden slokken van de likeur neemt. Ze heeft hem ontmoet in een hotel waar ze enkele weken als receptioniste werkte. Hij was er geen gewone barman. Al jonglerend met flessen, shakers, glazen en limoenen vermaakte hij de hotelgasten. Iedere avond dromde een groepje kijklustigen samen en bestelde de ene cocktail na de andere, om doorlopend van zijn kunsten te kunnen genieten. Soms joelden ze zo luid dat ze hen tot aan de receptie kon horen.

Als hij klaar was met zijn show, haastte hij zich naar buiten. Hij zei haar steevast gedag, maar keek daarbij naar de grond. Ze vond het aandoenlijk dat iemand die een hele avond in de schijnwerpers stond zo verlegen kon zijn.

Op haar laatste avond sprak ze hem aan. Of hij nog wat langer wilde blijven, haar shift zat er bijna op. Ze wandelden naar een bankje bij de rivier die de stad doorkruiste, waar ze lang met elkaar praatten. Of liever, vooral zij praatte. Hij luisterde en zong Braziliaanse liedjes voor haar. Tegen een uur of vier nam hij haar mee naar zijn wagen, waar ze vreeën op de achterbank.

Sindsdien hadden ze elkaar een aantal keer ontmoet, maar waren ze niet verder gegaan dan een kus op de wang of de hand. Geen van hen beiden had aangegeven het daarbij te willen laten. Evenmin had een van hen op meer aangestuurd.

Ze kijkt hoe het licht van een lantaarnpaal op zijn rechterflank valt. Onder zijn tanktop piepen de krullen uit van een getatoeëerde vrouwennaam, die zijn borst van links tot rechts tooit: Claudia Maria. Tijdens hun eerste nacht had ze hem gevraagd wie zij was. Zijn moeder, had hij geantwoord. Of ze nog leefde, had ze gefluisterd. Hij knikte. Zijn moeder had hem negen maanden gedragen en daarom wilde hij haar op zijn beurt zijn hele leven bij zich dragen. Hij vond het een vreemde gedachte haar pas te eren als ze dood zou zijn, wanneer ze er niets meer aan zou hebben. Nu kon hij haar tenminste bewijzen hoezeer hij op haar gesteld was.

Terwijl hij op zijn ukelele speelt, moet ze denken aan haar grootvader, een uitgeweken Egyptenaar die enkele maanden geleden overleden is. Hij kon zich blijvend verwonderen over de rijke opvoeding die zijn kleinkinderen genoten, over hoeveel zij al op jonge leeftijd van de wereld wisten. Hijzelf kende als kind geen boeken, enkel didactische schriften, regels die hij moest volgen.

Hij had een pientere blik, die oplichtte als hij zijn kleindochter zag. Als zij lachte, zei hij steevast: ‘Het maakt me gelukkig jou te zien genieten.’

Hij dacht met veel heimwee terug aan zijn jonge jaren in Caïro, toen hij naast moslims ook vele kopten en joden als vrienden had. Ze waren toen erg geliefd, vertelde hij, omdat ze zo belezen waren en goede manieren hadden.

De evoluties in zijn land zinden hem niet. Na de grote oorlogen heerste er optimisme, alles werd beter.

‘Maar de laatste vijftien jaar zijn we terug naar af’, zei hij verbitterd. ‘Iedere weldenkende vlucht weg uit mijn land. De grenzen en geesten sluiten zich opnieuw. Over de wereld hangt één grote onweerswolk.’

Het meisje met de gouden vlecht neemt een grote slok kruidenlikeur en laat zich benevelen door de drank en de muziek. Wanneer een jongeman naar hen toe komt, onderbreekt haar metgezel zijn gezang om hem te begroeten. De jongeman geeft hen beiden een kus op de wang. Zijn glazen oog lijkt haar priemend aan te kijken. Zonder zich verder aan haar voor te stellen vraagt hij of ze al eens een kerk bij nacht heeft bezocht.

Ze schudt haar hoofd en kijkt naar haar vriend, die ongemoeid op zijn ukelele tokkelt.

De jongeman laat een sleutel voor haar neus bengelen. Zijn houding staat haar tegelijkertijd wel en niet aan.

Ze vraagt hem voor welke kerk de sleutel dient.

‘Dat zal je wel zien’, zegt hij.

Waarom hij die in zijn bezit heeft, vraagt ze.

‘Ik ben organist’, antwoordt hij. ‘Gaan we?’

Ze kijkt opnieuw naar haar Braziliaanse vriend, die overeind komt. De jongen met het priemende oog zou ze niet volgen, maar hem wel. Waarom vertrouwt ze hem? Al bij al is hij een vreemde voor haar. Bij anderen weet ze wie ze voor zich heeft en hoe ze zich als een kameleon naar hen kan schikken. Hij is echter zo onpeilbaar dat ze zelf kleur moet bekennen.

Enkele minuten later staan ze met z’n drieën in een van de grootste kerken van de stad. Een kerk die ze dagelijks passeert maar nog nooit heeft bezocht. Ze sluit haar ogen en luistert naar de stilte, die ieder menselijk geluid overtreft. Ze hoort zichzelf niet meer ademen.

Via de glasramen valt schaars licht naar binnen. Ze grijpt de hand van haar vriend en treedt naar voren, tussen de houten banken, recht naar het altaar. De andere jongen volgt hen als een schaduw.

Het altaar is een massief stenen blok met sober versierde zijkanten. Het meisje met de gouden vlecht drukt zich met haar handen omhoog en legt zich met haar rug op het altaar. Haar gouden haren vormen een monstrans, haar gezicht een heilige hostie.

Ze weet wat haar te wachten staat. Ze vraagt zich niet af of haar vriend dit heeft gepland, wanneer hij naast haar komt liggen en zijn hand over haar been omhoog laat klimmen. Ze vraagt zich niet af wie de andere jongen is, wanneer hij haar witte blouse losknoopt en tegelijkertijd zacht in haar nek bijt. Ze vraagt zich in het geheel niets af wanneer haar lichaam wordt omsloten door zo veel huid en geluid dat ze het stenen vlak niet meer voelt, de bonzende stilte niet meer hoort. Ze weet alleen dat ze gretig zijn, alle drie, dat ze gulzig van elkaar drinken zoals van het bloed van Christus en dat ze niet zullen ophouden elkaar aan te raken en bij elkaar binnen te dringen tot ze de duivel hebben verdreven die in hen woedt, de duivel die hen aanzet tot deze heerlijke heiligschennis, die haar aanspoort buitenzinnig te schreeuwen en haar tanden te ontbloten, zodat ze kan bijten en verscheuren deze minnaars die haar bijten en verscheuren.

Als de jongens uiteindelijk slapen, de een met zijn hoofd op haar boezem, de andere weggedraaid, kijkt ze hoe de opgaande zon zacht en traag de sacrale plek weer inpalmt. Ze moet glimlachen om de gloed in haar borst en buik, het simpele geluk dat ze voelt. Het verstilt als ze in de verte de stem van een oude man herkent. Haar grootvader is al drie maanden dood en ze weet niet wat aan te vangen met haar overschot aan geluk.

 

Op een muurtje bij een kerk lachen drie oude mannen hun kunstgebit bloot tijdens het dobbelen. Boven hen, aan de kerktoren, hangen kooien klaar voor wie het in zijn hoofd haalt een militaire coup te plegen.

Als de man met de wandelstok in de verte een grijze rookpluim naar de stad ziet trekken, komt hij overeind en stelt zijn dagelijkse vraag.

‘Hoe lang nog?’, vraagt hij.

Niemand schudt ditmaal het hoofd. Ze kennen de weerbarstige grond maar al te goed. De wereld is onrustig. De mensen willen horen bij een stam, een volk, een ras. Ze willen gelijk krijgen en overwinnen, anderen op de knieën.

‘Hoe lang nog?’, fluisteren de oude mannen in koor. Ze steunen op de rollator, gaan traag door hun fragiele knieën, leggen hun oren te luister op de vele lagen kasseien, kinderkoppen door hun voorvaders gelegd. Ze horen het hoefgetrappel van jarenlange vredesonderhandelingen, schudden het hoofd en zeggen: ‘Niet lang meer.’