Ilja Leonard Pfeijffers essays in narcistische levenskunst

Auteur: Lars Bernaerts
Ilja Leonard Pfeijffer, Brieven uit Genua, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2016.

 

Ilja Leonard Pfeijffer is de jongleur die erin slaagt alle bijlen – ja bijlen, want er staat iets op het spel – voortdurend in de lucht te houden. Hij doet dat met veel branie en kennelijk moeiteloos. In zijn teksten gebeurt er veel, in verschillende betekenislagen tegelijk. Zijn werken compliceren tegelijk metafictionele, esthetische, poëticale, filosofische en politieke kwesties. Met gevaarlijke buitelingen, die al in de taal zelf beginnen, doet Pfeijffer lezers bovendien geloven dat ze zes bijlen zien terwijl hij er maar drie opgooit. Die poëtica van risico, lef en zelfbewuste gelaagdheid doet aan die van Hugo Claus denken, een gelijkenis die Piet Piryns recent in Knack ook al opmerkte met betrekking tot Pfeijffers gedrag als geïnterviewde. Zoals in het geval van Claus is niets vrijblijvend in Pfeijffers werken, niet per se omdat hij alles voorziet en sluitend maakt. Dat zou onnoembaar saai zijn. Wat hij echter doet, is die werken zo construeren dat ze verschillende vormen van samenhang mogelijk maken en terzelfdertijd tegenwerken. De grootste truc is dat de jongleur er bovendien bij vertelt dat die extra bijlen een illusie zijn, en toch blijft de lezer ze zien. In Het ware leven, een roman (2006) kon de lezer weliswaar verdwalen in de metafictie van personages die zich als personage voorstellen en vertellers die elkaars verhalen binnendringen, maar de hele vertelmechaniek wordt in de roman zelf van naaldje tot draadje uitgelegd. Dat is ook het geval in de meesterlijke roman La Superba (2013), waarin de thematiek van migratie vakkundig vervlochten is met bespiegelingen over liefde en literatuur.

In Brieven uit Genua (2016), het brievenboek dat als de tegenhanger van La Superba gepresenteerd wordt, krijgen we weer al die dimensies te zien. En meer. De bijna tachtig brieven behandelen naast de dagelijkse belevenissen van de schrijver een hele reeks onderwerpen. Ze zouden een fraai pak van Sjaalman of een essaybundel à la Montaigne kunnen vullen: ze gaan over de dictatuur van emoties in onze tijd, over de militante nederigheid van paus Franciscus, over aikido, over heimwee, over humor, over Europa en de migratie, over Italiaans voetbal, over drankverslaving en ontwenning, over de liefde als ja-zeggen, over de jonge generatie Nederlandse schrijvers, over autobiografisch schrijven, over het ontstaan van het schrijverschap, over het schrijven van Brieven uit Genua enzovoort. Enkele van die onderwerpen worden eerst subtiel aangekondigd en werken door in brieven die erop volgen, waardoor het geheel een polyfonisch werk wordt.

Die gelaagdheid druist misschien in tegen de verwachtingen. Een brievenboek met de schrijver als autobiografische instantie, en overigens vol weetjes over collega’s en vol roddels uit het brede literaire veld, wekt ten minste het vermoeden van authenticiteit en directheid. Dat vermoeden blijft niet helemaal overeind. Of beter: het boek maakt duidelijk dat authenticiteit altijd geconstrueerd is. In Pfeijffers centrale thematiek van werkelijkheid en verbeelding is ook het leven gemodelleerd naar bestaande beelden. Vastberaden onthult Pfeijffer die constructie; hij benoemt voortdurend zijn eigen thematiek, retoriek en profilering. De oprechtheid die Pfeijffer in zijn leven en de brieven beoogt (‘In plaats van het leven weg te theoretiseren wilde ik het leren kennen. Ik wilde oprecht zijn’), is op het eerste gezicht dan ook merkwaardig. Maar oprechtheid heeft in Pfeijffers visie juist niet te maken met spontane of natuurlijke uitdrukking, maar met het blootleggen van de constructie én met een totale openheid over het ‘privé-domein’. Of het nu gaat om Pfeijffers jaarinkomen, de gezwellen in zijn aars of over aanvallen van angst, heimwee of sentimentaliteit, we komen het allemaal te weten in Brieven uit Genua. Maar tegelijk blijft het allemaal bedacht. Aldus componeert de auteur een ‘oprecht’ brievenboek bij elkaar.

 

Het nageleefde leven

De constructie begint al bij de indeling in hoofdstukken. Zoals La Superba vertoont Brieven uit Genua ruwweg een spiegelende structuur. Begin en einde worden gevormd door brieven aan Gelya. Zij is de Russische vriendin met wie de schrijver destijds naar Rome fietste, een tocht die ze documenteerden in De filosofie van de heuvel (2009). Dichter naar het midden zitten brieven aan officiële instanties (zoals de uitgever en de accountant) en aan zijn moeder, opnieuw brieven aan Gelya en brieven aan zichzelf en familie. Dankzij die schikking en samenstelling kan Pfeijffer een leven schrijven in de breedte. Zijn leven van kindertijd tot volwassenheid komt aan bod; zijn rollen als auteur, zelfmarketeer en minnaar worden uitvoerig belicht. Met zo’n opzet past Brieven uit Genua perfect in de reeks Privé-domein.

Spiegeling en circulariteit, de principes die Pfeijffer graag en vaak hanteert, staan op gespannen voet met de teleologie, die een ander facet van de bedachte ordening van Brieven uit Genua is. De ironische teleologie in dit boek is geestig en fijnzinnig: terwijl de eerste brief aan de accountant de auteur bijvoorbeeld als arme bohemien neerzet, is de andere brief aan de accountant, in de tweede helft van het boek, een relaas van succes. Nu is de schrijver geworden wat hij blijkens andere brieven in de kiem altijd al was. In de brieven aan de moeder worden kindertijd en jeugd zo geschetst dat Pfeijffer zowat als een wonderkind naar voren komt. Hij speelt virtuoos klarinet, ontwerpt in zijn eentje een imaginair land met een eigen taal en literatuur, begint al vroeg de literaire canon te lezen en eigen werk te schrijven. Geheel naar romantisch model is dit genie dus organisch gegroeid. In de omgekeerd chronologisch geordende brieven aan zichzelf speelt Pfeijffer met de ironie van die projecterende blik: ‘Het is jouw taak om mij te worden’, houdt hij zichzelf voor. Elders zegt de briefschrijver dat hij in zijn kindertijd al in de fantasie leefde die hij later in zijn literatuur uitwerkt.

Ook op andere plaatsen onthult de schrijversfiguur dat hij zijn materiaal manipuleert: ‘Ik heb hier en daar wat gebeurtenissen overgeslagen die misschien toch belangrijk zijn. Die lacunes moet ik opvullen met een aantal brieven die ik zal antedateren.’ En uiteraard zit de manipulatie die we retoriek noemen al in de taalbehandeling. Stijl is keuze en dus een manier om oprechtheid en authenticiteit te suggereren. Retorisch is Brieven uit Genua geestig, spitsvondig en subliem. Het boek bevat tal van stilistische parels. In beschrijvingen van de stad, bijvoorbeeld, excelleert het boek zoals ook Rupert en La Superba dat deden.

Het is dan ook de stad die de schrijver toelaat zijn literaire verbeelding te bewonen: ‘In de duistere stegen van de doolhof, tussen de hoge palazzi die elkaar met hun dakranden soms bijna raken, hervindt het leven een vorm van poëzie die ik in Nederland was kwijtgeraakt.’ Ook in uitgewerkte metaforen voor liefde en seks triomfeert de beeldrijke taal. Het Nederlandse meisje met de krulletjes wordt in een brief aan Gelya naar bed geleid,

 

waarop zich met krullen en halen, amechtig zuchtend zonder respijt van enig leesteken om op uit te hijgen, een machtige, eindeloze zin ontrolde die alle boeken deed draaien, begon rond te zingen en over de randen gutste van elke voorstelbare bladspiegel naar het almaar opener einde wanneer zij haar al die pagina’s zo lang trillend ingehouden nee zou schreeuwen

 

De zinslengte en de metafoor van de zin zijn dubbelop en daardoor hier zo doeltreffend. Als in een spiegeling lezen we achteraan in het boek een vergelijkbare metafoor voor een nacht met Stella:

 

We lazen elkaar alsof we een zeldzaam manuscript in handen hadden. We likten met precisie aan elkaars vingers om elke nieuwe bladzijde met nog grotere verbazing om te slaan. We konden het nauwelijks geloven dat we op die lege pagina’s mochten schrijven in het schoonschrift van elkaars trage gebaren.

 

Dat de schrijver in deze voorbeelden voor literatuur en lezen kiest als metaforen voor het leven, is veelzeggend. Die metaforiek wordt een krachtig middel om de centrale thematiek van realiteit en verbeelding, liefde en literatuur tot in de fijnste poriën van de tekst te laten dringen.

Het vraagstuk van werkelijkheid en fictie heeft Pfeijffer zich eigen gemaakt in zijn allerlei genres en stijlen. Wat is er dan nieuw op dat vlak? In Brieven uit Genua zijn er twee in elkaar verstrikte rode draden, waarvan de tweede nauwelijks aandacht kreeg in de kritiek. Er is de vitalistische Stella-lijn, die start met de verliefdheid op een Nederlands meisje en overgaat in de nieuwe relatie met Stella. In die lijn wordt ja gezegd aan het leven en de liefde, met een verwijzing naar het einde van Joyce’ Ulysses. Zoals Molly Bloom levensbevestigend in de ban is van allerlei (niet zelden seksuele) fantasieën en herinneringen, zo is ook Pfeijffers beoogde respons op het leven. ‘Zo wil ik liefhebben. Zo wil ik leven. Geen mens is in staat om zichzelf te verzinnen. We proberen allemaal de oude of nieuwe mythen na te leven. Daartegen zeg ik ja.’ Het laatste woord van het boek is de Italiaanse vertaling daarvan, aan het adres van Stella: ‘sì’. Enerzijds bekrachtigt dat slotakkoord een voor zichzelf nageleefde teleologische ontwikkeling in de richting van succes en ware liefde. Anderzijds zit er zelfs in de relatie met Stella veel spiegelende herhaling van de relatie met het krullenmeisje. De verwijzing naar Joyce is daar overigens een voorbeeld van. Het ideaal dat Stella vertegenwoordigt, houdt dus ook de onvermijdelijke wederkeer van hetzelfde in, zo lijkt het wel. Of is Stella de hogere synthese waardoor aan de these ontstegen wordt?

Daarnaast is er wat ik de Montaigne-lijn wil noemen, waarin de verteller al schrijvend onderzoek doet naar (zijn) identiteit, het schrijven en de wereld door het prisma van zichzelf. Hij doet dat zonder schaamtegevoelens of tegenspraak weg te moffelen en zonder taboes uit de weg te gaan. Voor die onderneming zoekt Pfeijffer zijn verleden op, in de eerste plaats door brieven te schrijven aan zijn moeder en aan zijn jongere ik. Dat Pfeijffer zijn benadering in een van de brieven ‘een selfie’ noemt, is ironisch vanwege de cultuurkritiek die Pfeijffer in zijn boek uit en die in Idyllen (2015) al prominent was. We leven in een tijd van narcisme waarin mensen vooral zichzelf willen profileren en daarvoor ongefundeerde meningen en emoties spuien. Maar ook voorbij (en dankzij) de ironie geeft Pfeijffer een antwoord op de filosofische vragen ‘hoe te leven?’, ‘wie ben ik?’ en ‘wat kan ik van mezelf weten?’ De befaamde imperatief van het Orakel van Delphi is hier niet veraf: ken je zelf! De passage die ik eerder aanhaalde, gaat verder in die zin: ‘In plaats van het leven weg te theoretiseren wilde ik het leren kennen. Ik wilde oprecht zijn. Ik wilde de vraag serieus nemen en naar eer en geweten beantwoorden. Ken ik mijzelf?’ De imperatief wordt dus een vraag, zoals bij Montaigne: ‘Que sais-je?’

 

Een hedendaagse Montaigne

Als we nagaan met welke vorm en visie Pfeijffer de filosofische vragen van zo-even beantwoordt, komen we alleen maar dichter bij Michel de Montaigne, de zestiende-eeuwse Franse schrijver van de Essais. Leefde Montaigne vandaag, dan schreef hij zoals Pfeijffer in Brieven uit Genua. Pfeijffers boek is om te beginnen een verzameling essays eerder dan een brievenboek, zoals La Superba, omgekeerd, trouwens een brievenboek was naast een roman. Veel van de brieven zijn meanderende betogen, doorspekt met persoonlijke belevenissen.

Dat het denken van Pfeijffer harmonieert met dat van Montaigne, valt perfect te illustreren met de programmatische opening van Montaignes ‘Over het berouw’, hier in de vertaling van Hans van Pinxteren:

 

Anderen vormen de mens, ik vertel over hem, en portretteer er één in het bijzonder, die bar slecht is gevormd en die, als ik hem opnieuw kon modelleren, er echt heel anders uit zou zien. Maar dat is nu eenmaal al gebeurd. De trekken van mijn portret zijn beslist niet onwaarachtig, ook al variëren ze en verschillen ze van toon. De wereld is slechts een schommel die nooit tot stilstand komt. Alles is voortdurend in beweging […]. Ik kan mijn model maar niet laten stilstaan. Hij zwalkt en waggelt in een natuurlijke dronkenschap. Ik neem hem in deze toestand op, zoals hij is op het moment dat ik mijn aandacht op hem richt. Ik schilder niet het zijn, ik schilder de overgang, niet de overgang van de ene periode naar de andere, of zoals het volk zegt van de ene zeven jaar tot de volgende, maar van dag tot dag, van minuut tot minuut. Ik moet mijn verhaal met het uur bijstellen. Ik kan aanstonds veranderen, niet slechts bij toeval, maar ook zelfbewust.

 

Zoals Montaigne beantwoordt Pfeijffer de vraag ‘Que sais-je?’ door een zelfportret te tekenen dat voortdurend verandert. Hij modelleert zichzelf en schildert de overgangen in Brieven uit Genua om ze te redden van de vergetelheid: ‘Ik wil alle dingen die ik heb gezien, gedaan en gedacht opgraven uit de humus waarin zij gedoemd zijn te verrotten en te vergaan.’ Individuele brieven werken vaak een idee uit in een vorm die onmiskenbaar verwant is met Montaignes essays: een mengeling van anekdotes over uiteenlopende onderwerpen (van het eigen lichaam tot de Europese politiek), beschouwingen, veel gnomische of aforistische passages en ideeën uit de traditie, niet in het minst uit de antieke literatuur.

Cruciaal voor Pfeijffers project is Pindarus’ bekende versregel uit de tweede Pythische ode, die Pfeijffer in de drieënveertigste brief aan Gelya citeert, vertaalt en vervolgens interpreteert: ‘Leer en word wie je bent. Ontdek wie je bent en leer hem te zijn. Bestudeer wie je bent en tracht hem te worden. Misschien dat ik dat aan het doen ben in deze brieven aan jou, lieve Gelya.’ Het is die gedachte uit de oudheid die Montaigne ook ter harte nam. Pfeijffer interpreteert Pindarus’ verzen, deels tegendraads, als een aansporing om door studie los te komen van opgelegde verantwoordelijkheden en zorgen. Voor Pfeijffer is het een paradoxale oproep om door te leren opnieuw een kind te worden.

Voor de Franse denker zijn stoïcisme, scepticisme en epicurisme in wisselende mate een leidraad in de zoektocht naar het gedurig veranderende zelf; bij Pfeijffer vinden we interessant genoeg tegenhangers voor die filosofische leren. Het stoïsche wantrouwen tegenover hevige emoties krijgt een verlengde in Pfeijffers tirade tegen de manier waarop gevoelens in onze tijd het publieke discours beheersen. Het scepticisme dat Pfeijffers kennisleer doortrekt komt neer op het principe dat de waarheid en de werkelijkheid zich enkel laten kennen als fictie. We vormen ze naar het beeld dat we ervan hebben en worden ook zelf voortdurend gevormd tot het beeld dat anderen, bij uitstek geliefden, van ons hebben. Vandaar uitspraken zoals ‘Ik moet mijn best doen om geloofwaardig te worden als het personage dat ik van mijzelf heb gemaakt. Dat is geen schrijversdingetje, dat geldt voor alle mensen. Ik ben mij er misschien alleen een beetje meer bewust van.’

Hoewel Pfeijffer kritisch is voor het escapisme van Epicurus, duikt ook de ataraxie of onverstoorbaarheid van de epicuristen ten slotte in een bijzondere variant op. Pfeijffer laat zich namelijk sterk inspireren door oosterse filosofie. In de tiende brief aan zichzelf weidt hij daarover uit. Via aikido, een kunst die zoals zijn literaire werk op zelfkennis gericht is en op effectieve stijl steunt, laat hij zich inwijden in ‘het streven naar de boeddhistische verlichting van leven in het hier en nu in harmonie met de natuur. Het gaat niet om de verlichting, maar om het streven. Het gaat niet om het weten maar om het leren’. Niet voor niets zegt hij in de eerder vermelde brief over Pindarus’ vers dat het ‘een boeddhistische gedachte’ bevat en is zijn voornaamste geadresseerde zijn ‘kleine Boeddha’. De brieven zelf begeleiden Pfeijffer op een pad naar boeddhistische verlichting, die toestand van omvattend, bevrijd bewustzijn in het hier en nu.

Negeert de vergelijking met Montaigne dan niet de spreeksituatie van de brief in Pfeijffers boek? Anders dan Montaigne richt Pfeijffer zijn geschriften tenslotte tot zijn kleine boeddha en andere concrete instanties. Pragmatisch gezien vormen die geadresseerden mee het discours. Men stemt zijn spreken hoe dan ook af op de ontvanger. Alleen is daar bij Pfeijffer relatief weinig van te merken. Het lijkt erop dat zijn geadresseerden louter dienen als een spiegel. Net zoals Montaigne gebruikt Pfeijffer het eigen ik als lens en lakmoes. Het brievenboek is kortom een narcistische onderneming. Dat past in de hele opzet van het boek en versterkt paradoxaal de cultuurkritische dimensie. Het is een selfie en als selfie een symptoom van de narcistische eigentijdse cultuur. Maar het is ook een tegenhanger van Montaignes overtuiging dat het zelf het onderwerp is dat hij het best kan kennen, zij het dan via de verbeelding.

Waaruit blijkt de strategie van narcisme? Zoals gezegd schrijft Pfeijffer over zichzelf en (ver)vormt hij zichzelf in het schrijven. Bovendien schrijft hij brieven die de geadresseerde grotendeels negeren, die aan zichzelf gericht zijn of aan een vriendin die toevallig een naam heeft die erg gelijkt op de zijne. Met groot zelfbewustzijn en vaak met alazoneia bericht hij over zijn successen en mislukkingen. Die postuur van intellectuele superioriteit is overigens heel anders dan Montaignes pose van naïviteit en ongedwongenheid.

Het gaat mij er niet om dat de auteur een narcist zou zijn. Het tegendeel is gemakkelijker te betogen in het licht van de vele waarderende uitspraken over vrienden en collega’s in het boek en de vele politiek geëngageerde passages. Maar de briefschrijver gebruikt narcisme – de verliefde en verdwazende blik in de spiegel – als een retorische strategie om zijn ideeën over identiteit en maatschappij vorm te geven. Het gaat niet waarover het gaat: ook al behandelen de brieven het liefdes- en werkleven van Pfeijffer, ze zeggen iets over de mens zijn tijd: ‘Het gaat niet om mij. Ik ben maar een vetklep voor de spiegel. Het gaat om de spiegel en om de kleine dingen die je, als je je best doet, op de achtergrond kunt waarnemen. Maar ik wil nu eindelijk ook wel eens weten wie ik ben.’

Met narcisme als strategie en met in brieven vermomde essays als vorm stelt Brieven uit Genua dus oeroude filosofische vragen op een verraderlijke en daardoor hoogst aantrekkelijke wijze. Wat authentiek en oprecht is, zo toont het boek, is onlosmakelijk verbonden met verbeelding en retoriek. Bijzonder zijn de nieuwe inzet waarmee Pfeijffer dat punt maakt, de vitalistische ideeën en de filosofische draagwijdte van essays die brieven zijn. Tegen Brieven uit Genua zeg ik ronduit ja.