Feuilles virtuelles 5: Het complot van de truttige leesclubs

Verschenen in:


‘Als je de huidige Nederlandse literatuur in één woord moet omschrijven, dan is het: keurig. Keurige boeken, geschreven door ideale schoonzoons en vooral -dochters voor een publiek van dames in leesclubjes. Geen onvertogen woord weerklinkt. Waar blijft bijvoorbeeld de eerste roman over Srebrenica? Literatuur is een grotendeels vrouwelijke aangelegenheid geworden en ook de mannen zijn als vrouwen gaan schrijven. Veel belangwekkend geachte passages over de achtergrond en gemoedstoestand van de romanpersonages, maar bitter weinig aandacht voor actie en stijl; het kenmerk van de damesroman. Komt dit door het oestrogeen in het drinkwater als gevolg van grootschalig pilgebruik? Je zou bijna aan een complot gaan denken. Het wordt tijd voor een man – een échte man – die de dames in die truttige leesclubjes eens een goeie beurt geeft.’

De Nederlandse journalist en schrijver Ulrik Unger gooide in zijn stuk ‘Waar blijft de nieuwe Jan Cremer’ in de VPRO-Gids een kasseisteen in de Nederlandse letterenpoel. Afgezien van de wenselijkheid dan wel raadzaamheid of er al niet genoeg Jan Cremers zijn gepasseerd – echte en nagemaakte – moeten we vaststellen dat Unger wat betreft de vervrouwelijking van het boekenvak een punt heeft. De generatie van de babyboomers, nog opgegroeid in de dialectiek van de thuisblijvende huismoeder, leverde een groot lezend potentieel voor de literatuur. De vrouwen, van wie de man zich afbeulend rijk aan het arbeiden was, bleven thuis. Zodra de kinderen de deur uit waren, ontvouwde zich een wereld van vrije tijd en bellettrie. Deze vrouwen, nu tussen de zestig en tachtig, bevolken in hoge mate de leesclubs, kopen in grote aantallen boeken, voor zichzelf en hun dochters – al hebben die laatsten op hun beurt te weinig tijd, zij werken immers wel uit. Uitgeverijen speelden daar de afgelopen decennia op in, en merkten dat vrouwelijke auteurs een groter lezersbereik hadden. Van de weeromstuit moesten ook de oude mannelijke uitgevers het veld ruimen. Het mechanisme werd een selffulfilling prophecy, tot op het punt vandaag dat er iemand dus schrijft dat ‘ook de mannen als vrouwen zijn gaan schrijven’.
       Waarom maakte dit artikel amper commotie? Omdat mannelijke schrijvers zich er wel in konden vinden of omdat ze zich niet aangesproken voelden? Alleszins is er in de bovenlaag van de Nederlandse uitgeverswereld een grote vrouwelijke vertegenwoordiging: Maaike le Noble (Meulenhoff), Annette Portegies en Mirjam van Hengel (Querido), Nelleke Geel (Signatuur), Elik Lettinga (De Arbeiderspers), Suzanne Holzer (De Bezige Bij), Eva Cossee (Cossee), Mizzi van der Pluijm (Contact), Lidewijde Paris (Ailantus) … We mogen blij zijn dat vrouwen in het boekenvak alleszins doorschieten naar de hogere regionen, door dat glazen plafond, maar is het inderdaad geen idee om eens een academisch genderonderzoek te voeren of vrouwelijke uitgevers een ander soort boeken uitgeven?
       Overigens, ook nu stellen we vast dat wat over de Nederlanders geschreven wordt, niet opgaat voor de Vlaamse schrijvers. Of de ‘Vlamingen beter zijn’ weten we niet. Wel lijkt het zo dat de Vlaamse mannen een ander soort literatuur schrijven dat, om het met Ungers vocabulaire te zeggen, minder ‘keurig’ is. Wij van Jeroen Olyslaegers, Wij van Elvis Peeters, De leraar van Bart Koubaa, De bewaker van Peter Terrin, Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst, De engelenmaker van Stefan Brijs … Noem ze verder naar believen maar op. Allemaal verontrustende boeken van ‘echte mannen’! Men merke daarbij op dat ‘verontrustend’ niet (noodzakelijk) hetzelfde is als ‘maatschappijkritisch’.
       Toegegeven, Vlamingen schrijven ook truttige c.q. vrouwelijke boeken, en veel ook, en natuurlijk zijn er ook (Vlaamse) vrouwen die wel verontrustende boeken schrijven (zie Saskia de Coster). Je kunt echter moeilijk om de vaststelling heen dat er een verschil in aanpak is tussen de romankunst van de Nederlandse auteurs van het moment en die van hun Vlaamse generatiegenoten. Vlamingen lijken immers meer bereid de lezer van beiderlei kunne, ‘een beurt te geven’.
       Nee, dus toch geen complot. Het ligt natuurlijk niet aan de uitgevers, want alle Vlaamse auteurs van aanzien geven uit in Amsterdam. Het ligt niet aan het drinkwater, dat ook bij ons vergeven is van de vrouwelijke hormonen. Het ligt aan de Vlaamse klei, verontrustend omgeploegd door een recente geschiedenis van taalstrijd, ontvoogding, politiek gehannes, lastige secularisering, schandalen, (moord)aanslagen, kindermisbruik en veel te veel spaargeld. Een goede voedingsbodem voor ‘actie en stijl’ en voor schrijvers die niet langer keurige boeken willen schrijven.

1 mei 2010