Huilen met Huff en Hofstede

Auteur: Sven Vitse
Bregje Hofstede, De herontdekking van het lichaam, Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 2016.
Philip Huff, Het verdriet van anderen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2015.

 

Af en toe glipt er een door de mazen van het net: een student die enigszins verbaasd met een nipte voldoende naar buiten wandelt. Die na een ingewikkeld sociaal proces van ongeveer vijftien minuten het spreekwoordelijke, soms ook wel eufemistische voordeel van de twijfel krijgt. Ik kan er me slecht over voelen, die geflatteerde voldoende, omdat de overwegingen die ertoe leiden doorgaans, strikt genomen, oneigenlijk zijn. Zijn tegenhanger, de onheuse onvoldoende, overkomt me bij een mondeling zelden of nooit. Die krampachtige menselijkheid die me te streng, te categoriaal, te formeel doet oordelen – die ontmoet ik alleen wanneer ik teksten lees.

Aan banden van het gezonde verstand geleid, bewijst die kramp me diensten bij redactie, begeleiding, kritiek. Maar af en toe raakt er een verstrikt in het net, een tekst die vervolgens in mijn hoofd gaat zeuren. Drie gevallen in 2015, verspreid over twee artikelen: Boek van de doden (Philip Huff) en De consequenties (Niña Weijers) in DW B, De hemel boven Parijs (Bregje Hofstede) in De witte raaf. De drie boeken ging ik ideologiekritisch lezen, cultuurhistorisch duiden (ouderwetse tijdgeestkritiek, hoorde ik een keer fluisteren), en na afloop voelde ik mijn polsen tintelen, niet zozeer van overbelasting maar van die kramp die ik eerder noemde.

Was het die kramp die me ertoe verleidde Weijers’ hoofdpersonage op twee verschillende manieren een verkeerde naam te geven? (Dat noemt men, geloof ik, een symptoom.) Zeker bande de drang om Hofstede ideologiekritisch op de vingers te tikken een cruciaal motief in haar debuutroman – de verbeelding – en enkele scènes die me tijdens het lezen dierbaar waren naar de marges van mijn blikveld. En wie weet was er bij Huff ook wel wat. Maar evenzeer als de boeken deed ik mezelf tekort, als lezer. Wat de kritiek me opleverde, was een concretisering van wat ik in mijn maatschappelijke paranoia had verwacht te vinden. Wat in de kritiek verloren ging, was de verbinding met het boek, het plezier, het comfort, de steun die het boek me tijdens het lezen had gegeven. Al die oneigenlijke factoren die mensen doen lezen en die de literatuurwetenschap in cadeauverpakking aan de commercie heeft overgedragen.

Dat gezeur in mijn hoofd heeft een enigszins gênant staartje: ik denk dat ik iets wil herstellen. Het toeval wil dat twee van de genoemde auteurs onlangs een boek over herstel hebben gepubliceerd. Bregje Hofstede bundelde de essays die ze schreef naar aanleiding van haar burn-out in De herontdekking van het lichaam (2016). Ze combineert in deze bundel een persoonlijke getuigenis met cultuurkritische beschouwingen over de samenleving waarin deze aandoening floreert. De uitwaaierende reflecties over de verhouding tussen lichaam en geest – van Descartes, over Thoreau, tot Metaphors We Live By van Lakoff en Johnson – lijken hun focus pas echt te vinden in het krachtige, genderkritische slotessay. Philip Huff wijdde een reeks essays aan de auteurs die hij (her)las terwijl hij herstelde van een ingrijpende operatie. In Het verdriet van anderen (2015) integreert hij dit persoonlijke verhaal in opstellen over de boeken die hem in deze periode vergezelden, veelal canonieke werken van onder meer Ernest Hemingway, George Orwell, Sylvia Plath en Virginia Woolf.

 

*

 

Ongeveer een jaar geleden werd ik uitgenodigd om het proefschrift van Hans Demeyer te beoordelen, een studie van lichamelijkheid en affect in het Nederlandstalige proza van de jaren 1960. Een van de eye-openers voor mij in dat proefschrift was het begrip reparative reading, geïntroduceerd door Eve Kosofsky Sedgwick in haar boek Touching feeling uit 2003. In tegenstelling tot de ‘paranoïde’ lezer heeft de ‘herstellende’ lezer niet de drang om de tekst als bedrog te ontmaskeren of in een ideologiekritisch houdgreep te omklemmen. De herstellende lezer aanvaardt de tekst in al zijn onvolmaaktheid en tracht er voeding en zorg aan te ontlenen. ‘What we can best learn from such [reparative] practices are, perhaps, the many ways selves and communities succeed in extracting sustenance from the objects of a culture’.

Het concept reparation ontleende Kosofsky aan de psychoanalytische theorie van Melanie Klein, waarin het nauw gerelateerd is aan depressie en rouw. Volgens Klein ontwikkelt het subject een innerlijke wereld, opgebouwd uit onbewuste voorstellingen, gekleurd door verlangens en fantasieën, van mensen, objecten en situaties uit de buitenwereld. Vanaf de vroegste kindertijd raakt deze innerlijke wereld gespleten: uit de ‘goede’ objecten put het subject steun, vertrouwen en zorg, maar door de ‘slechte’ objecten voelt het zich belaagd en achtervolgd. Aangezien deze splitsing de objecten zelf treft, ervaart het subject ‘goede’ en ‘slechte’ deelobjecten. De vroegste ervaring van de deel-objecten is de relatie van de zuigeling tot de moederborst, die uiteenvalt in een ‘goede’ en een ‘slechte’ borst.

Gespletenheid lijkt kenmerkend voor de relatie tot het lichaam die Bregje Hofstede beschrijft in haar essays over de burn-out. Nog voor de puberteit scheidt het ‘goede’ lichaam, dat zich wegcijfert ten voordele van het hoofd, zich af van het ‘slechte’ lichaam, dat aandacht vraagt voor zichzelf. ‘Het werd nooit uitgesproken, maar ik begreep dat ik moest kiezen tussen books en looks. Ik voelde mij beter geëquipeerd voor boeken.’ Het ‘slechte’ lichaam werd vervolgens ‘tiranniek (…) mishandeld’ – gedisciplineerd en genegeerd – tot het ‘wraak nam door niet langer te gehoorzamen’.

De tirannieke behandeling van het lichaam lijkt verwant aan wat Klein het paranoïde verdedigingsmechanisme noemt, gericht op de beheersing en uiteindelijk vernietiging van het ‘slechte’ object waardoor het subject zich bedreigd voelt. Naast dit paranoïde mechanisme onderscheidt Klein een manisch afweersysteem, waarbij de ervaring van triomf over het ‘slechte’ object de grootheidswaan van het subject voedt. Tijdens het herstelproces dat Hofstede beschrijft, komen dergelijke paranoïde en manische momenten geregeld terug, zij het in de vermomming van een gezonde relatie tot het lichaam. Hofstede laat overtuigend zien hoe snel het therapeutische luisteren naar het lichaam omslaat in een obsessieve zelfmonitoring en voedselcultus die het lichaam aan een verhevigde panoptische controle onderwerpen. Fraai geformuleerd: ‘Ik was René Descartes in een yogalegging, lekker mindful aan het overwerken.’ De hipsterlevensstijl, zo suggereert Hofstede, is niet alleen compatibel met de burn-out, ze lijkt er zelfs voor bedacht, om hem te accommoderen en te faciliteren. Sterker nog, de combinatie van beide lijkt voor de mindful overwerkende Descartes een bron van trots.

De angst om de ‘goede’, geliefde objecten te verliezen leidt volgens Klein tot depressie, een situatie die vergelijkbaar is met rouw, waarbij het subject een geliefd object (persoon) verliest door overlijden. Het is echter tevens deze depressieve positie die de vereniging van ‘goede’ en ‘slechte’ deelobjecten mogelijk maakt, die het object herstelt, en het subject vooruithelpt in zijn ontwikkeling. In de woorden van Kosofsky: de ‘reparative impulse (…) wants to assemble and confer plenitude on an object that will then have resources to offer to an inchoate self’. De paranoïde positie, daarentegen, focust volgens Kosofsky op de beheersing van het ‘slechte’ deelobject en stelt zich vóór alles tegen de verwachte negatieve effecten daarvan teweer. Deze paranoïde focus leidt tot zinvolle en noodzakelijke kritische inzichten maar verhindert een affectieve relatie met het object, bijvoorbeeld met de tekst waaruit de lezer put om zichzelf in stand te houden.

Een zin uit het artikel van Melanie Klein, ‘Mourning and its relation to manic-depressive states’, dat ik hierboven parafraseerde: ‘Through tears (…) the mourner not only expresses his feelings and thus eases tension, but also expels his 'bad' feelings and his 'bad' objects, and this adds to the relief obtained through crying.’ Dit huilen is herstellend, omdat het de kramp lost die het subject gefixeerd houdt op het ‘slechte’ object en de verbinding met het ‘goede’ object verhindert. Het huilen van de rouwende en van de depressieve, aldus Klein, luidt de omkering van haat in liefde in, neemt de angst en het schuldgevoel weg dat de haat jegens het ‘slechte’ object met zich meebrengt, en geeft ruimte om het object te laten ‘helen’ – het in zijn onvolmaaktheid te omarmen, het te herstellen en het toe te laten jezelf te herstellen.

Dit huilen heb ik ontdekt toen ik zelf herstelde, van depressie, anderhalf jaar geleden ongeveer. Het was een herstellend huilen, niet als gevolg maar als heling van een wonde. Sindsdien durf ik uitdrukkingen als ‘compassie met jezelf’ in het openbaar te gebruiken en schaam ik me niet meer voor mijn eigen ontroering. En kan ik het wel hebben als de tranen van de essayist nog niet helemaal droog zijn.

Natuurlijk zijn er gradaties van onbedaarlijkheid. Philip Huff huilt omstandig wanneer hij in het ziekenhuis de film Into the Wild bekijkt. Hij huilt om de problematische relatie met zijn ouders maar bovenal omdat hij zich identificeert met Christopher McCandless, op wiens levensverhaal de film (en het verfilmde boek) is gebaseerd.

Ik huilde vooral omdat McCandless de moed had gehad zijn eigen verhaal te zoeken, en ik huilde om de tijd, de liefde en aandacht die Jon Krakauer en Sean Penn in het vertellen van dat verhaal hadden gestopt, in een poging zijn dood minder zinloos te maken door zijn verhaal onderdeel van andere verhalen te laten zijn.

In deze huilbui zijn verdriet en hoop met elkaar vervlochten: verdriet om het onherstelbare verlies dat achter je ligt, maar hoop als een blik op de toekomst die niet anticipeert op nieuw verdriet. Huff formuleert deze hoop als het geloof ‘een ander verhaal’ te kunnen vertellen ‘dan je is meegegeven, en jezelf te vinden’.

De tranen van Hofstede zijn subtieler, ze komen aan het einde van een essay waarin ze haar pasgeboren neefje toespreekt. Haar apostrofe is een rouwmonoloog, waarin ze getuigt van verlies, in het bijzonder het verlies van het eigen lichaam als een vanzelfsprekend onderdeel van jezelf. Het verlies beschrijft ze aan haar neefje als een boedelscheiding, een wederzijdse uithuiszetting waarbij je niet langer welkom bent in het huis dat je uit jezelf verdreven hebt. ‘Op een bepaald moment zul je jouw huis zien alsof het een huis van een ander is.’

Maar meer nog dan van een afscheid is dit het verslag van een terugkeer, die gepaard gaat met de aanvaarding van het verlies. ‘Wanneer ik nu thuiskom, is het als gast.’ De verbondenheid met het eigen lichaam is geen gegeven maar een gebeurtenis, en wordt daardoor des te intenser ervaren. Bijvoorbeeld door het lichamelijke contact met een kind dat deze rouw nog niet kent en haar dus evenmin ontkent. ‘Ik kijk hoe je smakt en fronst in je slaap, en moet ervan huilen.’ Dit is, stel ik me voor, een herstellend huilen, dat het verlies erkent maar dit niet langer dwangmatig wil herbeleven. 

 

*

 

‘Toen ik me verdiepte in de burn-out, vielen me twee dingen op’, schrijft Hofstede onder het kopje ‘Wat is de burn-out’. De eerste constatering vind ik de meest interessante: ‘dat het een collectieve trend is die meestal wordt bestreden met individuele oplossingen’. Hofstede raakt hier aan een beproefd neoliberaal mechanisme: problemen met maatschappelijke oorzaken worden gedepolitiseerd tot persoonlijke risico’s en verantwoordelijkheden. Tot een consequente kritiek van het neoliberalisme komt het niet in De herontdekking van het lichaam, maar Hofstedes poging de burn-out te contextualiseren is een van de charmes van het boek. Dat een relevante context niet meteen gevonden wordt – dat de contexten onophoudelijk als een accordeon lijken te verbreden en te versmallen, van ‘mijn generatie’ tot de hele westerse filosofie – is wellicht kenschetsend voor een cultuur zonder grote verhalen. Niettemin lijken deze contexten hier en daar de aandacht van het individu af te leiden – de persoon, niet de ziekte, is immers voor mij de reden om het boek te lezen.

Niets is zo fascinerend en ontroerend aan egodocumenten als de afweermechanismen die erin zichtbaar worden, omdat die de persoon soms genuanceerder tonen dan het getuigenis zelf. Heel opvallend is de opening van het essay ‘Blauwe knieën’, waarin Hofstede de anorexiapositie toeschrijft aan een vriendin die ‘lijnen’ als ‘fanatiekste hobby’ beoefent en door Hofstede van ‘de hongerklop’ gered moet worden. Haar ideaal-ik heeft de vriendin als ‘poster van een slanke, blonde, gebronsde surfster’ op ‘haar kamerdeur’ hangen. De essayist countert in de volgende paragraaf met het alternatieve ideaal-ik dat haar van kindsbeen af dwingend aankeek: ‘het portret van een kortharige jonge vrouw die met geheven kin in de lens keek: “Studeren, niet alleen voor heren”’.

Beide ideaalbeelden spiegelen elkaar nadrukkelijk als destructieve fixaties op hetzij het lichaam, hetzij de geest. Hofstedes opmerking dat haar ‘mentale boulimia (…) even ziekelijk is als de fysieke variant van mijn vriendin’ suggereert een symmetrische, gelijkwaardige verhouding, en toch zou ik me niet graag zoals de vriendin gemanoeuvreerd zien in de positie van ‘de Jonge-Vrouw (…) een “lichaam zonder geest”, een “façadiste” wier identiteit niet haarzelf toebehoort, maar wordt gedicteerd door media en magazines’. Nee, dan lijkt de pathologie die je hand in een Brussels antiquariaat gedachteloos naar een boek van Sartre doet afdwalen me net iets prestigieuzer – alsof er een culturele hiërarchie in ziektebeelden moet worden aangebracht.

‘Ik heb altijd al iemand willen zijn die filosofen las’, schrijft Hofstede, waarna een beknopte uiteenzetting van Sartres existentialisme volgt die niet lijkt te stralen van schaamrood. Er schuilt iets kokets in deze retorische beweging, evenals in Hofstedes anekdote dat ze als kind ‘voor de vaardigheid “teleurstellingen verwerken” [ondermaats] scoorde’. Een zorgvuldig afgewogen systeem van checks and balances rammelt en klingelt in de achtergrond van dit essay en maakt het via een subtiele omweg aangrijpend: zo veel moeite kost het blijkbaar om met de ervaring van burn-out naar buiten te komen, zo hard voelt het wellicht als het bekennen van een nederlaag, dat de inzinking toch half en half als een overwinning van de geest gevierd wordt en haar vruchten als de spoils of war geëtaleerd. Het ‘lijf’ van de essayiste ‘gelooft niet langer in het dualisme’, maar haar geest duidelijk wel, en in die spanning toont zich de nijpende greep van het conflict.

Een soortgelijke verschuiving als in ‘Blauwe knieën’ valt me op in  ‘Wat er met je hoofd gebeurt als je je lichaam vergeet’: de retorische beweging hier is niet van ‘ik’ naar ‘mijn vriendin’ maar van ‘ik’ naar ‘wij’ of ‘je’. Haar verhouding tot haar lichaam in de periode vóór de burn-out formuleert Hofstede in een ambigue erlebte rede: ‘Ik zat niet slecht in mijn vel.’ Hiermee heeft de auteur niet gezegd dat ze destijds goed in haar vel zat, maar evenmin dat dit niet zo was (dat ze zich dat destijds enkel voorhield). Dezelfde ambiguïteit zit in de vervolgopmerking: ‘Voor mij was het een keuze tussen Proust en proteïneshakes. Dan wist ik het wel.’ De afstand die de auteur hiermee neemt (of niet neemt) van haar vroegere, met Proust koketterende zelve, is nauwelijks te peilen.

Hoe anders klinkt de openingszin van de volgende paragraaf: ‘Ook nieuw is de mate waarin we ontevreden zijn over ons lichaam.’ Enkele statistieken worden gevolgd door getuigenissen uit een wetenschappelijke studie naar anorexia, waarna Hofstede zich via een retorische omweg opnieuw in het verhaal schrijft: ‘Natuurlijk is er tussen slecht in je vel zitten en graag in je hoofd leven geen eenvoudig verband.’ De omweg is dubbel: enerzijds wordt ‘ik’ veralgemeend tot ‘je’; anderzijds wordt het verband tussen het syndroom dat aan het ‘ik’ wordt toegeschreven (het lichaam negeren ten voordele van het hoofd) en de ziekte van ‘we’ (‘onbehagen over ons lichaam’) ter discussie gesteld. Alsof ‘ik’ vooral niet wil lijden aan datgene waaraan ‘we’ zo massaal blijken te lijden. In de volgende paragraaf is het spook van ‘onze ontevredenheid’ verdreven: ‘Mijn eigen verhouding tot mijn lichaam beperkte zich tot desinteresse en een milde minachting.’     

Behalve in de verschuiving – van lichaam naar geest, van ik naar wij – proef ik afweer in de extrapolatie – van het persoonlijke naar het algemene. Het verhaal over de eigen burn-out moet vaak, en haastig, wijken voor abstracte beschouwingen over het dualisme tussen lichaam en geest in de westerse cultuur. De ervaring van het geblokkeerde lichaam wordt veralgemeend tot de ‘centrale aanname in de westerse filosofische traditie’, die vervolgens met theorieën ontleend aan diezelfde traditie wordt bestreden. De schaal van de contextualisering varieert nogal – van ‘mijn generatie’ en ‘onze tijd’ tot het westerse denken – maar een constante lijkt het verlangen het particuliere van de eigen situatie te ontstijgen en in de anonimiteit van een (veel) breder kader te doen opgaan. Tegelijk schuilt in die anonimiteit een zekere grootsheid: wat mij overkomt, gaat minstens terug tot Plato.

Met deze opmerking wil ik allerminst suggereren dat de particuliere situatie losgekoppeld kan worden van deze maatschappelijke en culturele contexten. Wel denk ik dat een belangrijke cirkel in deze concentrische uitdijing van contexten subtiel buiten beeld blijft, namelijk de meest nabije persoonlijke, familiale, sociaaleconomische situatie. Dat haar moeder make-up denigrerend ‘verf’ noemt en de essayist op een kritiek moment, na een oproep van ‘een onbekend nummer’, haar vader belt, licht weliswaar een tipje van de sluier. Maar als persoonlijk getuigenis is De herontdekking van het lichaam net niet persoonlijk genoeg om echt inzichtelijk te zijn.

 

*

 

Wie goed kan schrijven, komt met veel weg, maar ondanks haar bijzondere stilistische finesse klinkt Hofstede in De herontdekking van het lichaam af en toe banaal. Niet toevallig wellicht is dit het geval aan het einde van ‘De muze slentert’, waarin ze de relevante context voor de burn-out zoekt in ‘mijn generatie’. De eerste persoon meervoud creëert in deze passage een homologie tussen het ik en al haar leeftijdsgenoten en is daardoor zowel specifiek (een generatie) als veralgemenend (want wellicht treft dit syndroom niet de hele generatie op dezelfde manier). Over deze generatie meldt Hofstede: ‘Het is zeldzaam om iemand te zien nadenken over wat echt bij hem of haar past.’ En: ‘leidt een bezigheid niet tot likes, dan houden we niet van deze bezigheid’. Alsof de focus op de eigen generatie onvermijdelijk gepaard gaat met gemeenplaatsen.

Nergens klinkt Hofstede in haar bundel bovendien meer inwisselbaar met Philip Huff. De gemeenplaats in het eerste citaat is de rode draad in Het verdriet van anderen; Huff formuleert haar het meest expliciet in een beschouwing over John McGahern: ‘die enige, echte queeste in een mensenleven’, aldus Huff, is ‘niet worden wat je ouders willen dat je wordt, of wat de maatschappij van je verwacht, maar worden wat je zelf wilt worden, worden wie je werkelijk bent’. Het werk van McGahern toont Huff ‘hoeveel het waard is om je eigen waarheden te ontdekken en daarvoor te strijden’.

Met een verwijzing naar de Amerikaanse filosoof Richard Rorty geeft Huff deze kalenderwijsheid de allure van postmoderne filosofie. Literatuur, zo stelt hij in verscheidene essays, problematiseert wat Rorty het ‘eindvocabulaire’ noemt, ‘de woorden waarmee een wereldbeeld is opgebouwd’. Dezelfde visie verwoordt Huff bijvoorbeeld in zijn essay over Jennifer Egan: ‘Wie leest, kijkt naar het eindvocabulaire en het eindverhaal dat hij heeft aangenomen om naar de wereld te kijken’. Doordat de schrijver ‘deze verhalen die mensen zichzelf vertellen’ problematiseert, stelt hij de lezer in staat ‘zijn onbewuste wereldbeeld (…) te onderzoeken’. In een essay over Sylvia Plath noemt Huff de ‘goede lezer’ dan ook, ‘in de terminologie van Rorty, een ironicus’, dat wil zeggen iemand die door de confrontatie met alternatieve wereldbeelden het eigen eindvocabulaire ter discussie is gaan stellen.

De ironie van het Het verdriet van anderen bestaat erin dat Huff niettemin in alle boeken die hij bespreekt een gave weerspiegeling van zijn eigen wereldbeeld aantreft. Uit Mrs Dalloway van Virginia Woolf distilleert hij deze ‘slotboodschap’: ‘elke levensloop is de uitkomst van een ingewikkeld complex van factoren – van geboorteplaats, klasse, geslacht, uiterlijk en intelligentieniveau tot toeval en geluk in het dagelijks leven.’ Laat dit nu net de visie zijn die Huff ook in andere essays verkondigt. Bijvoorbeeld in dat over Hemingway: ‘wat “men” doet is vaak heel beperkt: het is verbonden aan een dorp, of een stad of een land – een culturele omgeving – en vaak ook aan de tijd, aan of iemand man of vrouw is en aan de opleiding’.

De volledigheid die Huff betracht in zijn opsomming van sociologische parameters maakt dit wereldbeeld even onweerlegbaar als nietszeggend. Aangezien Huff in het midden laat in hoeverre deze sociologische verschillen conflictueus zijn en hoe deze conflicten zich tot elkaar verhouden, overstijgt zijn wereldbeeld de nulgraad van politiek ternauwernood. Het is fascinerend om de essayist in zijn lectuur van Woolf danig verstrikt te zien raken in deze politieke knoop. Ogenschijnlijk instemmend parafraseert hij Susan Sontags kritische analyse van Woolfs pacifistische essay Three Guineas, waarin Woolf op basis van de afkeer voor oorlogsgeweld een ‘wij’, een communis opinio, zou construeren. Volgens Sontag is deze ‘wij’ slechts ‘een periodegebonden, Brits upperclass (voor)oordeel dat twee mensen uit die klasse al deelden (…) en dat het dus gaat om een veel kleiner “wij” dan de schrijfster veronderstelt’. Uit zijn eigen lectuur van Mrs Dalloway concludeert Huff vervolgens het tegendeel: ‘doordat Woolf meerdere “ik”-perspectieven gebruikt’ vormen ‘alle “ikken” tezamen (…) één “wij”’.

Enige circulariteit is Huffs beschouwingen niet vreemd, want zijn interpretatie is doorgaans een nauwelijks verhulde herformulering van zijn poëticale uitgangspunt. ‘Als de mens leest (…) leert hij een andere “ik” kennen, een volgende “ik”, een “ik” die tot een sterk verbonden “wij” kan leiden.’ Dat “wij” ontstaat door een proces van identificatie dat Huff beschrijft als een versmelting van visies en wereldbeelden, die van de lezer met die van het personage of de auteur. Deze identificatie lijkt op een introjectie, waarbij de ander opgenomen wordt in de innerlijke wereld van de lezer en de ‘andere “ikken” (…) allemaal onderdeel [worden] van zijn eigen “ik”’. In zijn essay over Sylvia Plath benadrukt Huff dat deze introjectie geen toe-eigening van de ander mag zijn, geen gelijkschakeling aan het eigen wereldbeeld. De lezer maakt veeleer plaats voor de ander in zichzelf en geeft ‘tijdelijk iets weg (…) van het eigen zelf’ om ‘in de ander op te gaan’.

Hoe dat opgaan in de ander in zijn werk gaat, demonstreert Huff in een narratief, autobiografisch intermezzo over zijn bezoek aan een vriendin in Nieuw-Zeeland. Wanneer de broer van die vriendin hem zegt dat hij in Nieuw-Zeeland zou kunnen wonen, weet Huff meteen dat zijn gesprekspartner niet meent wat hij zegt. Dat vraagt hij de broer echter niet, want ‘woorden [kunnen] dingen soms minder duidelijk maken dan stilte’ – en wat is er fijner dan het in stilte eens zijn met de ander over het tegendeel van wat die ander net heeft gezegd? De vanzelfsprekendheid waarmee dit ‘ik’ de woorden van de ander omkeert om ze in overeenstemming te brengen met zijn eigen visie, laat zien hoe dun de grens tussen inleving en toe-eigening kan zijn. Deze passage overschaduwt dan ook het slot van het essay over The Bell Jar, waarin Huff het ‘ik’ van protagonist Esther Greenwood incorporeert in een ‘wij’. ‘Het gaat haar niet om wat wij bereiken, maar om de manier waarop wij strijden’. Dat ‘wij’ vervaagt in de volgende zin zelfs tot een onpersoonlijk, schijnbaar universeel ‘het is’: ‘Het hooghartigst is het om het lastige van deze situatie te ontkennen.’

Hoewel Huff herhaaldelijk aangeeft dat identificatie en inleving altijd ook toe-eigening impliceren – ‘inpassing in je wereldbeeld dus’ – grossiert hij in formuleringen die deze inleving als vanzelfsprekend voorstellen. Een halve eeuw na publicatie ‘verplaatst hij [de lezer] zich nog steeds moeiteloos in de gedachten van Esther’; diezelfde lezer ‘kan niet anders dan een verbinding aangaan met dit verdriet’; The Bell Jar maakt ‘begrijpelijk’ dat een leven ‘eindigt met een hoofd in de gasoven’ en dat dit ‘eventueel zelfs in je eigen leven’ kan gebeuren. Die vanzelfsprekendheid kan sympathiek ogen maar is evengoed aanstootgevend omdat Huff op geen enkel moment zijn eigen positie ter discussie stelt wanneer hij als jonge man in 2015 pretendeert de positie van een jonge vrouw in de jaren 1950 ‘moeiteloos’ te kunnen begrijpen.    

 

*

 

Onlangs noemde een student me met de glimlach de belichaming van het kwaad. Het was een genoeglijk gesprek, een aftandse koffieautomaat amicaal snorrend en kuchend in de achtergrond, en ik troost me met de gedachte dat de opmerking veeleer mijn professie dan mijn persoon betrof. Toch is het even confronterend als verfrissend om op tegenstrijdige belangen gewezen te worden. Laten we vooral niet doen alsof we allen aan dezelfde kant staan, want de erkenning van het conflict is de basis voor een constructief gesprek. De vanzelfsprekende aanname van begrip en inleving in de poëtica van Huff vind ik in dit licht bezien wat verdacht. Wat je van studenten al niet leren kunt.  

Zijn Hofstedes beschouwingen over het lichaam zinvol te vergelijken met die van Huff? De retorische overeenkomsten suggereren een verwante visie op het lichaam. ‘Een gezond lichaam voel je doorgaans niet’, aldus Hofstede. ‘Wat ongezond is, trekt de aandacht.’ Huffs formulering is nagenoeg identiek: ‘We voelen ons gezonde lichaam niet. Je voelt alleen die pijnlijke elleboog wanneer je vanmorgen wakker werd.’ Waar Hofstedes relatie met het lichaam in de eerste plaats cultureel bepaald lijkt, heeft de hapering van Huffs lichaam een genetische oorzaak. ‘Je hebt de pech dat de aanleg een werkelijke bouwfout is geworden.’

Wanneer Huff meer in het algemeen over lichamelijkheid in de cultuur spreekt, vallen in eerste instantie opnieuw de overeenkomsten met de retoriek van Hofstede op. Ook Huff verwijst naar Descartes en naar de eeuwenoude filosofische miskenning van het stoffelijke, om vervolgens te betogen dat de geest gevoed en gestuurd wordt door het lichaam. ‘[Z]onder het lichaam kan er dus niets gevoeld of gedacht worden.’ Vanaf dat punt lijken beider sporen echter te divergeren, en wel volgens vrij voorspelbare genderlijnen.

De toegenomen respectabiliteit van het lichaam buigt Huff om tot een terugkeer naar de onbekommerde, niet door schaamte of preutsheid belemmerde seksualiteit van een oudere generatie mannen. Terwijl Hofstede expliciet de relatie met het lichaam in verband brengt met gender, gaat Huff in zijn essay over literatuur en seksualiteit de gendervraag uit de weg. De problematische seksualiteit in het werk van de ‘Great Male Narcissists’ – jonge mannelijke auteurs als Benjamin Kunkel en Jonathan Safran Foer – schuift hij veelzeggend vlot terzijde om plaats te ruimen voor de masculiene seksualiteit van James Salter. Anders dan meer problematisch prefeministische ‘Great Male Novelists’ kan Salter soepel geheiligd worden omdat zijn seks het ‘machomoment’ zou ‘overstijgen’.

Evenals Hofstede gebruikt Huff de metafoor van het huis om over het lichaam te spreken, maar in tegenstelling tot Hofstedes spreekwoordelijke huis – waarin ze nog slechts als ‘gast’ kan terugkeren – is dat van Huff een plek waarin je je behaaglijk kunt nestelen. ‘Je kunt al lezend wel eenzelfde soort staat bereiken als tijdens de seks; voelen: hier zit ik goed. Hier ben ik thuis.’ In de volgende passage lijkt het me dan ook gerechtvaardigd om ‘mens’ te lezen als ‘man’:

de mens kan niet aan zijn ‘woning’ ontsnappen. Hij kan noch aan zijn lichaam ontkomen, noch aan zijn seksualiteit – die aantrekkingskracht tussen zijn lichaam en dat van anderen.

Het slotessay van Hofstedes bundel leidt tot een soortgelijke conclusie, al is de rolverdeling iets preciezer afgebakend. De aantrekkingskracht waaraan de vrouw niet kan ontkomen, zo leert een reis naar het Midden-Oosten, is die van haar lichaam op de man. Een schijnbaar onschuldige anekdote uit het essay ‘Blauwe knieën’ vertolkt dezelfde ervaring: ‘de eerste keer dat ik een vriendschap verloor omdat de jongen in kwestie verliefd werd’ bevestigde ‘het idee dat ik het beste heel veel hoofd kon zijn en heel weinig lichaam’.

De wendingen waarin de essayist zich het meest persoonlijk aan de lezer, aan mij, laat zien – gekwetst, boos, geïrriteerd, of gewoon diepbedroefd – zijn de passages die de bundels lezerswaardig maken. Hofstede toont zich in haar zelfonderzoek genereuzer dan Huff, hoewel, of misschien net omdat, ze haar kwetsbaarheid in vele lagen zelfbewustzijn wikkelt. Mijn ingang tot haar bundel is het slotessay, meer bepaald het besef dat ik haar ervaring niet deel, of hooguit vanuit het daderperspectief – ik voel me aangesproken als tegenpartij en dat schept een band.

Hofstede laat een conflict zien dat dieper gaat dan louter ‘het verhaal dat we elkaar vertellen’, zoals Huff in navolging van Rorty betoogt, en dat niet verdwijnt wanneer we denken elkaars ‘verhaal’ begrepen te hebben. Haar neiging, in de rest van de bundel, om een specifiek probleem op te blazen tot ‘het westerse denken’, biedt me die ingang niet. De prominente zichtbaarheid van het lichaam van de auteur, op de foto’s die het boek begeleiden, kan niet verhullen dat de auteur in haar getuigenis een voet op het rempedaal houdt. 

Huff lijkt aan zelfobservatie minder gelegen te zijn geweest dan aan de presentatie, uitgespreid over een tiental essays, van niets minder dan een visie, een poëtica en een wereldbeeld – wat hij immers van een groot auteur verwacht. Zoals hij in vele moderne klassiekers vooral echo’s van zijn poëtica hoort, zo hoor ik in zijn essays vooral de echo van zijn zelfbeeld als auteur. Tot filering van het eigen ik lijkt hij niet bereid of niet in staat. Zijn neiging om alle boeken te lezen als verbeelding van zijn poëtica zou zoveel vergeeflijker, eerlijker en misschien zelfs ontroerend zijn indien hij zijn persoonlijke, affectieve belang in die poëtica duidelijker liet zien. Zijn essays interesseren me namelijk meer als uitdrukking van zijn herstellende lezen dan als beschouwingen over de boeken zelf. Ik zou ongetwijfeld zijn belang als lezer niet delen, maar zijn belang kan me iets leren over het mijne.

En het onze? Misschien. Vooralsnog vind ik het moeilijk me deel te voelen van een ‘wij’ dat vooral een ‘ik’ in meervoud is.