Gedichten

Verschenen in: Vechtende spiegels


De Argentijnse dichter Juan Gelman, die in het Spaanse taalgebied tot een van de grootsten wordt gerekend, werd geboren in 1930. Zijn beide ouders waren Oekraïense joden. In een gesprek dat in een interviewbundel van het Mexicaanse tijdschrift Alforja werd opgenomen zegt hij daarover:

       Bij me thuis werd er Jiddisch en Russisch gesproken. Ik ben de enige Argentijn
       uit die familie. Mijn vader en mijn moeder zijn uit de Sovjet-Unie geëmigreerd.
       Mijn vader, een arbeider, had als sociaal-revolutionair deelgenomen aan
       de Russische revolutie van 1905. Nog voor het uitbarsten van de Eerste
       Wereldoorlog was hij een eerste keer naar Argentinië gereisd en na de Russische
       revolutie van 1917 is hij naar Europa teruggekeerd, maar hij kon de jonge
       Sovjet-Unie niet in: er woedde een burgeroorlog, waar tweeëntwintig vreemde
       naties de hand in hadden. Hij vestigde zich in Berlijn en bereidde het vertrek
       voor van zijn vrouw en twee zonen uit Moskou, maar de boot waarin zij en
       andere emigranten een rivier overstaken kapseisde; zijn vrouw en een zoon
       kwamen om, en mijn halfbroer Boris overleefde op miraculeuze wijze. In
       1922 kon vader dan toch de Sovjet-Unie inreizen en leerde er mijn moeder
       kennen bij wie hij een dochter verwekte. In 1928 reisde hij met zijn nieuwe
       gezin naar Argentinië. Twee jaar later werd ik in Buenos Aires geboren.


In 1956 verschijnt Gelmans debuut Violín y otras cuestiones (Viool en andere kwesties), waarin hij de poëzie van het alledaagse, vanuit zijn straatervaringen in een volkswijk uit Buenos Aires, begint te exploreren. De kindertijd is voor hem, ook op latere leeftijd, de lyrische ader bij uitstek gebleven.
       Oudere dichters wier werk een invloed had op de jonge Gelman waren de Argentijn Oliverio Girondo en de Peruaan César Vallejo. Van de eerste bewonderde hij vooral de bundel En la masmédula (letterlijk: ‘In het meermerg’), van de tweede zijn meest experimentele bundel Trilce (neologisme waarin ‘dulce’ en ‘triste’ met elkaar vervlochten zijn). Bij beide auteurs fascineerde hem het balanceren op de rand van de taal, waarvan de grenzen onderkend maar niet overschreden kunnen worden, ‘want het zijn ook de grenzen van de mens’. Vallejo boeit hem ‘por una razón de coincidencias sensibles’ (om een ‘samenloop van aanvoelen’), vanuit een ‘confluencia’ (‘samenvloeien’) eerder dan een ‘influencia’. Bij Girondo spreekt hem de creatieve vrijheid aan, de op de spits gedreven zoektocht naar expressiviteit. Gelman voegt hieraan toe dat die invloeden hem niet hebben belet een eigen taal te ontwikkelen; hij beaamt de uitspraak van de Cubaan José Lezama Lima dat ‘invloeden geen oorzaken zijn die bepaalde uitwerkingen produceren, maar uitwerkingen die licht werpen op oorzaken’. Als dichter is Gelman nooit uit op het nieuwe om de nieuwigheid zelf; zijn positie vertoont overeenkomst met het Make it new! van Ezra Pound en wil dus veeleer de traditie vernieuwen dan ze te ontkennen. De traditie waartoe hij zich bekent put zowel uit het volkse (de tango) als uit de gevestigde cultuur (de literaire canon): zijn taal voedt zich aan het lunfardo, het slang (of dialect?) uit de volksbuurten van Buenos Aires.
       De Argentijnse dichter die zijn jonge vakgenoot het diepgaandst heeft beïnvloed is Raúl González Tuñón. Hij schreef ook een inleiding bij Gelmans debuut en droeg ertoe bij hem in ruimere kring bekendheid te verschaffen. Toen Gelman in 1956 debuteerde, stond Raúl González Tunón bekend als een overtuigd communist; het moet mede onder zijn invloed zijn geweest dat ook Gelman zich tot die politieke strekking is gaan bekennen. Nog later, aan het eind van de jaren zestig, werd hij woordvoerder van de links-peronistische guerrillagroep Montoneros. Die bestreed eerst de dictatuur van generaal Lanusse en na de peronistische verkiezingsoverwinning op 25 mei 1973 – gevolgd door de terugkeer van Juan Perón uit ballingschap op 20 juni 1973 en zijn overlijden in juli 1975 – de regering van zijn weduwe Isabel Perón. Haar minister van ‘Sociaal Welzijn’ José López Rega had de AAAAlianza Anticomunista Argentina – opgericht om vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging en de linkse intelligentsia fysiek uit te schakelen. Nog voor de coup in maart 1976, die de beruchte junta onder leiding van generaal Videla aan de macht bracht, had Gelman de wijk moeten nemen naar Italië. Daarmee begon een ballingschap die tot in 1988 zou duren en hem ook naar landen als Frankrijk, Cuba en Spanje zou voeren voordat Mexico, waar hij zijn nieuwe echtgenote Mara zou vinden, zijn tweede vaderland werd.
       Intussen zijn tragische gebeurtenissen elkaar in snel tempo opgevolgd. In augustus 1976 zijn Gelmans zoon en schoondochter die toen zeven maanden zwanger was, door onbekenden ontvoerd. Zoals duizenden anderen zouden ze spoorloos ‘verdwijnen’, maar niet voordat hun kind ter wereld was gebracht. Ruim tien jaar later zou het Gelman eindelijk lukken de chronologie en de omstandigheden van deze (drie)dubbele misdaad te reconstrueren en nog veel meer jaren zouden voorbijgaan eer hij, met de hulp van zijn Mexicaanse vrouw, zijn door de moordenaars van haar ouders in een pleeggezin ondergebrachte kleindochter zou kunnen identificeren en terugvinden.
       Over deze sombere periode in Gelmans leven en de manier waarop dit alles in zijn poëzie ter sprake komt, noteert de Mexicaanse auteur Marco Antonio Campos:

       Hem vergezellen op dat ogenblik twee amper te verdragen drama’s: ballingschap
       en nederlaag. Het besef van ballingschap is vreselijk: ‘Ballingen zijn huurders
       van eenzaamheid.’ In de ballingschap ‘stapelen doden en haat zich op’ en
       de balling komt er zelfs toe het land dat hem opvangt en zijn bewoners te
       negeren. […] In Citas y Comentarios verzamelt Gelman met een verscheurd
       denkvermogen, met ontroering en smart, de vergane en dorre bladeren van
       die jaren. […] Er is zelfs niet de troost van God. De atheïst Gelman ontdekt
       in de teksten van Santa Teresa en van San Juan de la Cruz niet de openbaring
       van het goddelijke, maar wel lezingen van zijn eigen tragedie en van de Argentijnse
       tragedie. Gedichten die tegelijk gebed tot niemand zijn en originele exegese.
       De goddelijke ziel openbaart zich, of liever: wordt een met de ziel van al die
       gevallenen, en de ziel van de atheïst Gelman wordt op christelijke wijze, vol
       piëteit en uit piëteit, een met al die zielen.


Op de vraag of mystiek en religie zich laten verzoenen met maatschappelijke betrokkenheid en of ze zijn dichterschap ingrijpend hebben veranderd, antwoordt Gelman:

       Ongetwijfeld, alles verandert met de tijd, wat je ervaring ook moge zijn. De
       ballingschap heeft alles in me veranderd. Het valt me moeilijk aan de weet
       te komen hoe, maar veranderd ben ik. Wat de mystiek betreft die je vermeldt,
       dat was een herlezen in ballingschap van de Spaanse mystici en de kabbalisten,
       zeg maar de joodse mystici, en ook Hildegard von Bingen, Meister Eckhart,
       de begijn Hadewijch. Ik las hen anders omdat ik ontheemd was en in hen,
       zoals in mezelf, de afwezige aanwezigheid van wat men liefheeft aanvoelde:
       voor hen God en voor mij de gevallen strijdmakkers, mijn zoon, de arrestanten
       die verdwenen, mijn land. En er is, denk ik, nog een gelijkenis die mystiek
       en poëzie nader tot elkaar brengt: de extase, het buiten zichzelf raken. Daarenboven,
       in beide gevallen vindt de ervaring haar neerslag in het schrijven. De religie
       waarin ik echt geloof is die van de menselijke solidariteit. Religie in haar
       oorspronkelijke betekenis van religare, herenigen. En ik geloof dat het leven
       heilig is.




PLAATS XIX (heilige theresia)



en met een lichaam zo gekneusd / en koud /
een hart bevangen door de kou alsof
er geen ziel meer in zat / of waar nog adem
halen / sterven / de ziel tot leven brengen

dit dagenlang verduren / als
ondraaglijk lijden dat zichzelf verteert /
en de ziel strompelt maar verder door on-
troostbaarheid als jij / woord dat diep uit jou

vanbinnen kome / en geen pijn meer brenge /
geen kippenvel me geve / me niet dooddoe /
me niet tegenspoede / en me niet verstrooie /
kortom jij hou van me / jij hou van mij



PLAATS XX (heilige theresia)



hoe brengt verdriet om jou me nader tot
je klare spraak / vervoering door jou die
mijn kwellingen bedenkt als flonkerglans /
als levensdaden / als verlovingsfeest

van joumij / schuchtere natuur / die uit
het diep toch oprijst in jouw vurig spreken
alsof daarbij je wezen wordt verduisterd /
of lieve lijf waar jij intrekt als reine

vergaarster van het licht? / ik woon in jouw
verschijning die verzonk in deze levens /
in deze tijd / sommige hemelhoog /
door jou geschreven op mijn eigen bloed



PLAATS XXII (heilige theresia)



mijn ziel die geen voldoening vindt in al
wat jij niet bent / jij gaf haar vleugels / zij
loopt niet meer stapvoets nu / ze vliegt / ze wil
nu vliegen / of verdriet dat weegt als lood

op die vleugels van jou / wat bindt haar en
verhindert dat ze met je weg gaat vliegen? /
gaf je haar vleugels om de vele schepsels
gebaard door ’s werelds pijn? / moet ze nu

haar vlucht bezwaard voelen door elk verdriet? /
van mensen als jij? / die ziel die jij bindt
en tegelijk losmaakt? / waar moet dat zieltje
heen dat naar zijn buurt niet meer terug kan? /

hoe ontvliegt het wat het heeft gevlogen? /
of gaan zijn flarden op weg door de vlucht
van broers die al gelouterd zijn? / van broertjes
die onderweg al opbranden van liefde?



Voorjaar 2008 zal bij Uitgeverij P (Leuven) de bundel Plaatsen en Kanttekeningen (Citas y Comentarios, 1982) verschijnen in een Nederlandse vertaling van Guy Posson en Stefaan van den Bremt.