Inschrijven nieuwsbrief

De apologie van het zoeken. Over de relevantie van literatuur

Verschenen in: Clubsandwich

Literatuur plots gekatapulteerd tot in het middelpunt van een maatschappelijke discussie? Het gebeurt nog hoogst zelden, zo lijkt het. Maar toen eind januari 2012 politierechter Peter D’Hondt een wegpiraat veroordeelde tot het lezen van de ‘requiemroman’ Tonio (2011) van A.F.Th. van der Heijden, laaide de oude vraag naar de relevantie van literatuur in volle hevigheid op. Van der Heijdens boek is een reconstructie van de laatste uren en dagen van zijn zoon Tonio, die op eerste pinksterdag 2010 om het leven kwam nadat hij werd aangereden door een auto. Stefaan L., de dertigjarige chauffeur, was betrapt toen hij met zijn wagen onophoudelijk aan het slippen was op een rotonde. Een probatiecommissie zal moeten controleren of hij het boek netjes heeft uitgelezen. De opmerkelijke demarche van rechter D’Hondt maakte deel uit van een strafpakket, met ─ bovenop het lezen van de roman ─ een onmiddellijke intrekking van het rijbewijs voor vier maanden, een boete en gemeenschapsdienst, voorwaarden waaraan de veroordeelde moet voldoen om zijn rijbewijs niet 32 maanden langer kwijt te zijn.
       Hoe opmerkelijk ook, de uitspraak van de rechter is kennelijk geen alleenstaand geval. In de Amerikaanse staat Utah verplicht ook rechter Thomas Willmore veroordeelden regelmatig tot het lezen van Les Misérables van Victor Hugo. Rechter D’Hondt, naar verluidt zelf een verwoede lezer, kon allicht niet vermoeden dat zijn uitspraak zoveel weerklank in de literaire wereld zou krijgen. Om te beginnen bij auteur Van der Heijden zelf, die zei ‘verheugd’ te zijn over de maatregel. ‘Als de wegpiraat hierdoor tot inkeer komt, dan heb ik het in elk geval niet voor niets geschreven. Het intrekken van een rijbewijs zet moreel niet veel zoden aan de dijk bij zo’n snelheidsduivel. Het veroorzaakt eerder woede omdat hij zijn kar drie jaar niet mag gebruiken. Waarna hij weer op de oude voet op het gaspedaal doorgaat.’ Van der Heijden hoopte bovendien dat de alternatieve straf in Nederland navolging zou krijgen, want ‘als schrijver twijfel je soms hoe maatschappelijk relevant je boeken zijn, zeker bij zo’n persoonlijk werk als dit. Deze uitspraak bewijst dat dat wel degelijk het geval kan zijn.’

De grafdelvers
Inderdaad, hoe maatschappelijk relevant is literatuur? Heb je impact op de samenleving met boeken? Verleg je als auteur niet meer dan een kei in de rivier? Ook een succesvolle auteur als Van der Heijden worstelt blijkbaar nog altijd met de vraag. En het zou ook verwonderen dat een auteur die vraag niet langer stelt na het schrijven van enkele bestsellers. Een groot publiek – en wat heet ‘groot’? – bereiken is niet voldoende om ook te kunnen wegen op wat maatschappelijk van belang wordt geacht.
      
De Franse professor William Marx was in zijn boek Afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding (2006) klaar en duidelijk: literatuur speelt geen enkele rol meer in het maatschappelijke debat, het hoogtepunt ligt eeuwen achter ons, in het onderwijs is de kunstvorm onherroepelijk in de marge geraakt, schrijvers vervullen op geen enkel vlak een rol van betekenis meer. Het was ook een conclusie die schrijver Marc Reugebrink maakt in zijn kerstessay voor de krant De Standaard: ‘Een schrijver kan bijna alles zeggen wat hij wil. Er is alleen niemand meer die er nog naar luistert.’ En Joël de Ceulaer vond dat in een opgemerkt essay in diezelfde krant niet eens zo erg, want ‘als we hunkeren naar een dieper inzicht in de werkelijkheid, naar de waarheid over deze wereld, dan is de schrijver wel de laatste medemens bij wie me moeten aankloppen’. Literatuur kan hoogstens ‘emoties fiksen’, maar als we inzicht willen krijgen moeten we bij de wetenschap te rade gaan, aldus De Ceulaer.
       En nog erger, fictie is een overblijfsel van een religieuze architectuur, zo kruidde Johan Sanctorum in een opiniestuk op deredactie.be de discussie over Tonio. Dat we de vraag naar het belang van literatuur nog steeds stellen, is volgens hem een gevolg van de rol die teksten spelen in onze culturele en religieuze geschiedenis. Sanctorum pleit daarom unverfroren voor een ‘ontlettering’, een ‘heidens-orale’ cultuur die ons ‘zuurstof zou brengen in deze verstikkende boekenmaatschappij’. Het boek heeft zich immers nooit aan die religieuze oorsprong kunnen ontworstelen, met als gevolg dat elke gedrukte tekst ‘prescriptief’ is. ‘Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren.’ Sanctorums oordeel over het boek van Van der Heijden is navenant radicaal. Hij vond het ‘een kwellend relaas van een zelfkweller’ en gaf zelfs toe na de helft te zijn gestopt met lezen wegens te deprimerend. ‘Tonio is een marteltuig. Zwevend tussen fictie en non-fictie (zoals de Bijbel trouwens), ervoer ik het steeds meer als een virale aanval op mijn mentale integriteit.’ Hiermee geeft Sanctorum wel toe aan de paradox dat een tekst kan raken, ook al is hij  prescriptief.

Res publica
De discussie hangt onlosmakelijk samen met de vraag hoe betrouwbaar literatuur de werkelijkheid weerspiegelt. Misschien omdat ze meer dan voorheen bezig zijn met de vraag naar relevantie zochten en zoeken alvast heel wat Nederlandstalige schrijvers van renommee hoe ze de autobiografische werkelijkheid in hun literatuur konden stoppen. Van der Heijden, maar ook Erwin Mortier, Connie Palmen, Tom Lanoye en P.F. Thomése bijvoorbeeld exploreerden via allerlei ingangen het thema van het fysieke verlies van een geliefde. De relevantie van dit soort boeken ligt zichtbaar aan de oppervlakte, aldus de believers, van wie de politierechter er allicht een is. Het lezen van dit soort fictie maakt van de lezer een ‘beter mens’, zo is de opvatting dan. Hoogleraar Frans-Willem Korsten schreef in een recent nummer van rekto:verso over dit onderwerp een nog zelden geziene programmatische tekst: ‘Kunst en literatuur vergroten de kans dat mensen niet vergaand criminaliseren of corrumperen. Ze versterken een ethisch vermogen dat is gevormd door esthetische gevoeligheid.’
       Ethiek, het hoge woord is gevallen. Als sommigen concluderen dat literatuur nog iets betekent, bedoelen ze niet zelden dat literatuur van de mens een moreler wezen kan maken en leiden tot een minder gewelddadige en meer leefbare samenleving. En als dat zo is, dan zijn meteen ook de subsidies voor literatuur en kunst verantwoord. In dat even vaak onderuitgehaald als opgehemeld humanistische ideaal smeden de kantiaanse schoonheid en goedheid een verbond dat in de eerste plaats politiek van aard is. Kunst veredelt, dat idee. Literatuur is een onlosmakelijk deel van de maatschappij, met een niet te onderschatten pedagogische rol. Het belang van literatuur ligt dan in de ‘empowerment’, het kritische ondervragen van de macht en de machthebbers, wat kan leiden – wat leidt – tot een rechtvaardigere maatschappij.
       Al te vaak blijkt ook die wens van de pedagogen een illusie. Literatuur en bij uitbreiding kunst kunnen de wereld niet veranderen, dat zal allicht ook de meest geëngageerde auteur moeten toegeven, maar als we al met plezier lezen en de schoonheid van literatuur erkennen, dan is het al heel wat. Dat standpunt leek te worden ingenomen door auteur Marc Reugebrink in Knack: ‘Literatuur heeft vandaag een kwalijke reuk en zít al in het verdomhoekje. Een rechter die ze oplegt als straf, versterkt die evolutie. Een boek lezen mag geen straf zijn. Het moet iets zijn wat je met plezier doet! […] Volgens mij is het uitgangspunt van de rechter fout. Hij is iemand die veel leest en gaat er, op grond van zijn eigen ervaring, van uit dat je van lezen een beter mens wordt. Dat is niet zo. Met een wellicht te groot cliché: ook kampbeulen lazen Goethe en luisterden naar Schubert.’ Reugebrink illustreert hiermee enerzijds de Wet van Godwin, die stelt dat ‘naarmate discussies langer worden, de waarschijnlijkheid van een vergelijking met de nazi’s of Hitler de 1 nadert’, maar wijst anderzijds ook op de ‘kwalijke reuk’ van literatuur. En daarom moet de literatuur zich maar achter de muren terugtrekken, in het reservaat waar het plezierig is om te lezen.
       Dat literatuur bij wijze van spreken elke dag tien keer dood en van nul en generlei waarde wordt verklaard, komt mogelijk doordat ze vaker dan pakweg drie decennia geleden weer meer de feiten opzoekt en daar een verhaal over vertelt dat zichzelf niet ondervraagt. Tom van Imschoot constateerde recent in rekto:verso met zijn tekst ‘Wie gelooft nog in fictie?’ dat ‘veel kunst van vandaag erop gebrand is om ficties te doorprikken: de fictie waarmee we leven, maar vaak ook haar eigen fictie, niet zelden vanuit een soort revolutionair ongeduld om de kunst zelf achter zich te laten en onmiddellijk op te lossen in de realiteit. De heersende obsessie met het reële, die onder meer tot uiting komt in de artistieke wending naar de documentaire, is daarvan wellicht het meest sprekende teken.’

Waarover het gaat
Literatuur kan ons niets zeggen over de werkelijkheid, aldus de doodgravers ervan. Waarom zou je je verdiepen in fictie als de realiteit die steeds weer weet te overvleugelen? De complexiteit van de wereld kan zich onmogelijk weerspiegelen in een bij voorbaat lineaire constructie als een literaire tekst. Of toch?
       De Nederlandse romancier en essayist Bas Heijne stelt het in Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk (2011), een bevlogen en urgente verdedigingsrede voor de literatuur, met verve: ‘Iedere goede roman is juist geschreven in het besef dat het leven zich niet in een verhaal laat vatten, dat ieder moment in een mensenleven een oneindigheid aan indrukken in zich draagt die niet in woorden te vangen zijn. Romans maken je als lezer daar juist van bewust. En precies in die even innige en ongrijpbare relatie tussen literatuur en werkelijkheid vindt de literatuur haar bestaansrecht.’
       Het belang van literatuur ligt volgens Heijne op velerlei vlak, maar dient toch vooral de mens. Goede literatuur wijst ons op de maskers en kan in een epifanie demaskeren, iets wat de veel oppervlakkigere beeldcultuur zoals we die nu beleven niet kan: ‘De menselijke verbeelding trekt voortdurend een sluier voor de werkelijkheid; het is de literatuur die die sluier afrukt, paradoxaal genoeg door middel van de fictie, het verhaal. Het is de literatuur die de mythe ontmythologiseert, die het cliché ongeldig maakt, het gemakzuchtig in goed en kwaad denken in een ander licht zet.’
      Joyrider Stefaan L. kondigde in De Morgen aan dat hij een leesschema zou opstellen om de 633 pagina’s van Tonio te voleindigen: ‘200 à 250 pagina's per week, dat moet lukken. Dan begin ik eraan, drie of vier weken voor de datum. Ik wil voorkomen dat ik tegen de dag waarop ik voor die commissie verschijn, vergeten ben wat er ook alweer in het boek stond.’ De veroordeelde wil dus in de eerste plaats door zijn ‘examen’ voor de commissie spartelen, hij gelooft niet dat het boek hem zou kunnen raken, dat het voor hem anders zal dienen dan dat het hem zijn rijbewijs terugbezorgt.
       Het is inderdaad niet zeker dat de literatuur deze lezer zal bereiken, dat zijn boek nog tot iets goeds zal leiden, zoals Van der Heijden dacht, maar dat is van ondergeschikt belang. Het is immers onmogelijk het definitieve antwoord op de vraag naar de relevantie van literatuur te geven. Dat ze wordt gesteld echter en dat er steeds een nieuwe generatie auteurs moeite doet om zich ermee bezig te houden, om met andere woorden het eigen dorp van aan de rand te bekijken, dat is het belangrijkste. Zolang er naar een antwoord wordt gezocht, zal literatuur van tel blijven, precies omdat de relevantie ervan schuilt in het stellen van vragen.
       Zoals Heijne het in Echt zien formuleert: ‘De wereld is vol verhalen en de meeste ervan zijn generaliserend, reducerend, clichématig, vijandig of vernietigend. Wat romanschrijvers doen, is niet een menselijk vacuüm vullen met mooie, zingevende verhalen; ze verzetten zich juist tegen de gesloten verhalen waarmee de mens het leven naar zijn hand wil zetten.’ Deze open verhalen, waar goede literatuur in grossiert, laten ons zien wat het is om ons in te leven in het lot van de ander, de basis voor een samenleving.
       Nog afgezien van de evidente literaire waarde, en daar uiteraard mee samenhangend, ligt het belang van een boek als Tonio misschien in de manier waarop de auteur een hartverscheurende maar particuliere gebeurtenis boven de kenbaarheid en herkenbaarheid weet uit te tillen, door zijn herinneringen in een spannende (als dat woord mag worden gebezigd) reconstructie te schikken, door op zoek te gaan naar de waarheid in zijn herinnering, en in het volle bewustzijn dat die waarheid onmogelijk kan worden gevonden, zodat het boek een weergaloos, schokkend en gloedvol pamflet voor de literatuur, voor de kunst of voor het onzinnige leven tout court wordt.