Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2016

03/05/2016

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs voor beginnende auteurs van Vlaamse en Nederlandse universiteiten en hogescholen werd dit jaar gewonnen door Pieter van de Walle (proza) en Lisanne Coudron (poëzie). Op 3 mei vond de prijsuitreiking plaats in de Universiteitshallen van de KU Leuven. In de jury zetelden onder anderen hoofdredacteur Hugo Bousset en kernredacteur Christophe van Gerrewey.

De winnaars krijgen een abonnement op DW B, en hun teksten worden - na goedkeuring van de kernredactie - in de papieren DW B (2016 4) gepubliceerd.
DW B heeft een lange traditie van winnaars in de Interuniversitaire Literaire Prijs, die al zijn 39e editie kent: redacteuren en schrijvers als Erik Spinoy, Koen Peeters, Leen Huet, Paul Bogaert, Ortwin de Graef, Johan Reyniers, Sigrid Bousset, Saskia de Coster, Patrick Bassant, Christophe van Gerrewey ....
 

Hier plaatsen we de teksten van de zeven genomineerden, drie per genre, met een gedeelde derde plaats voor proza.

Proza

1. Pieter van de Walle, ‘Een vijver om in te verdwijnen’ 

 2. Jens Meijen, ‘Kala’ 

3. Giuseppe Minervini, ‘Vuursuiker’ 
3. Annemie Brams, ‘Dertien over drie’ 
 
Poëzie

1. Lisanne Coudron, ‘Schervengeluk’
 
2. Jens Meijen, ‘Semikubus’
 
3. Marte de Jong, ‘Pannenkoeken voor zes personen’ 


Laureaten proza

 

Een vijver om in te verdwijnen

Pieter van de Walle

 

Kalligrafisch trekken karpers hun staarten door het water. De ruimte waarin een koi zwemt, leeft en bestaat, wordt steeds kleiner, want hij groeit wel, maar beseft dat niet. De koi is een deel van zijn eigen omgeving en op een dag denkt hij: als het zo blijft doorgaan, als die vijver om me heen zo snel blijft krimpen, dan moet ik hier weg. Dat is de dag waarop de koi opstaat en loopt, onwennig maar nieuwsgierig, eerst door de natte aarde rond het vijvertje, dan over de kiezelsteentjes die uitblinken in hun witheid en in hun gelijke grootte, dan over de schone vierkante tegels van het tuintje dat het hart vormt van het restaurant, een oase van rust en goede smaak omringd door mensen die genieten van voedsel dat met moleculaire precisie is klaargemaakt. Wellicht is dit het moment waarop de eigenaar van het restaurant merkt dat er iets aan de hand is.

Een jonge vrouw heeft zich opgesloten in de piepkleine binnentuin van het restaurant. Ze heeft een zware steen voor de ingang gelegd. Ze kijkt naar de karpers als naar een televisie. De klanten van het restaurant proberen haar te negeren. Ze zien deze onbekende jonge vrouw als een volatiel element in de ruimte. Onbekende jonge vrouwen vormen een moeilijk te voorspellen parameter, ongeacht de situatie. Ze zijn een bedreiging. Ze brengen alles in de war. Bovendien ziet dit specimen er bijzonder onstabiel uit, maar laten we het er verder niet over hebben: we zouden haar negeren, toch? Over een uurtje gaan we weer naar huis, en met het betalen van de rekening is dit hoofdstukje in ons leven weer afgerond. De jonge vrouw is een voetnoot. Nee, een ezelsoor.

Voor de eigenaar van het restaurant is de situatie anders. Hij ziet hoe de avond vordert, hoe klanten komen en gaan, hooguit een soort ongeïnteresseerde interesse tonen voor het fenomeen, en dan weer vertrekken. Sluitingstijd nadert en hij weet dat hij de jonge vrouw zal moeten vragen weg te gaan, en dat dit een skill zal vergen die hij, ondanks zijn beroep, nooit echt heeft beheerst: met mensen praten.

In de woonkamer zitten een man en een vrouw, hun contouren scherp afgelijnd. Het licht dat van de gordijnen stroomt, is koud als glas: het doorboort de ruimte en maakt te veel details zichtbaar. Al dit licht verstikt me, denkt de jonge vrouw. Ze verkiest de schemer zoals ze zich die herinnert uit haar kindertijd. Ze wou dat ze zich kon bewegen zonder dat die beweging geregistreerd werd. Een mens kan alleen echt praten, denken, voelen en leven wanneer er niemand anders is om de ervaring mee te delen, daar is ze van overtuigd. Het liefst van al zou ze alleen wonen, in een groot landhuis of een verlaten kasteel of een – laten we even realistisch zijn – een slecht verlicht appartement in een randgemeente waar 's ochtends iedereen verdwijnt en pas na zonsondergang terugkomt, te uitgeput om nog veel van hun omgeving te registreren. Maar waarom blijft ze dan hier?

De letters van de krant die de man leest zijn haarscherp, maar de glazen van zijn bril zijn vuil. Hij houdt de krant beurtelings heel dicht bij en heel ver van zijn gezicht. De relatie tussen de man en de vrouw is onduidelijk. Ze verschillen in leeftijd: zo'n dertig jaar. Ze lijken niet op elkaar, biologische verwantschap is uitgesloten. Toch zijn ze aan elkaar gewend. Een vroegere seksuele relatie is niet uitgesloten, maar lijkt allang verkild. Ze reageren nauwelijks nog op elkaar. De tafel is karig gedekt. De man drinkt koffie, de vrouw eveneens. De man tikt met het lepeltje op de rand van zijn tas om de laatste druppels eraf te schudden. Het maakt een ijzig geluid. Bij elk tikje gaat er een minuscule schok door de jonge vrouw heen, alsof het geluid van het stalen lepeltje op de tas haar herinnert aan fysieke pijn. De man is bij de laatste pagina van de krant aangekomen, de puzzelpagina. Hij geeft de puzzels aan de jonge vrouw en glimlacht hartelijk. Echt waar: hartelijk. De vrouw gaat aan het werk, plichtbewust.

In gedachten overloopt de eigenaar van het restaurant de mogelijke scenario's. Een eerste optie bestaat simpelweg uit het negeren van het probleem. Dit is een tactiek die zijn persoonlijke voorkeur geniet. Hij kan de vrouw laten zitten zoals ze daar zit. Het restaurant zal over een halfuur sluiten en misschien verdwijnt ze vanzelf wanneer ze merkt dat de eigenaar de lichten begint uit te knippen. Dan zal hij respectvol naar haar knikken en ze zal respectvol terugknikken, alsof ze wil zeggen: 'Bedankt dat ik even van uw faciliteiten gebruik kon maken.' Er hoeven geen woorden uitgewisseld te worden. Dat hoeft slechts zelden. Maar wat als ze niet vanzelf weggaat? Wat als ze gewoon blijft zitten, ook nadat het laatste licht is uitgeknipt en de deur op slot gaat? Misschien kan hij dan een kommetje soep of wat rijst voor de ingang van de tuin zetten, als voor de kooi van een schuchter diertje. In het midden van de nacht zal ze de deur dan openen en zo zal ze op z'n minst niet verhongeren. En dan zien we morgen wel weer verder. Wellicht lost een goede nachtrust haar spoken op als suiker in water. Zo gaat dat vaak. Misschien moet hij een slaapzak en een hoofdkussen bij het kommetje soep zetten.

Wanneer twee kinderen de deur opengooien, verandert de aard van het licht in de woonkamer: zachter, minder statisch, als een rimpelloze vijver waar plots een school knalrode vissen aan het oppervlak verschijnt. Ze krioelen om alles heen: om de benen van de jonge vrouw, haar schoot, de tafel, zichzelf, hun boekentassen die ze in een middelpuntvliedende wervelwind afwerpen, de zetels, het tapijt, opnieuw om de jonge vrouw, daarna om de man, maar voorzichtiger. Ze roepen allebei: 'Kimi, Kimi, Kimi!' alsof het een spreuk is. Eentje verdwijnt naar de wc, de ander komt om aandacht vragen bij de jonge vrouw, die – net als de ruimte zelf, net als het licht – een transformatie heeft ondergaan. Haar gezicht leert op één seconde dat het geen masker is. Ze heeft geen aandacht meer voor de puzzelpagina van de krant, en ook niet voor de man. Ze tilt het kind op en zet het op haar schoot. De jongen begint te vertellen over zijn schooldag terwijl hij uit zijn dikke winterjas ontpopt. De jas valt op de grond en de jonge vrouw raapt hem op. De man luistert mee, maar af en toe dwaalt zijn blik af naar de krant. Hij speelt onrustig met de pen in zijn hand. Hij staat op en zegt: 'Kim, als de kinderen gegeten hebben, kom je dan even naar mijn werkkamer?' Hij glimlacht opnieuw, maar deze keer zakelijk.

Twee staande lampen werpen gelig licht en gruwelijke schaduwen in het rond, als donkere handen die rijken over de goedkope boekenkasten. De oorspronkelijke functie van deze kamer was om bezoekers te imponeren, maar daarin slaagt ze niet meer: er liggen lege verpakkingen op het bureau. De boeken op de planken zijn geen strenge naslagwerken maar een felgekleurde mengeling van zelfhulp, fantasy en magazines. De man verplaatst een stapel kleding van een stoel zodat Kim kan gaan zitten.

'Wat ik je nu ga zeggen, komt misschien hard aan’, begint hij. 'Maar ik weet dat je het niet persoonlijk zal opnemen. Ik wil gewoon wat het beste is voor mijn kinderen.' De jonge vrouw beweegt niet.

'Begrijp me niet verkeerd’, zegt de man. 'Ik ben altijd heel tevreden over jou geweest.' Hij verbetert zichzelf: 'Behoorlijk tevreden, inderdaad. Maar er zijn een aantal dingen die ik in rekening moet brengen ... voor het belang van de kinderen, uiteraard. Je weet vast dat mijn financiële situatie niet is wat ze ooit geweest is en de wetgevingen worden steeds strenger voor huishoudhulp. Ik was heel dankbaar toen je voorstelde om tijdelijk onbetaald je werk verder te zetten, voor “kost en inwoon” zoals je dat zelf zo mooi formuleerde. Heel mooi, die uitdrukking, vind je niet? Toch denk ik niet dat ik je voorstel kan aannemen. Het komt erop neer dat ik ...' Hij moet even naar zijn papier kijken, waarop een aantal steekwoorden geschreven staan, zodat hij de rode draad van zijn uiteenzetting niet zou kwijtraken. '… dat ik een goed rolmodel wil voor mijn kinderen, zowel op het gebied van cultuur, moraal, als taal. De Nederlandse taal ...' 'Ik ben niveau drie!', onderbreekt de jonge vrouw hem. De man lijkt even uit het lood geslagen. 'En er zijn vijf niveaus, inderdaad’, zegt hij. 'Dat je vorderingen maakt, erken ik uiteraard, maar je moet begrijpen dat het cruciaal is voor kinderen van deze leeftijd om omringd te zijn door positieve rolmodellen die de taal correct hanteren. Ik vrees dat dit een functie is die je niet langer kunt vervullen. Daar moet ik het jammer genoeg bij laten. Ik wens je heel veel succes in je verdere carrière ... ik bedoel, in je leven. Tot ziens.' Hij steekt zijn hand uit, als om de afspraak formeel te bezegelen, maar Kim is de kamer al uit. Ze slaat met de deur, de kinderen kijken op van hun huiswerk.

Het lijkt alsof het niet regent want de druppels zijn te klein om zichtbare blaasjes te vormen op de plassen. In plaats daarvan vibreren ze ter plekke als een dikke zompige mist die door poelen van straatlantaarnlicht naar beneden migreert. Een jonge vrouw trekt een rechte lijn door het tafereel, plassen niet ontwijkend ook al draagt ze zomerschoenen. Ze heeft niet eens haar rugzak bij zich, die is ze vergeten op haar kleine zolderkamer in het huis waar ze vier jaar lang woonde en werkte. Ze zal dus terug moeten, maar niet vandaag. Deze avond zal ze zonder geld en paspoort uitzitten, als zoiets mogelijk is. Ze probeert na te denken over dingen zoals ‘toekomst’ en ‘bestemming’ maar daar is ze nooit erg goed in geweest. Vier jaar geleden wist ze dat ze weg van huis wilde en nu voelt ze iets heel gelijkaardigs, maar het klopt niet: dit is niet haar thuis, zal het ook nooit worden. Ze heeft niet genoeg van de wereld gezien om te weten hoe vreselijk hard alle steden op elkaar lijken ’s nachts en dus verwondert ze zich daarover: koplampen, lichtreclame, regen. Ze ziet een uithangbord waarop twee vissen elkaar omcirkelen, twee oranje kois, omgeven door tekens in een bekende taal, en voor ze het weet staat ze binnen, druipend, en niemand merkt hoe ze onweerstaanbaar aangezogen wordt door het centrum van het restaurant: een vijver, waarin vissen elkaar omcirkelen in een beeld van schoonheid dat voor haar zo evident is dat het haar overweldigt.

Het is middernacht. De eigenaar van het restaurant knipt de sfeerlichtjes op de tafels een voor een uit. Dat doet hij zo demonstratief mogelijk, opdat de jonge vrouw in de Japanse tuin het zou opmerken: we gaan sluiten, meisje, het is tijd dat je naar huis gaat. In de deuropening van het deel van het restaurant dat met ‘privé’ is afgebakend, staat de schim van de vrouw van de eigenaar. Ze heeft het daarnet met haar man gehad over het fenomeen dat zich in hun tuin afspeelt. Ze is van mening dat de situatie opgelost moet worden. Zij is iemand die – in tegenstelling tot haar man – vindt dat situaties telkens ‘opgelost’ moeten worden, dat ze zichzelf niet oplossen dus. Elk echtelijk conflict tussen de twee kan in principe tot dat verschil in wereldvisie herleid worden, en het eindigt altijd hetzelfde.

De man zal met het meisje praten, zal haar overtuigen om niet in het restaurant te blijven want dat is (volgens zijn vrouw) 1. onfatsoenlijk 2. gevaarlijk 3. niet de functie van ons etablissement. Dat woord gebruikt ze: ‘etablissement’, in het Nederlands. De man weet dat het menens is.

Wanneer de man zachtjes op de glazen deur van het tuintje tikt, schrikt de jonge vrouw op. Ze was naar de vissen aan het kijken, zoals ze dat al uren aan het doen is. De man gebaart dat ze de stenen moet wegdoen, zodat ze kunnen praten. 'Ik moet sluiten’, zegt hij, duidelijk articulerend doorheen het glas. De jonge vrouw blijft waar ze is. Ze kijkt met hernieuwde intensiteit naar de vissen. Af en toe flitsen haar ogen naar de deur, waar de man zijn backup-plan in werking zet: met zijn volle gewicht tegen de deur aanleunen zodat de steen wegschuift. Langzaam maar zeker lukt het hem, maar de steen maakt krassen op de nette tegelvloer van het tuintje, een gebeurtenis die de eigenaar haast fysieke pijn oplevert: dit restaurant is zijn lichaam, zijn levenswerk. Hij blijft aan de ingang staan, zwetend. Hij veegt zijn handen af aan zijn schort. 'Het is tijd, meisje’, zegt hij. 'Ik moet sluiten. Mijn vrouw zegt dat ... nee, ik bedoel: dit is niet het soort etablissement waar je zomaar kan overnachten, zeker niet in de tuin.' Hij weet dat het geen zin heeft om te proberen streng te klinken. Daar is hij nog nooit in geslaagd. Nu kijkt het meisje op. Begrijpt ze zelfs maar een woord van wat hij zegt? De eigenaar probeert opnieuw, herhaalt het zinnetje in het Kantonees, het Engels, zijn beste Mandarijns, maar ze heeft de boodschap blijkbaar begrepen. Ze staat op en maakt aanstalten om te vertrekken. Hij houdt de deur voor haar open. Hopelijk komt ze veilig thuis, denkt de man, maar hij voelt ook hoe oneindig ontoereikend die gedachte is: hij weet niet waar haar thuis is, hij kan zich niets voorstellen bij hoe zij leeft en denkt, hun werelden zijn mijlenver van elkaar verwijderd. Ondertussen is de jonge vrouw geruisloos verdwenen. De man zet een stap in de richting van de vijver, de witte kiezelsteentjes, de natte aarde. Hij telt de vissen.

 

Kala

Jens Meijen

 

Er zwemmen kwallen rond me. Ze geven rozig licht en zwemmen af en aan in groepen, waardoor hun gloed in alle richtingen over het koraalrif kaatst. Soms draaien ze in cirkels rond me heen. Soms komen ze dichterbij en kan ik ze aanraken, ze in mijn handen houden, voor ze zingen, zoals nu. Dat vinden ze leuk. Soms komen er ook andere dieren kijken: zwaard-, maan- en inktvissen. Ook zij komen dan naar me toe zodat ik voor ze kan zingen.

Gente di mare

che se ne va

dove gli pare

dove non sa.

De dieren wiegen heen en weer, samen met de waterplanten. Er klinkt muziek van ver boven ons, vanuit de stad. Ik zwem naar de oppervlakte, kom boven met gesloten ogen om niet te veel van de warme lichten te zien, en ik zing voor hen. Voor de roze neongloed. Voor de mensen in de nacht.

                                                                      * * *

Kala zingt weer. Elke donderdag kom ik langs, elke donderdag gaat ze in bad en elke donderdag zingt ze datzelfde liedje van Umberto Tozzi terwijl ik op de stoel aan het raam zit. Elke week opnieuw. Wat ze op andere dagen doet, ken ik intussen van buiten.   

Op vrijdagen gaat ze joggen. (Ik stel me Kala voor in haar sportkledij en hoe ze zou lopen. Misschien wat te veel op haar hielen.)

Op zaterdagen eet ze een grote zak kroepoek voor de televisie terwijl ze naar een dvd van Friends kijkt. (Ik stel me voor hoe ze onderuitgezakt in de zetel ligt, met haar handen vol kruimels.)

Op zondagen organiseert ze een leesclub in een opvangcentrum voor daklozen en vluchtelingen.  (Ik stel me voor hoe ze in een cirkel zit met vreemde mannen met wie ze de sprookjes van Grimm en Gravity’s Rainbow en de strips van Heraklio bespreekt.)

Op maandagen zet ze verschrikkelijk sterke koffie en maakt ze een wandeling door de stad. (We wonen in Oxynoudis, een havenstadje.) Af en toe koopt ze gladiolen om zonder water in een vaas te stoppen, ook al ben ik er allergisch voor.

Op dinsdagen gaat ze zwemmen in de zee. Daarna koopt ze een zak kroepoek voor de zaterdag erna en leest ze de boeken die ze ’s zondags heeft opgelegd aan de leesclub. Als ze dan nog tijd over heeft, drinkt ze de verschrikkelijk sterke koffie van maandag. De bloemen en planten in huis geeft ze nooit water.  

Op woensdagen concentreert ze zich vooral daarop, op het niet water geven van de planten. Dat is moeilijker dan je zou denken, zegt ze.

Op donderdagavonden, alleen dan, kom ik langs. Meestal duurt het niet lang, en terwijl ze in bad zit, verdwijn ik weer. Toch kennen we elkaar goed, op een bepaalde manier. Soms weten we niet wie wat gezegd heeft; alleen dat het gezegd is. Soms drinkt zij koffie en drink ik thee, en dan proeft zij de jasmijn en ik de melk en suiker. Soms drinkt zij water en voel ik het klateren in mijn maag. Ik ben de Middellandse Zee, zij is de Atlantische Oceaan. Ergens, op dat smalle strookje waar wij elkaar raken, ligt een stad waar zeemeerminnen zingen en kwallen de eucharistie vieren.

Vandaag zingt ze luider dan gewoonlijk. Vanuit het raam van het appartement kan ik in de verte Syntagma zien, het plein waarop iedereen samenkomt. De muziek van het plein doet het raam trillen en Kala zingt nog steeds Gente di Mare – ik neem enkele waskrijtjes uit de kast en leg ze op de keukentafel. Ik kies een kleur (indigo), stop het krijtje in m’n mond en steek het aan. Het smaakt naar fonteinen, naar vissen met parfum, naar een blauwe plant die ik ochtendglorie zou noemen. En naar indigo en waskrijt. Mijn longen branden. Ik spuw in de gootsteen, leg het smeulende krijtje naast het speeksel en zet een raam open. De avondlucht is koel en de haven ruikt hetzelfde als altijd: naar zout en vis en algen op de scheepsrompen. Beneden lopen mensen.

Oxynoudis stroomt rond deze tijd van het jaar altijd vol met Italianen en Japanners. De Italianen bewegen zich voort als inktvissen: pompend, bevreemdend, wanneer ze veel gegeten hebben zelfs imposant. De Japanners als ansjovis: argwanend, in groepen, snel terugdeinzend en opnieuw samenklittend wanneer ze voorbij een vreemdeling lopen. Zo gaat het in de stad. Of tenminste, zo gaat het in de benauwende straatjes. Op Syntagma gelden die regels niet. Daar zweeft iedereen zomaar in het rond, tussen elkaar door, van bar naar bar, van het plein naar de straten en weer terug. Ook vandaag gaat het zo. In de steegjes zie je glinsterende groepen Japanners die zich, zodra ze op Syntagma zijn, snel opsplitsen en tot rust komen, maar daar zie je ook Italianen die zich eerst moeizaam voortstuwen doorheen de steegjes om even later sierlijk over het plein te glijden. Het is allemaal een kwestie van samenvloeien. Zo is het voor de mensen in de stad en zo is het voor Kala en mij. Dat heb ik haar al vaak gezegd, maar luisteren doet ze niet echt. Ik ga naar buiten. 

* * *

De deur klapt dicht en zijn voetstappen klinken op de trap. Ik stap uit bad en kijk door het raam van de badkamer naar de roze gloed van het plein in de verte, boven de daken en de masten van de haven. Ik droog me af, trek mijn kleren aan, druip met natte haren doorheen het huis en zet mijn sportschoenen klaar voor morgen. Vervolgens trek ik een kruis over ‘Donderdag’ op de kalender aan de koelkast. De keuken ruikt naar verbrand plastic – er ligt een halfgesmolten stukje waskrijt in de gootsteen. Ik schraap het aangekoekte stuk eraf, maak de gootsteen schoon en ga uit het open raam hangen. De zon steekt nog net een stukje boven de zee uit, achter de haven, en de lucht is oranje. Als de lucht oranje is, komen er morgen regenbogen. Dat is het teken dat de kwallen afgesproken hebben. Hoe het zal gebeuren weet ik nog niet, maar ik zal wel zingen terwijl het gebeurt. Terwijl de Japanners en de Italianen allemaal op hun eigen manier proberen te ontsnappen, zal ik zingen; ze zullen allemaal dansen en zwemmen in mijn zee. Samen met de kwallen. 

* * *

Het is druk. De grond trilt door de muziek uit de omringende bars en er klinken stemmen van alle kanten: zangerig Italiaans aan La Principessa en kordaat Japans aan de Kinshi, maar soms ook andersom. Het Syntagmaplein is vierkant en aangekleed met rijen dunne boompjes aan de randen. In het midden staat een fontein. Daar zit ik op een bankje. Zowat elke bar in Oxynoudis heeft uithangborden met neonlampen – op de gevel van La Principessa staat een vrouwenlichaam met een blauwe huid en een zwierige rode jurk. Op de gevel van Kinshi staat een oranje koi met een lange staart. Door al die neonlampen hangt er zo’n zoet blozend licht dat nooit pijn doet aan je ogen, maar in het midden van het plein is het wel heel wat donkerder dan aan de randen. Mijn hoofd voelt zwaar en plakkerig aan, en ook een beetje indigo. Ik adem diep in en denk aan het versje dat Kala in mijn oor fluistert wanneer we elkaar omhelzen:

Wij hebben zout in onze haren

wij hebben de diepte van de zee in onze zielen

en koude vrouwen in onze sjaals.

Wij wachten op iets wat niemand weet.

Er komt een Japanner naar me toe. ‘Excuseer, meneer,’ zegt hij in het Engels, ‘zou u misschien een foto willen maken van mij en mijn vrienden?’ Ik knik en neem het fototoestel aan. ‘Daarzo,’ wijst de Japanner. Ik ga naar de aangewezen plek, waarna hij en zijn twee vrienden poseren voor de fontein. Ze zeggen ‘cheese’ en ik druk af. De Japanner komt naar me toe en bekijkt de foto in previewmodus. ‘Te donker,’ zegt hij, ‘nu met flits.’

Hij heet Eiko, de Japanner. De namen van zijn vrienden ben ik vergeten. Hij maakt fotocollages.

 - ‘Door alle foto’s tegelijk te tonen, ziet u veel meer dan wanneer u de foto’s apart bekijkt, begrijpt u? Een diashow is – hoe zegt men dat – efemeer. Tijdelijk. Deze collage zal Oxynoudis heten, en naast de foto’s zal ik platgedrukte yoghurtbekers en gedroogde inktvis plakken, samen met een sardientje en krijt uit de rotsen.’ Eiko wijst naar de rotsbergen in de verte, maar ze zijn nu niet meer zichtbaar. Te donker. Ik knik.

- ‘Dat vind ik nobel van u, meneer Eiko. Er zijn te weinig mensen die rekening houden met wat ze tonen.’

- ‘Bedankt.’ Hij maakt een lichte buiging.

- ‘Mag ik u wel een kleine suggestie geven?’

- ‘Natuurlijk.’

- ‘Het yoghurtpotje moet u in stukken knippen, de gedroogde inktvis en het sardientje moet u met een puimsteen tot stof herleiden, en het krijt moet u met een hamer verpulveren. Al die stukken moet u mengen met een soort lijm en verdunnen met zeewater. Die vloeistof moet u uitsmeren over Oxynoudis. Zo toont u de-’

Zijn mond verhardt. ‘Nee. Nooit. Dat zal ik nooit doen, al komt de raad van u. Het spijt mij.’ Hij buigt nog een keer, hangt het fototoestel om zijn nek en wenkt zijn vrienden. Ik ga weer zitten op het bankje en zie dat ze naar Kinshi wandelen, naar de koi met de mooie staart.

  * * *

Ik moet hem waarschuwen dat het vanavond zal gebeuren. Mijn slippers klateren over de trap, door de hal en zo naar buiten. De straatjes zijn smal en druk, maar dat stoort niet in Oxynoudis – dat komt omdat de vensterbanken steeds vol bloemen staan en de muren vol tekeningen van zeedieren. Voor de deuren zie je overal lege flessen wijn en van die plastic stoelen. Zo lijken de straten breder. Zurab, een jongen uit mijn boekenclub, zei eens dat Oxynoudis net uit een sprookje van Grimm lijkt te komen, of uit een ander verhaal; misschien zelfs uit Gravity’s Rainbow. Daarop zei ik dat dat wel zou kunnen. Bij elke pas klappen mijn slippers op de grond en zwiepen mijn natte haren heen en weer. Zurab is een jongen om op een maandagavond te ontmoeten, zo’n lieve jongen die cocktails met kleurige parasolletjes voor je koopt. Ik ga de hoek om en kom langs een man die tegen de muur leunt. Hij rookt en tikt op zijn gsm. Zodra ik voorbij wandel, kijkt hij op en stopt hij de gsm in zijn broekzak.

- ‘Signorina,’ zegt hij. ‘Signorina, scusi.’ Ik draai me om. Hij beweegt zich moeizaam voort, alsof hij onder water wandelt. Voor de rest heeft hij een stoppelbaard en een shirt dat te diep uitgesneden is, waardoor er wat borsthaar uit priemt. Een geschikte man voor woensdagavonden. Hij gaat verder in het Engels: ‘Weet u toevallig waar La Principessa is?’ Ik speel met mijn vingers door mijn haar terwijl hij aan zijn sigaret trekt. Het is niet meer zo nat.

- ‘Dat is op het plein.’

- ‘Het plein?’ Hij ademt de rook weer uit, trekt zijn wenkbrauwen op en doet duidelijk maar alsof.  

- ‘Het Syntagmaplein. Kent u dat niet?’ Hij schudt zijn hoofd en glimlacht – eerder een man voor vrijdagavonden, lijkt me, eentje die naar rozijnen ruikt en je ’s ochtends een kus op je onderrug geeft alvorens te vertrekken. ‘Volg mij dan maar.’ Ik draai me om en wandel voort, waarna hij me met enkele pompen bijbeent, zijn ene arm om mijn middel legt en met de andere zijn sigaret op de grond gooit. Mijn zij krimpt in elkaar – het is een man voor zondag. Jammer. Ik probeer zijn hand van me af te duwen, maar hij knijpt harder en trekt me naar zich toe. Het zou maandag moeten zijn, want dan kwam Zurab me redden en zouden we een hele avond aan het open raam zitten terwijl het langzaam donker wordt, en intussen zouden we praten over Gravity’s Rainbow. Over hoe Oxynoudis eigenlijk een dorpje is dat in het boek zou passen, tussen de witregels in. Hoe de steegjes even smal zijn als die witregels, en hoe dat wel heel toevallig is.

- ‘We zijn er,’ zegt hij. ‘Kom je mee iets drinken in La Principessa? De limoncello is er geweldig, heb ik gehoord.’ De muziek is luid. Zijn hand glijdt over mijn rug naar beneden. Ik duw zijn hand van me af en wandel weg. Een Japanner komt op me af, glijdend, en vraagt of ik met hem op de foto wil. Voordat ik mijn schouders kan ophalen, heeft hij zijn arm al rond me en ook de foto al genomen. Hij maakt een kleine buiging en gaat een bar binnen. De Japanners zijn enkel geschikt voor zaterdagen – ze nemen ’s ochtends altijd foto’s van je, terwijl je nog slaapt of terwijl je je kleren aantrekt, om te tonen aan hun vrienden. Dat gebeurt ook in Gravity’s Rainbow, geloof ik.

Nu moet ik hem vinden op Syntagma, voordat de kwallen hun plan uitvoeren. Er bestaat immers niemand die beter is op donderdagen – dat is een bijzonder moeilijke dag – en er bestaat ook niemand met wie het makkelijker samenvloeien is. Ooit heeft hij me eens verteld dat we net zijn als de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Dat we elkaar op één smal strookje raken, om exact daar in elkaar te vloeien. Er staan veel mensen te praten op het plein, verdeeld in kleine groepjes. In het midden, vlakbij de fontein, zit iemand alleen op een bankje. Ik loop naar hem toe, steeds sneller, terwijl mijn slippers ook steeds luider op de grond slaan. Hij ziet me, staat op, kijkt verbaasd, roept mijn naam.

Nu moet ik zingen. Ik adem diep in terwijl het uithangbord van La Principessa begint te flikkeren, en – er klinkt een knal en de neonbuizen laten hun kleuren ontsnappen in krullende lijnen. De kwallen zijn er. Sommigen nemen foto’s, anderen gillen, nog anderen staan gewoon te kijken. Één iemand staat te grijnzen. Ik zing:

Gente di mare

De lijnen van de blauwe prinses en haar rok draaien rond elkaar heen en versmelten tot diep paars.

che se ne va

De koi van Kinshi flikkert, breekt open, laat het oranje op dezelfde manier ontsnappen. 

dove gli pare

Aan de andere kant van het plein klinken nog wat knallende neonborden. Na een tijdje ook van links en rechts en van overal: de cowboy met zijn lasso, de kikker met de bril, de papegaai met de palmboom, de groene maan, de haaienvin, zelfs de flamingo en de slak. Alles breekt open.  

dove non sa.

Er vloeit neon in alle kleuren om ons heen. De mensen roepen. We omhelzen elkaar. We zijn een plek zonder zwaartekracht. Ergens waar oceanen elkaar raken. 

* * *

 Je zou denken dat Kala en ik daar onder een draaikolk staan. Samen. Je zou denken dat ze zingt, dat de Japanners en de Italianen omhoog kijken, dat hun gezichten oplichten in de kleuren van een koraalrif. Je zou denken dat de buurtbewoners hun ramen samen openklappen om te zingen in het Grieks, dat ze heen en weer wiegen zoals onderwaterplanten. Je zou denken dat de Japanners en de Italianen door elkaar lopen, de een als ansjovis en de ander als inktvis, en dat ze wild de sirtaki beginnen dansen. Je zou zelfs denken dat het indigo en het roze uit de hemel samenklit en naar beneden stroomt om ons allemaal weg te vagen terwijl Kala en ik hevig kussen. Ook al zou je dat uit alle macht denken – zelfs dan gebeurt het niet.

De brandweer is gebeld vanwege een brand in La Principessa. Ze zingt Gente di Mare en de mensen lopen gillend naar buiten, de huizen gaan langzaam in vlammen op en de hemel kleurt oranje. We omhelzen elkaar terwijl het neonlicht helemaal niet door de lucht stroomt. Mensen stoten ons aan met hun ellebogen en lopen in paniek door elkaar. De Japanners en de Italianen pletten elkaar in de deurgaten en springen in de fontein, samen. Eiko neemt foto’s en de collage van Oxynoudis zal zijn meesterwerk worden. Kala’s vluchtelingen zullen Gravity’s Rainbow helemaal uitlezen. Ze zullen vragen of de mensen zich die nacht in de smalle witregels verscholen hebben voor het vuur. Ze zullen ook vragen of Kala de brand gezien heeft. Ze zal zeggen dat ze die avond thuis was en dat ze bij het horen van de commotie het raam gewoon gesloten heeft. Er klinken sirenes. Er klinken dichtklappende ramen. Er klinken stemmen en echo’s terwijl de kwallen onder water blijven.

  * * *

Wij wachten op iets wat niemand weet.


Vuursuiker

Giuseppe Minervini

 

Zondags Rome

Giorgio, groothandelaar in sigaren, kijkt door het vuile raam van zijn werkkamer en bedenkt dat de eervolle uitnodiging weigeren zijn gezin te verdacht zal maken. Ana, zijn vrouw die op zondag haar haar met een citroenstokje opsteekt, is bang om naar buiten te komen. Elke dag tikt ze de wekker om zeven uur af om het ontbijt klaar te maken. ’s Middags poetst ze de kamers of breit ze warme kleren. Als haar man in de vooravond thuiskomt, maakt ze een maaltijd klaar met de boodschappen die hij kocht en ’s avonds helpt ze haar zoon met zijn huiswerk.

Giorgio doet er alles aan om haar terug onder de mensen te brengen. Hij herinnert haar aan de middagen in het park, toen Lorenzo nog een kleuter was. Ze aten broodjes met mortadella en zelfgemaakte focaccia met champignons. De eendjes vroegen om kruimels en Lorenzo stak zijn nieuwsgierige handen ernaar uit. Hij kon ze net aanraken. Ana glimlacht lichtjes en zegt dat die tijden voorbij zijn. De hemel is grauw, er is kans op regen en licht tegen haar zin neemt ze haar jas uit de kleerkast.

Op de Via del Corso en de Via dei Sabini stinkt het naar bleekwater. Vrouwen poetsen het stukje voetpad voor hun huis en vervloeken de varkens die gisterenavond met eieren en tomaten een protestactie hielden tegen de beslissingen van het stadsbestuur. Giorgio was daarvan op de hoogte, maar is, in zoverre hij er geen voordeel bij heeft, allerminst geïnteresseerd in politiek. Iedereen beweert dat hij de beste sigaren van het land levert, maar in werkelijkheid is zijn product geld. Zonder problemen en wanneer hij maar wil kan hij naar de kant van de sterksten overlopen. De zaken gaan de laatste tijd niet al te best, maar daar zou nu, onder andere door de beslissingen van het stadsbestuur, verandering in komen.

Het gezin schuilt voor de regen in de bar waar de koffie naar hazelnoten smaakt. Ana verbergt haar bleke gezicht achter haar kraag. De uitbater van de bar is een vriend van haar man, maar is niet te vertrouwen. Hij wandelt de bar binnen, Giorgio drinkt zijn kop koffie en het glas abrikozensap van Lorenzo leeg en betaalt. Langs het Colosseum, dat de laatste jaren steeds zwarter wordt, kuieren ze onder een grote paraplu naar huis.

 

Koekoeksklok

Lorenzo ligt op het tweepersoonsbed en fietst met zijn benen in de lucht. Hij wacht op zijn ouders en staart naar het luikje waaruit de koekoek elk ogenblik kan komen piepen. Moeder stormt de badkamer uit, haakt een oorbel in en waarschuwt dat Lorenzo zich moet haasten. Ze grist een vlinderdas uit de koffer, waarin alle kleren nu overhoop liggen, en wenkt haar zoon. ‘Je weet hoe je je moet gedragen?’, vraagt ze streng terwijl ze de vlinderdas om zijn keel spant. ‘Wees niet zo nerveus, Ana’, zegt vader, die de scheerzeep niet goed heeft afgeveegd. ‘Er is geen enkele reden voor.’

‘Ik wil alleen maar voorzichtig zijn. Jij doet alsof er niets aan de hand is’, antwoordt ze. Ze keert zich naar Lorenzo en kijkt diep in zijn ogen. ‘Je begrijpt wat ik je gezegd heb, hé?’ Lorenzo knikt. ‘Ana, alsjeblieft, het is feest vanavond. Je ziet er fabelachtig uit. Er zal gedronken worden. Niemand zal zich bezighouden met politiek.’

Ana steekt een sigaret op. ‘Ik ben geboren met een ander gezicht.’ Ze blaast de rook uit en blijft hem aankijken. Hij wurmt zich in zijn colbert en recht zijn das in de spiegel. Het is een knappe man, een rijke man. Ana weet dat ze geluk heeft gehad. Misschien heeft haar man gelijk en is ze hier het veiligst. Zoals een vlinder zijn vleugels te rusten legt, plooit ze haar tong dicht en verstopt ze haar achter haar tanden. Haar man geeft haar een kus en verlaat de kamer. De koekoek toont zijn kopje.

 

IJsodyssee

Op een donkere oudejaarsavond ontvangt hotel Berghof vaders en moeders met bagage aan de hand. Ze schudden de natte sneeuw van hun kraag en krijgen als verwelkoming onmiddellijk een aperitief. In de witroze balzaal dansen vrouwen op naaldhakken en schuiven de mannen de dansvloer op. Anderen leunen tegen marmeren zuilen, nippen van hun glas, lachen. Dokters ontmoeten ministers. Ingenieurs ontmoeten officieren.

Het zijn de laatste tien minuten van het decennium. Een knappe receptioniste springt naast de toren champagneglazen. Ze tikt met een mes tegen een hol glas. De gasten keren zich als één kudde naar het geluid. Sommigen kijken op hun horloge. De receptioniste steekt een kromme sabel in de lucht, sabreert de magnum en giet de drank in de toren. Nog tien seconden.

Lorenzo houdt een stoel vrij voor zijn vader. In zijn mond laat hij een Werthers snoepje smelten dat hij in een schaal op de receptie vond. Hij geeuwt verveeld en telt de lege champagneglazen op het dienblad van een voorbijrazende ober. Wat is er zo bijzonder aan dit nieuwe jaar? Zijn vader zegt dat de dorre tijden na vanavond eindelijk weer zullen bloeien.

Hij omsluit zijn ouders in zijn bewustzijn als een warme steen in zijn hand en houdt zijn adem in. Ze blijven geesten, koud en doorzichtig en dronken. In het spiegeltje in zijn hoofd lezen ze zijn gedachten beter dan hijzelf. Soms beelden ze met hun handen die gedachten uit. Hij wurmt een wijsvinger tussen zijn keel en vlinderdas, bijt in de lucht en ademt de hap in.

Niemand ziet hem door de draaideur wandelen. Hij voelt hoe de kou over zijn stembanden glijdt en zich in zijn keel nestelt. De struiken die het terras omringen zijn dik door het ijs. Aan de gevel van het hotel hangt een spot die het besneeuwde pad tot aan de eerste stammen van het dennenbos verlicht. Hij staart doorheen de ribben van het bos, ziet schimmen voorbijflitsen en voor hij het zelf beseft, zet hij zijn eerste stap vooruit. Hij merkt aan de sneeuw rond hem dat hij het licht openscheurt. Nog even kijkt hij om, door het raam in de danszaal waar alle mensen lijken op ouders en alle ouders op losgeslagen dieren.

Het bevroren doolhof kent geen omtrek en geen oppervlakte, geen begin en geen vergaan, maar de eerste en laatste naaldbomen zijn alleen maar op zwarte muren geprojecteerd zodat de jongen zich dit alles kan inbeelden.

Aan de eerste boom slorpt de sneeuw het geluid op en wiegt de wind de naalden traag heen en weer. Een mezzosopraan zingt treed binnen, vriend. Alsof de stem hem kort in de rug duwt, bereikt hij de tweede boom. Hij kijkt achterom en het kalmerende feestlicht van het hotel is verdwenen. Aan de derde den zijn de voetsporen nog te zien, ‘maar waarom terugkeren?’, vraagt hij zich af. Hij beseft dat hij de controle over zijn benen heeft verloren.

Voor het helemaal donker wordt, zwelt het lichtgordijn nog even onder het dak van de nacht. Haastig zoekt Lorenzo zijn voetsporen. Hij vindt ze niet, sprint het bos in en kijkt achterom. Hij laat geen voetsporen meer na. De sneeuw regenereert zich door de storm. Paniek grijpt hem bij de enkels. Hij blijft stokstijf staan en bevriest.

Als  een  turbine  draait  een  magere  nimf  rond  hem.  Ingezeept  glijdt  ze  doorheen  de  weinige moleculen zuurstof. Ze leunt met haar ellebogen op zijn schouders. Een dikke pil wordt tussen zijn lippen geduwd. Een reuzenhand beveelt hem te slikken. Hij zakt ineen, ligt op zijn rug in de sneeuw en staart naar de dikke sterren en de maan. Er zweven lichtgevende engelen rond, met trompet aan de lippen en geknipte vleugels op de rug geplakt.

Lorenzo’s gezicht is lauw vanbinnen. De dennen keren hun naakte kruin als spiesen naar de hemel. Met zijn vingers streelt hij het sneeuwoppervlak: warm als melk voor het slapengaan.

  

Totem en strobaal I

Moeder heeft te veel champagne op en voelt zich draaierig, maar door mevrouw Hanusel die in volle bewondering vertelt hoe haar zoon Klaus helpt posters ophangen, wordt ze plots glashelder. Er sprinten kinderen over de dansvloer, onder de marmeren boog door en in de speelhal. Anderen verstoppen zich onder de feesttafeltjes, hun schimmen zijn onder de witte lakens niet herkenbaar. Lorenzo’s bruine haardos en bruine ogen aan deze gasten beschrijven, is onbegonnen werk, bedenkt Ana.

De dansvloer lijkt op een perpetuum mobile van ledematen, een dronken eerbetoon aan de eeuwigheid. Een arm is een ader, een been een wiel en een rug een obstakel. Alle kinderen in dit hotel lijken op elkaar, allen nageslacht van dit dansende reuzenrad. Italiaans of Duits –  als het erop aankomt, maakt het niets uit. Bovendien, dat weet ze uit ervaring, kan in dronkenschap het lot van een moeder niemand veel schelen. De moeder kijkt de zaal nog eens rond, dit keer niet op zoek naar haar kind, maar naar een gezicht dat op het hare lijkt. Alles lijkt vals nu de nacht begonnen is. De euforie lijkt zich griezelig te ontrollen tot leugens, geweld en gruwelijke dromen. Ze vraagt zich af: ‘Waar is het sobere gelaat van mijn natie heen?’

Vader laat de Duitse vrouw los en beweert dat hij Lorenzo nog tijdens het aftellen zag. ‘Hij zat op een stoel. Wij, zaten op een stoel. Ik zei dat hij er moest blijven wachten terwijl ik even met de minister ging praten.’

‘We moeten hem vinden’, zegt ze. Ze draait zich om en kijkt naar buiten. Het sneeuwt nog steeds. De vlokken kussen het raam, maar het is zo donker dat moeder alleen de reflectie van de balzaal ziet. Ze is de enige die stilstaat.

‘Rustig Ana, het is helemaal niet zo erg’, probeert vader haar gerust te stellen, ‘het is een kind, wat verwacht je nu? Hij zal vriendjes gemaakt hebben.’

‘Wat als hij iets verkeerds zegt?’

‘Nee,’ hij legt zijn vinger op haar mond, ‘maak je daar geen zorgen over. Kom, ik zal je aan iemand voorstellen.’

Giorgio neemt zijn vrouw bij de arm. Hij stelt haar voor aan luitenant Horst Filchmann, die een zalmtoastje in zijn mond propt, over zijn uniform strijkt, met zijn geringde vingers haar hand neemt en zijn lippen erop legt.

‘Aangenaam, mevrouw?’, vraagt hij in het Italiaans. ‘Serena’, zegt ze kort.

De luitenant glimlacht. Hij heeft weinig tandvlees en een grijns die lijkt op die van een doodskop.

 

Jacht en eekhoorntjesbrood

De kinderen ontwaken in het hart van het bos. Vanaf nu is dit hun hoofdkwartier, weten ze. De doorzichtige koepel uit nimfen weerkaatst hun adem. Het graaft warme plooien in hun bed. De kinderen geeuwen en rekken zich uit. Niemand herinnert zich zijn afkomst – hoe speelt het lot dit klaar? – alsof ze kleine kometen waren toen ze duwend en trekkend onder invloed van de neurose en de maneschijn het dennenbos binnendrongen. Zij moeten de uitverkorenen zijn.

Het is dagen of weken of maanden geleden dat iemand de maan zag. Door het donker zijn de gezichten tot schaduwen verwrongen. Hun pupillen zijn potdicht. Afstand heeft geen bereik meer. De kompanen zijn niet van elkaar te onderscheiden.

Om te overleven voorspelt de naam de geur: Sneeuwbes, Vissenbloed, Honingmond, Oceaanklif, Vuursuiker, Zandmolen en Smeltkaars. Dat zijn de doopnamen. Alles is veel eleganter dan met het blote oog en dat vinden de kinderen plezierig.

Het enige dat ze zich herinneren uit het vorige leven is de dood. Instinct is het vermoeden en overleven is de opdracht; sluipend op herten jagen, op de neus eetbare uit giftige paddenstoelen schiften.

Daar hebben ze een leider voor nodig. Vuursuiker wordt unaniem boven Sneeuwbes verkozen. Tijdens de kroning buigt zij nijdig mee.

De keizer verdeelt zijn school in twee legioenen: de jagers en de oogsters. Zandmolen, Oceaanklif en Smeltkaars wonen in het zuiden en weten wat er op de bergen groeit. Sneeuwbes, Vissenbloed en Honingmond willen jagen, omdat ze ervaring hebben met het woud.

Iedereen wacht op Vuursuikers bevel. Hij is niet van plan te treuzelen. Toch vraagt hij zich met de kin in de hand af waar de nimfen gebleven zijn.

De dappersten hebben een vossenstaart rond het hoofd. Allen met schop, speer, knuppel of geweer in de hand wachten ze op het eerste bevel voor de jacht. Door zijn eigen gedachten betoverd veert Vuursuiker recht uit zijn kleermakerszit. Hij trekt brokjes bevroren modder van zijn korte broek en duwt zijn staf in de sneeuw tot hij ijs raakt. De school kijkt op en snuffelt naar de geur van koude karamel.

‘Waar komen de nimfen vandaan? Zijn wij alleen? Hoe kunnen wij daarvoor zorgen? Alles moet veranderen om herhaald te worden en hetzelfde te blijven. Zolang wij niet uithongeren, zolang wij leven en geneeslijk zijn, kunnen wij ons aanpassen. Wij zijn een magisch volk, dierbare vrienden. Ik heb mijzelf onderricht in de kunst van het overleven en nu ben ik opgestaan als jullie heerser. Nu is het aan jullie om mij te gehoorzamen. Zijn wij alleen? Dat weten wij niet. Als wij niet alleen zijn, dan bestaat er een vijand. Dat weten wij wel. Om te overleven, moeten wij die vijand uitschakelen. Ik ben jullie leider, ik zal jullie leiden. Het is aan ons om een rijk op te bouwen dat sterk als staal en eeuwig als de nacht is! Alleen door dapper te zijn, zullen wij vrede vinden.’

Honingmond roept dat Sneeuwbes stil moet zijn, want haar gemekker verjaagt de herten. ‘Hé, sorry’, zegt Sneeuwbes. Ze vertrekt alleen.

Ondertussen graven de oogsters in de sneeuw, op zoek naar paddenstoelen. ‘Zo kunnen we lang zoeken,’ zeurt Oceaanklif, ‘mijn neus krijgt koud.’

‘Jij woont toch in Tirol? Dan moet je toch weten hoe eekhoorntjesbrood ruikt?’, antwoordt Zandmolen.

Een uur later melden de legioenen zich aan op het hoofdkwartier. Er zijn geen paddenstoelen gevonden. ‘Het is gewoon te koud’, verklaart Oceaanklif. Er wordt geen hertenvlees geserveerd. ‘We moeten leren samenwerken’, roept Honingmond. ‘Sneeuwbes heeft de herten weggejaagd. Ik ben er zeker van.’

Zandmolen en Vissenbloed zijn niet teruggekeerd. Ze zijn gesneuveld op het veld van eer.

‘Buig voor de berg. Straks is zij van wolken ontkleed. Er is lawinegevaar, maar dat jaagt ons geen schrik aan, niet?… niet?’

‘Nee?’, zegt de groep verward.

‘Wij vertrouwen erop dat de berg de sneeuw vast zal houden en dat ze de verlorenen naar het snoeppaleis op de maan begeleidt. Buig nu.’

Vuursuiker staat erop dat iedereen de neus diep genoeg in de sneeuw duwt. Hij hurkt en legt zijn staf naast zich. Sneeuwbes zucht.

‘Ik krijg het nu echt heel koud hoor!’, brult Oceaanklif.  ‘Ik vind het ook niet meer leuk’, klaagt Smeltkaars.

Zwak maanlicht schijnt uit het raam. Ze kijken op, naar zichzelf, naar elkaar. Ze zien elkaars katachtige pupillen.

‘Leider, je kent goed Duits’, merkt Franz op.  ‘Ja, door mijn moeder.’

‘En je vader?’

‘Hij spreekt Italiaans.’

‘Hoe praten ze dan met elkaar?’, vraagt Hilde. 
 ‘Ze leren de taal aan elkaar, denk ik’, zegt Lorenzo.

 

Totem en strobaal II

Ongeduldig leunt moeder over de toog van de receptie. Er is niemand. Er liggen twee lege flessen witte wijn op de grond. De vier is van het jaartal aan de muur gevallen.

‘Kan ik u helpen?’, vraagt een vrouw vanuit het achterkamertje. Ze staat recht uit haar stoel en knoopt haar schort dicht.

‘Wij zijn onze zoon kwijt’, zegt Ana, ze legt het riempje van haar korset terug op haar schouder. Giorgio rolt met zijn ogen en hoort zijn naam vanuit de balzaal roepen. Een klant van hem steekt zijn glas omhoog, hij groet terug en ze drinken allebei hun glas leeg.

‘Is hij bij een begeleider?’

‘Nee.’

‘Het is helemaal niet zo erg hoor, mevrouw’, onderbreekt vader in gebroken Duits. ‘Kom, Ana, laat ons teruggaan.’

‘Ik maak me ongerust, Giorgio, alsjeblieftt.’ Ze trekt haar arm los uit de greep van haar man. 

‘Wat is zijn naam, mevrouw?’

‘Eu, Lorenzo.’ De receptioniste fronst haar wenkbrauwen.

‘Met een e? In het midden?’, vraagt ze.

‘Jawel.’

‘Ik zal het doorgeven,’ zegt ze, ‘u hoeft zich geen zorgen te maken.’

‘Weet u niet waar hij zou kunnen zijn?’

‘Wees nu toch kalm, Ana!’

‘Waarom gaat u niet kijken in de speelhal?’

Alle kinderen rennen rond in hun mooiste kleren. De meisjes kruipen onder de tafels en de jongens sluipen langs de muren. Ana komt met haar man in haar kielzog de zaal binnen. Alle kinderen kijken op alsof ze schuldig zijn. Twee jongens liggen op een strobaal, zij dragen een dikke jas en spelen steen, schaar, papier.

‘Hier is hij niet’,’ zegt moeder.

‘Het hoofdkwartier is in de garage’, zegt de jongen op de strobaal. Hij heeft zijn das rond zijn hoofd geknoopt.

De nimfen zingen als opgewonden muziekdoosjes en worden onzichtbaar door het licht dat aanschiet. Nu de kinderen weer kunnen zien, zien ze dat ze nooit één zijn geweest. Ze vergeten hun bijnamen.

Lorenzo ziet zijn ouders niet in het deurgat staan. Hij verbergt zijn gezicht en hoopt dat de nimfen hém onzichtbaar maken. Hij weet dat zijn moeder kwaad is.

‘Waar heb je gezeten?’, vraagt zijn vader. Hij heft zijn hand.
 ‘We waren hier gewoon aan het spelen.’

‘Niet slaan, meneer. We hebben niets verkeerds gedaan’, verdedigt eerste luitenant Klaus Lorenzo.  ‘Rustig, Giorgio. Kom Lorenzo, we gaan slapen, hé?’ Vader neemt hem onder de oksels vast en geeft hem onmiddellijk door aan Ana. Ze wrijft zijn kleren schoon en neemt hem mee naar de kamer terwijl Giorgio terugkeert naar de balzaal.

  

Bloedmaan

Lorenzo kan niet slapen. Hij denkt terug aan zijn staf en hertenkroon, aan hoe hij de oren van de kinderen naar binnen kon keren, aan de nimfen die met ratelende stembanden zijn naam bezwoeren en aan het glinsterende ijsbos dat ze in hun hoofd hebben gebouwd.

Hij krijgt het erg warm onder de lakens. Hij rilt. Hij heeft dorst en wil om zijn moeder roepen, maar uit het raam merkt hij nimfen rond een maan die vet als een bloedappelsien aan de hemel staat.

Hij keert zijn hoofd naar zijn ouders, ze liggen rug aan rug, en ziet het rustige gezicht van zijn vader, hoort het trage gesnik van zijn moeder.

 

Dertien over drie

Annemie Brams

 

1.

Marie had nooit kunnen vermoeden dat een dag die ze zich voor de rest van haar leven zou herinneren op die manier zou beginnen: met een ochtend zoals alle andere, alleen wat warmer. Alles verliep normaal. Na het ontbijt keek ze vanuit de woonkamer toe terwijl Emile hun wapen tegen de voorspelde hittegolf, een felgroene parasol, uit de garage haalde en hem voor het huis neerpootte. Het duurde even voor hij het schuifsysteem in beweging kreeg. Zelfs van op een afstand was de trilling in zijn vingers zichtbaar. Marie wachtte tot hij ook de tuinstoelen op hun plek had gezet en met zijn krant in de rechtse stoel had plaatsgenomen voordat ze zelf met haar breiwerk naar buiten kwam. Dat was namelijk Onuitgesproken Regel #1: pas wanneer Emile aan zijn krant begint, heeft Marie toestemming om naast hem te komen zitten. De overige Onuitgesproken Regels konden met evenveel bondigheid en precisie, de favoriete begrippen van Emile,  worden verwoord:

O.R. #2: Emile zit rechts. Marie zit links.

O.R. #3: Emile bepaalt of de weersomstandigheden goed genoeg zijn om buiten te zitten. Hij maakt zijn oordeel kenbaar door de tuinstoelen en het opklaptafeltje voor het huis te plaatsen. Over zijn beslissing wordt niet gediscussieerd.

O.R. #4: Wanneer Marie naar binnen gaat om koffie, taart of een andere versnapering te halen, dient zij te allen tijde dezelfde versnapering voor Emile mee te nemen.

O.R. #5 (en dit was veruit de belangrijkste): De voortuin is een plek van stille contemplatie. Marie houdt daarom al haar ingevingen, bedenkingen of observaties voor zichzelf. Ook binnen wordt er niet gesproken over eventuele inzichten die buiten verworven zijn.   

De O.R.’s waren stuk voor stuk op een natuurlijke manier tot stand gekomen. Telkens wanneer Marie zonder het te beseffen een regel overtrad, had Emile zijn ongenoegen duidelijk laten merken. Hij hield dan ook binnenshuis zijn stilte vol of at ’s avonds zijn bord niet volledig leeg. Die maatregelen hoefde hij ondertussen niet meer toe te passen. De routine verliep foutloos. Marie kende de O.R.’s. 

2.             

Lange tijd had het ernaar uitgezien dat Emile slechts een van de velen op Marie’s lange lijst van onbereikbare vlammen zou worden, net zoals Pieter, haar vroegere babysit, en de onbekende man die ooit in de vrieskou haar lekke fietsband gerepareerd had. Toen ze Emile voor de eerste keer zag, op een winderige dag in maart, was ze nog maar net zeventien geworden. Ze was op weg naar huis nadat ze bij een vriendin haar huiswerk had gemaakt en beklaagde het zich dat ze geen sjaal had aangedaan. Haar keel voelde aan alsof ze elk moment in tweeën kon splijten. Op het moment dat ze rechtsaf haar straat insloeg, zag ze aan de overkant een jongen in werkkledij, hoogstens een paar jaar ouder dan zij, zijn handen in de zakken van zijn gescheurde broek en een frons op zijn gezicht. Ze had nog nooit iemand van haar leeftijd zo serieus zien kijken. Zijn gezicht telde meer lijnen dan dat van haar vader. Ze veronderstelde dat hij terugkwam van de bandenfabriek die twee kilometer buiten het dorp lag. Zijn linkerbeen sleepte een beetje, als de haperende wijzer van een metronoom. Hij keek haar niet aan, maar dat was niet nodig. Vanaf die dag deed Marie er alles aan om buiten te zijn wanneer hij door haar straat slofte.

3.

Terwijl Emile aan haar rechterkant zijn krant las, breide Marie de hele voormiddag aan haar nieuwe trui. Af en toe liet ze een steek vallen. Dan moest ze haar best doen om geen geluid te maken. Om de zoveel tijd keek ze eens naar Emile, die met zijn gezicht bijna tegen de pagina’s van zijn krant plakte. Hij had al jaren een leesbril nodig, maar beweerde steeds dat er niets mis was met zijn ogen.

Onder de voorbijgangers van die ochtend zaten er heel wat bekende gezichten. Twintig over negen: Francine van nummer 12, sinds de dood van haar man drie jaar geleden gedwongen om hun labrador in haar eentje uit te laten. Zoals steeds wenste ze Marie een goede gezondheid toe. (Marie kon enkel vriendelijk terugknikken.) Kwart voor elf: de werkloze man van op de hoek. Zeven voor elf: de werkloze man van op de hoek, deze keer met Het Laatste Nieuws en een pakje Marlboro’s. Negentien over elf: de dochter van de Dierckxens van nummer 5 met haar nieuwe grote liefde, een bebrild exemplaar met een te wijd overhemd. Hopelijk wist hij dat het meisje haar vriendjes na gemiddeld zes weken alweer beu was. Daarnaast waren er ook een paar nieuwe gezichten, waaronder een groep wielertoeristen (halftien) en een twintiger met dreadlocks die tevergeefs verschillende keren bij nummer 29 aanbelde (tien voor twaalf tot acht voor twaalf). De hitte van die middag was al te proeven in de lucht. Verschillende  buren lieten de rolluiken van hun huis preventief naar beneden. Terwijl de laatste wolken langzaam oplosten, keken Emile en Marie vanaf de straatrand onverstoord toe op hun arena.

4.

Een aantal maanden lang kwam Marie de jongen minstens eenmaal per week in de buurt van haar huis tegen. Op andere dagen keek ze gewoon vanuit haar slaapkamerraam toe. Dat haar aanpak niet bepaald subtiel was, stoorde haar niet. Dat haar slachtoffer redelijk onaantrekkelijk was – dat ze niet eens zijn naam kende – evenmin.

Ze zou de jongen waarschijnlijk weer vergeten zijn, hem ingewisseld hebben voor een nieuwe prooi, als er niet iets aan haar situatie veranderd was. Dat gebeurde toen ze begin juli met haar zus naar de jaarlijkse kermis op het dorpsplein ging. Hoewel die uit niet meer dan een paardenmolen, een schietkraam en wat eetstalletjes bestond, was het toch elke zomer de gewoonte dat alle jongeren uit de buurt er samentroepten voor een namiddag plezier en alcohol zonder ouderlijk toezicht. Marie ging met tegenzin. Haar ouders hadden haar gevraagd om op haar zus te letten, maar ze wist dat Louise met een aantal jongens had afgesproken. Ze praatte dan ook al weken over niets anders meer. Zodra ze op het plein aankwamen, gingen ze elk hun eigen weg. Marie slenterde langs de attracties. Na nauwelijks een kwartier zag ze Louise al in een zijstraat verdwijnen met Bert, de dokterszoon die de afgelopen dagen het voornaamste onderwerp van haar geratel had gevormd.

Na haar tweede rondje om het plein zag ze hem voor de eerste keer. De serieuze jongen, wiens gezicht ze ondertussen zo goed kende, stond een meter of twintig verderop en keek haar recht aan. Meteen draaide Marie haar hoofd weer weg. Ze had geen idee wat ze moest doen. Opnieuw kijken? Dat durfde ze niet. Ze begon aan haar derde rondje.

Tijdens rondjes drie tot en met acht zag ze hem nog vier keer, een keer bij het eendjesvissen en bij het schietkraam, en tweemaal bij de paardenmolen. De vierde keer durfde ze eindelijk een aantal seconden terug te staren, totdat ze besefte wat ze aan het doen was. Meteen voelde ze haar hoofd rood worden. Ze keek weg en begon aan rondje nummer negen.

Bij het smoutebollenkraam stond hij opeens naast haar. Voordat ze kon bedenken hoe ze moest reageren, nam hij haar bovenarm vast en sleurde haar mee naar de smalle doorgang tussen het kraam en de muur erachter. In de koelte van de schaduw ging hij vlak voor haar staan en keek haar onderzoekend aan. Een hele tijd zei geen van beiden iets. Marie friemelde aan haar halsketting. Dit had ze nog nooit meegemaakt. Wat hoorde ze nu te zeggen? Het bleef stil.

‘Euh – ik – sorry –’, begon ze.

De jongen kuchte. Marie zweeg weer. In haar hoofd begon ze het afval op de grond te sorteren.

Zijn stem, onverwacht hees, deed haar opschrikken. ‘Ik zou –’

‘Ja?’

Stilte. Een nieuw kuchje.

‘Ik zou je graag willen kussen.’ Het was geen vraag, gewoon een mededeling. (Bondig en precies, zou de latere Marie opmerken wanneer ze aan dit moment terugdacht.)

‘O.’

Voor ze verder nog iets kon zeggen, kwam de jongen dichterbij. Als ze wilde, kon ze met haar vingertoppen de frons op zijn gezicht proberen glad te strijken. Dat deed ze niet. Ze bleef heel stil staan en bereidde zich voor op wat ongetwijfeld het mooiste moment uit haar leven zou zijn. De kermismuziek leek nog wat luider te klinken. De smoutebollen geurden nog wat harder. Tijdens de kus was ze zo nerveus dat ze zich er onmiddellijk daarna al niets meer van herinnerde, maar dat kon haar niet schelen. Het onmogelijke was gebeurd: iemand op de wereld had haar willen kussen. Ze zou zich vast nooit meer zo gelukkig voelen als nu.

5.

Marie zette twee glazen ijswater op het tafeltje tussen Emile en zichzelf en liet zich traag weer in haar stoel zakken. Het witte plastic kraakte afkeurend. Emile keek even opzij. Marie onderdrukte een puf en probeerde enkele ontsnapte haarstrengen opnieuw in haar dotje vast te maken. Op haar rug, die ze binnen nog maar net had droog gewreven, parelden alweer nieuwe zweetdruppels. Na het middageten waren er opvallend minder mensen langsgelopen dan gemiddeld. Terwijl Marie op een vakantiedag normaal gezien ongeveer vijftien voorbijgangers telde tussen kwart voor een – het uur waarop Emile en Marie, in die volgorde, opnieuw naar buiten kwamen – en drie uur – het moment voor een versnapering zoals die van daarnet –, waren dat er nu maar zes geweest, al had hun buurman van nummer 24 wel in bloot bovenlijf zijn auto staan wassen.

Emile en Marie waren oude rotten in het vak, kenners die niet snel meer opkeken van wat ze allemaal voor zich zagen gebeuren. De parade van rariteiten die de afgelopen jaren was langsgelopen, varieerde van zij die tegen zichzelf praatten, zongen of scholden, tot bultenaars en mensen die met hun kat aan een leiband gingen wandelen. Toch verbleekte dat alles bij wat er om dertien over drie gebeurde.

Marie zou achteraf niet met zekerheid kunnen zeggen wie de man het snelst had opgemerkt, Emile of zijzelf. Wat ze zich wel met een bijzondere klaarheid zou blijven herinneren, was datgene waardoor ze haar hoofd naar rechts had gedraaid: de weerkaatsing van het zonlicht in een zwartleren aktetas. Ook de hand die de tas vasthield was in leer gehuld. Vreemd, dacht ze. Toen zag ze de man in zijn geheel en besefte dat, ondanks het tropische weer, zijn handschoenen waarschijnlijk het normaalste onderdeel van zijn verschijning waren.

Zijn lengte alleen al was genoeg om hoofden te laten draaien. Marie had nooit erg goed kunnen schatten, maar zelfs van op een afstand leek twee meter haar geen overdreven gok. Toch zag de man er niet slungelig uit, integendeel. Hij was sterk gebouwd, had het postuur van een zwemmer. Zijn potloodventerjas kon zijn schouderspieren niet verbergen. Hoewel het Marie al was opgevallen dat grote mensen hun lengte vaak probeerden te compenseren door zich verder zo eenvoudig mogelijk te kleden, leek deze man net zo hard mogelijk op te willen vallen. Wat kon anders de bedoeling zijn van de indianentooi? Het Venetiaanse oogmasker? De felrode krulsnor?

Marie keek naar Emile. Op zijn gezicht was geen enkele emotie te bespeuren. Snel richtte ze haar aandacht weer op de man, bang om iets belangrijks te missen. Hij was een exotische vogel die besloten had om in de Platanenlaan te landen. Alleen zijn vleugels ontbraken. Zijn passen waren allemaal even groot, alsof hij langs een onzichtbare meetlat liep. De hakken van zijn lakschoenen tikten op de straatstenen. Elke tik werd gevolgd door een kleine wiebel van zijn snor. Tik-wiebel. Tik-wiebel. Tik-wiebel.  De hele tijd keek hij recht voor zich uit, ook toen hij vlak langs nummer 26 liep en Marie hem kon doen struikelen als ze dat wilde. Tik-wiebel. Marie wilde iets zeggen. Tik-wiebel. Ze keek weer naar Emile. Waarom reageerde hij niet? Zelfs een o of een hmm was voldoende. Ze schuifelde wat op haar stoel. Opende haar mond. Herinnerde zich O.R. #5. Sloot haar mond weer.

6.

In de maanden die volgden op hun eerste kus gingen Emile en Marie regelmatig in de velden wandelen. Daar leerde vooral Emile de ander beter kennen. Marie probeerde wel. Ze stelde veel vragen en kreeg soms antwoorden (Emile Verhaeghen, 22 en In de fabriek, ja), maar even vaak bleef Emile stil. Dan leek zijn frons op zijn gezicht gebeiteld. Zelf had Marie geen enkel probleem om de vele stiltes op te vullen. Ze gaf uit zichzelf antwoord op vragen die waarschijnlijk nooit bij Emile zouden zijn opgekomen (Vijf uur ’s ochtends, Neptunus en Heel, heel misschien wel, maar enkel als er genoeg suiker in zit) en ze praatte. O, ze praatte. Haar school, haar ouders, haar zus, haar kindertijd, het weer, de laatste roddels over mensen die alleen zij kende: alles was een goed gespreksonderwerp. Meestal reageerde Emile niet. Wanneer ze echt bleef aandringen, knikte hij eens. Dat was genoeg. Meer aanmoediging had ze niet nodig om zichzelf ervan te overtuigen dat ze verliefd was.

Haar ouders waren minder gelukkig met haar keuze. Een jongen uit een arbeidersgezin paste niet in hun plannen. Helaas leken ze niet te beseffen dat Marie, in tegenstelling tot haar zus, helemaal niet aantrekkelijk genoeg was om een toekomstige dokter of advocaat te strikken. Toen ze op een keer tijdens het avondeten suggereerde dat ze later graag met Emile wilde trouwen, dreigde haar vader ermee nooit meer tegen haar te spreken. Niet veel later veranderde hij van mening. Zijn dochter bleek namelijk zwanger.

De trouw, die midden in de winter, bijna precies anderhalf jaar na de kermiskus werd gehouden, was sober, de sfeer bedrukt. Marie’s ouders maakten er geen geheim van dat ze vonden dat hun dochter zich in haar ongeluk had gestort. Ze weigerden hun nieuwe schoonzoon of zijn ouders aan te kijken en vertrokken na de plechtigheid meteen naar huis. Van de taart werd niet gegeten.

7.

Dertien over drie. Opnieuw een temperatuur van minstens dertig graden. Deze keer zag en hoorde Marie hem meteen, alsof ze onbewust op hem had zitten te wachten. Tik-wiebel. Tik-wiebel. Ze moest zich inhouden om Emile, die verdiept was in een kruiswoordraadsel, geen por te geven. Alles verliep precies zoals de dag ervoor, alleen merkte ze nu details op die ze toen niet had gezien. De man had zijn snor niet helemaal gelijk bijgeknipt. Op zijn masker ontbraken een aantal pareltjes. Ze wilde Emile vragen of hij dezelfde dingen zag. Ze wilde samen met hem het mysterie proberen op te lossen. De afgelopen vierentwintig uur had ze al een aantal theorieën bedacht. ‘Zonneallergie’, ‘geestesziekte’ en ‘mislukte clown’ waren haar favorieten. Waar ze geen rekening mee gehouden had, was de mogelijkheid dat de man nog eens zou langslopen. Nu zou ze al haar theorieën opnieuw moeten bekijken. Had ze Emile maar om haar te helpen! Tik-wiebel. Terwijl ze de rug van de man nakeek, hoopte ze op een teken van Emile. Een knik met zijn hoofd, zijn hand die verplaatst werd, om het even wat. Hij bewoog niet.

De volgende dag kwam de man terug, net als de dag daarna en die daarna. Tik-wiebel. Tik-wiebel. Elke keer moest Marie meer moeite doen om niet te ontploffen in een eindeloze woordenstroom. Op de zevende dag greep ze de zijkanten van haar stoel vast om te voorkomen dat ze de straat op zou rennen en de man zou tegenhouden. Ze wilde alles weten: zijn naam, leeftijd, woonplaats, beroep, lievelingskleur, huisdieren, wat er verder nog in zijn kleerkast hing, of hij meer een zomer- of een wintermens was, wat hij van haar petunia’s vond. Emile had wellicht nog veel betere ideeën. Ze snapte niet waarom hij ze zo graag voor zich wilde houden. Als deze situatie bleef voortduren, stond ze niet in voor de gevolgen. Afgelopen nacht nog had ze gedroomd dat Emile en zij  zoals altijd voor hun huis zaten. Toen Emile opstond om naar binnen te gaan, had ze hem een duw gegeven, waardoor zijn hoofd tegen de straatrand kwakte. Terwijl bloed over de stenen gutste, bleef zij van uit haar stoel toekijken. Ze werd pas wakker nadat hij helemaal leeggebloed was.

8.

Dag acht. De hitte was voorbij. Het werd dertien over drie, toen veertien over drie. Om vijftien over drie wist Marie met absolute zekerheid dat ze de man nooit meer zou terugzien. Toch bleef ze de rest van de middag koppig naar rechts kijken, alsof ze hem door pure wilskracht tevoorschijn zou kunnen toveren. Ze lette zelfs niet meer op de andere voorbijgangers. Haar breiwerk bleef onaangeroerd op haar schoot liggen.

Om zes uur stond Emile op om naar binnen te gaan. Hij trok zijn hemd recht, nam zijn krant van het tafeltje en draaide zich in de richting van de deur. Op geen enkel moment vertrok zijn gezicht. Marie keek toe hoe zijn rug zich steeds verder van haar verwijderde. Toen knapte er iets. Zonder na te denken opende ze haar mond. De brul, luid en diep als een soort oerkreet, schudde haar hele lichaam door elkaar. Emile versteende. Seconden lang was Maries stem het middelpunt van de Platanenlaan. Het leek een eeuwigheid te duren vooraleer haar schreeuw volledig weggestorven was.

Een paar tellen gebeurde er niets.

Emile zweeg.

Marie zweeg.

Enkele huizen verder begon een hond te blaffen.

Emile zette zich weer in beweging en liep hun huis binnen.

Marie nam haar breiwerk van haar schoot en stond ook op.  

9.

De volgende dag ging Emile na het ontbijt naar buiten en nam hij plaats in de rechtse tuinstoel. Marie wachtte tot hij aan zijn krant begon voordat ze naast hem kwam zitten. De parasol was niet meer nodig. ’s Ochtends kwamen er zestien mensen langs. Marie knikte naar Francine van nummer 12. Ze stelde opgelucht vast dat het vriendje van de dochter van de Dierckxens zijn eerste week overleefd had. Een bende tieners op rolschaatsen reed joelend voorbij. Marie merkte dat ze de dode bloemen uit haar petunia’s moest knippen. Verder gebeurden er geen noemenswaardige dingen. Het was een dag vol stille contemplatie. Marie overtrad geen enkele O.R.


Laureaten poëzie

Schervengeluk

Lisanne Coudron

  

Rood


Een avond met mijn vader 

in het afkoelende gras

we staarden in de verte 

waar het licht aan ’t zinken was

 

Ik vroeg vader, waarom eindigt 

elke dag in tinten rood?

Hij zei in de lucht hangt bloed 

van alweer een stille dood

 

Waar de hemel rozig kleurt en 

de zon haar bed opmaakt 

sterven afgeschreven plannen 

tot de maan weldra ontwaakt

 

Onder toezicht van de sterren 

stijgt zij op boven de bomen en

begraaft op elke straathoek 

deze onvervulde dromen

 


Gedreven

 

Een eenzaat zeilt

de zilte weg ontbonden 

in losse gedachten

 

en weet ik kom er ooit 

geschonden weliswaar 

maar wachten heeft 

geen zin denkt hij op

 

’t ritme van de golfslag 

zijn stille reisgezel

 

Hij komt vandaan en 

vaart naartoe begeleid 

door d’eeuwige deining

 een visioen waait op 

strijkt neer meandert

 

door gestrande mijmeringen 

vindt rust in open zee

 

Maar ’t woelige water 

brengt wolken mee 

hult eenieder in 

stilzwijgen en als lijken 

bovendrijven bijt

 

het schip in ’t stof 

maar wordt alsnog 

verzwolgen als gevolg 

van de getijden

 


Verloren

 

Tijd ontrafelde het 

vlechtwerk van haar 

herinneringen en tikt nu 

weg als nooit tevoren

 

Haar geest bewandelt 

vreemde paden verdwaalt 

in dag en leven ik vraag me 

af of ze zou horen

 

wat ik zeg of worstelt ze 

met woorden net als wij 

met onze dromen in de 

strijd reeds lang verloren?

 

Men zegt tijd strijkt

plooien glad maar ik 

weet ondertussen beter: 

hier kerft hij diepe voren


Semikubus

Jens Meijen

 

[Terzijde: lees dit wanneer de wolken snel voor de zon en weer weg schuiven. Tegelijk zet u het best een muziekje op, zoals bijvoorbeeld ‘Rhubarb’ van Aphex Twin.]

 

I. Warmte

Mantra’s na de middag

Ik zal een handleiding schrijven, zeg ik, over hoe mensen kunnen samenvallen. Zoals evenwijdigen bijvoorbeeld. Of oorkaarsen.

We staan aan de brug en het sneeuwt. Verderop wandelen twee mensen. Kijk, wijs ik, handenhoudend kan het dus ook.

Je zegt zacht: De sneeuw slorpt geluid op. Daarom is het zo stil.

We kunnen twee vlokken spelen en toevallig op elkaar landen.

Je zegt zacht: Daarvoor moeten we smelten.

En vervolgens verdampen.

Zo gaat dat.

Je zegt zacht: Verdampen, ja. Mijn oom is daaraan gestorven, geloof ik.

Koffie en Kerstavond

We zitten in Alba Lori Fa. Voorbij de brug.

Onze handen zijn pluizig warm.

De koffie verdampt en het chocolaatje smelt.

Je zegt zacht: Als je het echt wil, kan ik koffie zijn. En jij dan een chocolaatje. (Dat komt ook in de handleiding.)

We leggen onze handen op tafel. Zo zitten we tot diep in de avond. Het haardvuur brandt.

Ik ruik sterrenvuur en speculaas. Er komen erg veel mensen binnen.

Ik ruik Tsjechov en Rushdie en Brusselmans en

de remake van Godzilla op de adem van de mensen en het is goed zo.

Ik ruik zwaartekracht en glühwein.

Waarin met de maan …

Het raam staat open. Vannacht zal het ook binnen sneeuwen.

We fluisteren naar elkaar zoals twee koffiemokken.

De cappuccino: Het is altijd het leukst om nét genoeg te sterven. Een klein beetje smelten.

Een klein beetje verdampen.

De espresso: Het is even leuk om nét genoeg te leven.

Plots het chocolaatje: En daartussen ligt het elegante vallen –

Hoorde je dat? Ik spring op. De maan is groot uit het raam;

– sneeuwvlokken landen in mijn ogen en smelten.

De maan duwt zich tegen mijn neus aan – we ruiken Gouda en klamme handen – en de maan zegt: Daartussen ligt ook het roken van Egyptische sigaretten.

We drukken onze lauwe lichamen de hele nacht tegen elkaar aan zoals de maan ons zei.

En iemand fluistert: Laten we vertrekken;

laten we wandelen in de sneeuw;

laten we koffie drinken en chocolaatjes eten;

laten we rennen / springen / duiken in elkaar als zwembaden en in de zon verdampen; laten we oorkaarsen kopen en tafels en stoelen en misschien zelfs een dier;

laten we Atlantisch samenzijn; laten we ongebreideld wildgroeien;

laten we al die dingen vergeten en weer weten wanneer we later zullen lezen

over mensen die samenvallen.


II. Grondbeginselen

 

Wij zijn slechte metaforen.

Zoals de aanwezigheid van voeten aan benen.

Zoals moedervlekken geturfd op de keukenmuur.

Zoals schelpen op het strand.

Gevoel: op zondagnamiddag sluimeren voor de televisie.

Daarop: veldrijden / The Gods Must Be Crazy / MacGyver.

Wij zijn zoals staartbeentjes.

Zoals duimen.

Zoals dieptezicht.


[Bij het veldrijden: mensen in geel-met-blauwe regenjassen kijken omhoog met bier in hun handen; de zon breekt door de wolken en de mensen knijpen hun ogen dicht; hun voeten zakken in zachte vulkaangrond. Hun botten buigen zich rond hun vlees.]

 

Gevoel: ’s nachts in de auto, de ogen openhouden door met een vinger over het raam de sterren te volgen. Zij groeien in trosjes.

mijn broer zegt dat sterren niet groeien, en dat ze onvoorstelbaar ver van elkaar af staan

Wij zitten en eten frangipanes in de zon. Wij gebruiken nodeloos mooie woorden. De abrikozen zijn gesmolten en plakken

aan de daken van de monden.

Wij lezen in de kranten over zaken die ons aanbelangen.

vluchtende mensen, zwangere panda’s, walvissen die met grote zielen door de zee glijden

Wij luisteren naar muziek over dames en heren die we kennen.

De wereld is maar plat ja

Op je bolle bips na

Golflengte afstand

Van je hemellichaam

Wij zijn slechte metaforen en bolle axioma’s –


[Axioma’s zijn grondbeginselen. Zaken die nergens uit afgeleid zijn. Zaken waaruit alles afgeleid kan worden. Je vindt ze ergens waar de de zon breekt en de grond begint. Daar waar bot zich om vlees buigt.]

En daarbij nog iets onbenoembaars dat we steeds weer terugvinden:

in de neusgaten van een beluga, in het midden van een poedersuikerdonut waar je vinger op de ruit het zicht verspert

aan de kant waar je duimen niet kunnen buigen

in de spaken van wielen bij het veldrijden in modderige voetafdrukken

in de ruimte tussen sterren in de auto in de spleten tussen vingers

wanneer je je handen voor je ogen houdt.


III. Het leven van Marino, zoals hij ooit was en altijd zal zijn

 

en het tapijt rood en Perzisch en de bloemen op het porselein en de foto met Eddy Wally op de kasten en het roeren in een vloeistof en een opgevoerde brommer buiten en een blauwe vogel in de bomen die we niet kunnen zien maar vooral het tapijt zo rood en Perzisch en dan ook nog eens de wierook.

Stilte.

Een encyclopedie.

Daar.

Op tafel.

Tussen de kopjes en de doekjes en de koffie en de koekjes. Ik lees:

U.

a) Geparfumeerd met koffiebonen; b) Goed begrepen; c) Oneindig; d) Getatoeëerd op de botten van een okapi; e) Spelend met iriserende oorschelpen; f) Verscholen in een boeket; g) Bestaand; h) Kijkend tussen de vingers bij verstoppertje; i) Kijkend door het raam vanuit de sneeuw; j) Ander.

Stilte.

Boven het porselein dat zich vult met gesprekken over jou en mij en anderen; met een paar halfbegrepen woorden die leuker zijn dan wel begrepen woorden;

met een paar niet afgemaakte zinnen die leuker zijn dan wel afgemaakte zinnen.

Stilte. Het geluid van kleine lepels. Het blikkeren en cirkelen om elkaar heen.

Het kraken van grote bomen.

Het porselein dat zich vult met gedachten.

Zoals: een oceaan bestaat uit heel veel druppels. Sequoia’s zijn zo groot als voetbalvelden lang zijn.

Er bestaat kinetisch zand. De zandkastelen die je daarmee bouwt, storten niet in. De kobaltblauwe krabjes die erin leven

hebben voor altijd een huis.

Stilte.

Ik bijt een stukje van een muffin en rol het met mijn tong tot een bolletje. Zoals: dat doen we ook met het universum.

Stilte. Vervolgens: Het geluid van niet kauwen; van het met de tong drukken op deeg zodat het week wordt.

Gedachten zoals: stilte eindigt nooit, zij wordt enkel onderbroken. Dat zegt men toch.

Stilte. We houden contact via Facebook. Beloofd. Soms ook via e-mail.


Pannenkoeken voor zes personen

Marte de Jong 

 

De pony’s haren staan naar de takken – de wind is erin gaan zitten,

haren zonder woelende vingers.

Lome heuvels strekken zich zo ver mogelijk

uit, wolken wijken niet. Ik kwam eens bij een pad waar al een rivier liep.

Ergens staat een grote steen

rechtop – net als verderop. Maatstrepen waartussen rust duurt.

 


ik ben er niet nodig

 

 

Een man loopt me tegemoet;

op zijn arm zijn zoon, de andere hand om het nekvel van een toch vrij

forse hond. Hangend als een dode haas

maar dan geduldig. Dit gebied leeft

te lang om zijn beweging nog te zien gebeuren. Het drietal beweegt zich erdoor, rondom hen

verspreiden jaarringen zich als om een gevallen druppel.

Zo houden ze van elkaar

terwijl ze grijs uit de koplampen vallen.


 

ik leef niet lang genoeg om sporen achter te laten taal verandert te snel om het terug te lezen


 

Eerst was de leegte massief, een eerder moment waar

ik niets meer aan kan veranderen.

Langzaam zak ik erin

en slijt ik door wind en regen en wind. Het begint te werken aan hetzelfde, een ademhaling.

Een hond, zijn nekvel in een hand

– ik trek mijn poten op en

verbaas me over het nieuwe perspectief.

 

 

 

Zo hielden we van elkaar

 

Hij omdat zijn als omarmen was Ik omdat ik er niet nodig was