Kluger Hans over Lukoil en Almodóvar

De redactie van Kluger Hans heeft met die van Terras gemeen dat ze niet bang is om tegen de keer in te gaan: in een periode waarin enkele literaire tijdschriften ermee ophielden, startte zij vrolijk een nieuw blad. Het tijdschrift is ondertussen aan zijn derde jaargang bezig en is om een of andere reden in deze rubriek tot op heden koppig genegeerd. Nochtans is Kluger Hans een sympathiek blad dat soms verrassende vertalingen brengt, vaak jonge auteurs publiceert en bovendien fraai vormgegeven is. De kwaliteit van de teksten is altijd wisselend geweest, met voltreffers en missers, en dat is in dit nummer niet anders.
       Een eerste voltreffer is het gedicht ‘Lukoil’ van de Oekraïense dichter Serhij Zhadan. Poëzie als politieke satire: Zhadan neemt de heerschappij van maffioze zakenlui (en hun politieke vertegenwoordigers) in het postsovjettijdperk onder vuur. Met Pasen herdenken allen hun doden, zo ook ‘de regionale / vertegenwoordigers van Russische petroleumbedrijven’ wanneer ze ‘de zoveelste / broeder met weggeschoten longen’ ter aarde bestellen. Eveneens in het kader van Poetry International plaatst Kluger Hans een lang gedicht van de Roemeen Ion Mureşan. ‘Het pak slaag’ is een merkwaardige vertelling over alledaags geweld. In een café valt een ‘m’nier ingenier’ een ‘kaalkoppie’ aan, terwijl de ik-verteller een dreun op zijn kop krijgt en onder tafel duikt. ‘Hier onder tafel heerst vrede’, klinkt het cynisch. Het geweld is er echter niet te negeren, want onder tafel spelen broer en zus een behoorlijk gewelddadig huisje na. Ondertussen neemt het cafégeweld haast lieflijke vormen aan: flessen, ‘frêle als een jongemeisjeskuit, vliegen / in lange, tjilpende zwermen, en plonzen als vissen’. Het geweld wordt schilderachtig, want niemand laat zijn slaap om een plaatsje dat ‘zo onbeduidend’ is dat het ‘op de kaart van een ander land werd opgetekend’.
       Dit nummer opent met de eerste pagina’s van Le Théorème d’Almodóvar, de debuutroman van de jonge Franse schrijver Antoni Casas Ros. En dat zijn niet meteen pagina’s die mij naar meer doen verlangen. De roman gaat over een man die in een ongeluk zijn vriendin en zijn gezicht verliest, en gefascineerd is door transseksuelen en door Pedro Almodóvar. De vertelling gaat gebukt onder een stug streven naar filosofische diepgang en stroef geformuleerde redeneringen die als braakballen op het blad liggen. Proef deze: ‘Dat is de magie van het denken dat grondig ontdaan is van tijdelijke amalgamen, van al die lichamen die niet lijken te weten dat ze de scherpste punt van de illusie zijn.’
       Meer dan een derde van deze aflevering wordt in beslag genomen door een prozadebuut. Djamo van Luttervelt toont zich avontuurlijk, hoewel niet altijd trefzeker, in zijn verhaal ‘De kinderen van het vleeshuis’. Het verhaal is een ietwat bizarre rewriting van een sociaal-realistische topos: de zwerftocht van een ongewenst kind dat overal verstoten wordt. Van Luttervelt hanteert een bevreemdende stijl – wars van zowel pathos als ironie – met opvallende (soms geforceerde, soms in stappen uitgewerkte) metaforen en springerige perspectiefwisselingen. Van het afgewezen jongetje verschuift de focus plots naar de vogels in de lucht, die sprekend worden opgevoerd en vervolgens het jongetje opnieuw opmerken bij een bouwwerf. Later merken een schilder en een kat tegelijk de jongen op: ‘Is dat een ezel, denkt de kat, nee nee, geen ezel, ziet de schilder nu, het is een jongen, ja een jongen, een druppel valt van zijn snorhaar van verrassing.’ Niet onaardig.