STAAK - dialoog voor bonentellers

Verschenen in: Jaap en de bonenstaak

Omstandigheden:
Op het podium staan twee antieke chesterfields met de ruggen tegen elkaar, compleet overwoekerd door klimop en wingerd. We zien tientallen flessen pokon staan en allerhande gieters. Een klein schemerlampje verstrooit het licht. De acteurs zijn nauwelijks zichtbaar.

Elma [peinzend]:
       Vanwaar komt de rook? … Een buurman, ouderwets de lucifer onder de schoen gehouden.

Vuur!?

Hoe noemen we het, lieve Arnoud, zon maan aarde, een hart dat zich beweegt zonder voeten, dat pakt zonder handen, vol adem zonder longen, zonder voortstuwend systeem van een bloedcirculatie, een bal vol lucht; bewegend.                                                                                                                Bewogen.

Hoe houdt de bal het vuur in zijn vaart?

Een bal moet willen leren wachten, een duw in de rug, een trap.

Een opgooi.

Ontvankelijk zijn al wachtende. Zich de grondtoon herinneren van het bewogen worden om de beweging te kunnen maken, als de kans zich voordoet.
Wat zeggen wil, dat er al ooit eens bewogen is en de intuïtie zich levendig gehouden heeft
binnen onveranderlijk dezelfde al wachtende zijn, zoals de minieme verschuivingen in een landschap alleen waarneembaar zijn over een zekere tijdspanne en afhankelijk van wat zich van buitenaf daarover heeft willen ontfermen, sneeuw, pijn, droogheid,                                                warmte,
om dan weer uit te botten om daarmee de wortels dieper de aarde in te herinneren,
vanzelf, zonder moeite eigenlijk, dieper de grond in, alleen vanwege een steeds                                                                                                                               losser,
een steeds losser waaien rond de bladeren, steeds roekelozer, meer naar
een grens van                                                                                                                                                                                                                                                   afwaaien

misschien, alsof de herinnering eraan los wil komen van vaste natuurwetten,                                                                                                dit roekeloze,
dat als een hoed wordt opgegooid om een steeds lossere wind te vangen.
Om te rollen; omrollen ontrollen doorrollen wegrollen,
een vonk in de rug van een aanwakkerende                                                                                                                                                                           wind.

Iets broeit als een razende?                                                                                                                                                                                                                                      Wat?


Arnoud [opziend van zijn boek, kuchend]:
Maar ... zo’n staak bestáát. Het pronkboontje dat we dopten (jij wist iets te ritselen bij die engelachtige biotechnoloog uit São Paulo) schoot wortel – en hoe! We zullen de komende jaren in ieder geval niet om platte peters verlegen zitten. (Wat zullen we ruften …) Nog een wonder trouwens, dat er niemand heeft geklaagd over die knoestige tentmast van circus Cumulus, die wankele jakobsladder in de lucht. Het groen bleef zich vertakken, de bonenpreek duurde maar. Houd het gerust op vegetatieve ongebreideldheid, een plantaardig bewind. Heb je overigens gemerkt dat we langzaam opstijgen, dat het plankier ietwat omkrult?

Elma [eureka!]:
Ah, dus nou snap ik wat er aan het afwaaien was. Ik heb mijn hoofd er weer bij!
Die losse blaadjes zijn tekenen aan de wand van het lachende publiek in een amfitheater en wij zijn de acteurs op hoge houten klossen om beter gezien te worden. Zo zit dat dus met die boonzaden, ongevraagd aangeplant verstuiven ze hun hallucinatoire sporen.
Ben uit die schoenen gestapt.
De vraag is of ik dit gewas nu met wortel en al uitrukken moet,
want ongebreideld is oeverloos.
En zeker binnen de grenzen … of is dat te behoudend? Corrigeer me gerust.
Maar ik maak me zorgen, nu we blijkbaar toch aan het opstijgen zijn.
Is klimmen niet wenselijker?
Net nu ik mijn hoofd uit het wolkencircus heb, mijn voeten uit de schoenen, het lachen op een afstand, mijn tekst ingeslikt, mijn gebaren verstild, moet ik weer op?

Arnoud [van zijn chesterfield opwippend]:
Eén seconde, grondstewardess! Ik boor even een paar gaatjes. Daar kan straks het zonlicht doorheen vallen, als minuscule zandstraaltjes. En ook maar meteen een fikse pets tegen de globe. (Voor het effect.) Het mag best lyrisch, hoor, zolang we maar steeds bij bewustzijn blijven, het verstand stationair laten draaien, bij wijze van noodaggregaat. Ik bedoel, vallen onze stemmen elkaar huilend in de armen, of kleuren we liever binnen de lijntjes, conveniënt, met dikke groene viltstiften? (Maar dit zijn misschien vragen voor in het tuinhuisje?)
Urenlang getuigden we als gehypnotiseerd van de groei van de staak die we ooit zelf plantten. Weet je nog, Elma, klokke twaalf, met gloednieuw, blinkend tuingereedschap, in het amechtige licht van de maan van Brussel, jij en ik en ons nietige peultje? Eindelijk begrepen we de ware strekking van il faut cultiver son jardin. (Ons Freudje mocht zich verbijten!)
Opstijgen of afdalen, spreken of luisteren – best nemen we de schop in eigen hand, harken we de blaadjes tijdens stormwind bijeen. Maar wat denk je, Elma, zal iemand ons ooit ontmaskeren als valse telers, als make-believes, als afgezanten van het groothertogdom Houdini waarin we sinds jaar en dag resideren?

Elma [bezorgd]:
He ho, Arnoud, verklaar dat stijgen nader. Toch niet toevallig gezeten in een vliegtuig? In welke vlieghuid heb je verse gaatjes voor de zon geboord? Genoeg films gezien om te weten dat er neerstorten volgt en de acteurs ons verorberen nog voor we bevroren zijn. Een beetje buigzaam, dat is beter voor het braden op een vuurtje, hoor je ze denken. En erger nog: daar gaat onze voorraad peultjes. Eiwitten en vitamines zijn een gezochte combinatie, zelfs voor de meest poëtische onder ons. Als we dan rond de globe moeten, meten we ons dan niet beter veren en vleugels aan? Doch zelfs hier kan ik beeldbesmetting niet van me afschudden, ook engelen heten gemoderniseerd en bestaan blijkbaar in elke hoedanigheid. De engelentraditie is tegenwoordig opgeheven. Er hoeft niet per se een luchtruim bij.
Of zit ik me gewoon weer ouderwets fout te spiegelen en stijgen we op onder water in de glazen Houdinikubus met ingehouden adem en proberen we het glas te breken, maar te laat! Zodat we water halen.
Zo zwevend; water lucht … pak alle materie waarmee we onszelf kunnen geruststellen!
Voor een wijde armslag eenzelfde inspanning, alleen met een andere weerstand, wrijving,
een andere elektriciteit.
Wat ik me nog herinner van die plantnacht is geregistreerd met vogeloog, van grote hoogte.
Ik zie de lichtjes van een stad. Was het Brussel? Ja, dat de maan daar een apart opaal licht uitwaaiert, is juist. Dat moet dus Brussel zijn geweest, maar waar, in welke tuin? Was het door die windvlaag, een met de hand gebonden boek of ons zachte gebaar, waardoor onmiddellijk die loot de kop opstak, dat bleekgroen met zo’n onschuldig blad, dat zich in een ijltempo ontvouwde. Wij ditmaal het publiek. Nog voor we twee keer adem konden halen, schoot het ons al voorbij.
Kijk, als het zo gaat, Arnoud, dan doen we de Houdinibusiness geen eer aan, dan blijven we acteurs, die buigzaamheid gebruiken om wat rauw opgediend wordt, snel nog wat te garen.
Dus wat met die schop? Staan we met open mond verstomd en worden we getild als engelen of tillen we als schoppenboeren kluiten uit de grond?

Arnoud:
Je hebt gelijk. We moeten schep en schoffel durven noemen. Zo’n bal verlangt naar een trap, de engelen moeten hun getal hebben. Ontsnappen kan altijd nog, desnoods met de arm uit de kom of middels een piepklein ijzerdraadje onder je tong. Je vraagt naar de feiten? Ik zal ze je geven. Die nacht begon het plotseling te regenen, het was oudtestamentisch, emmer na emmer kletterde naar beneden, iemand zeulde met gieters, draaide alle kranen open, binnen de kortste keren stond ons tuintje blank, je mascara liep uit (huilde je?), mijn haar plakte op mijn schedel. Dat we het peultje überhaupt nog onder de grond wisten te stoppen, mag wederom een mirakel heten. En misschien was het dat ook wel – met dezelfde pen (dezelfde pets) schrijf ik een Sahara voor je.

Elma [ha!]:
Schep en schoffel dus! Je laat me de keuze tussen zee of Sahara? Dat is de goden verzoeken, natuurlijk! Hier vraag je om oorlog tussen twee dei ex machina.
Als je dit laat plaatsvinden in het amfitheater, is er nog een geruststellend koor, dat zijn welvoeglijk commentaar geeft en het publiek, dat erop kan reageren met zijn duim omhoog of omlaag (al was dit in latere tijden, maar ik gooi het even op een hoop; tenslotte is het de bedoeling dat we van de geschiedenis leren, al is wat we leren ook al weer zorgvuldig gescreend; maar goed …), doch dat tuintje was het theater niet, en een ondersteunend koor bleek ver te zoeken, het publiek waren wij, twee enkelingen, losstaand en steun zoekend bij het planten van een boon. Welke hoop vervulde ons, welke verwachting hebben we geplant?
Leg een bal tussen twee goden en het is niet langer een spel.
Kijk, zand in het oog huil ik er harder uit, dan het vloeibare, dat, vervuld van zichzelf, zijn eigen bekken laat vollopen, dus wat wil je?
Waar wij naar keken, was een boon in de grond, die zich desondanks verhief. Verzuipen of verdrogen, welke ontsnapping bied je aan?
In elke vorm kun je ontsnappen. In elke vorm kun je dood, laten we maar zeggen,
maar die boon laat niets te twijfelen over, die leeft gewoon tot hemelhoog juichend en vult gevoelloos, in de zin van vrij van gevoel, de ruimte waarin we staan, dus ja, ik voel soms de onbedwingbare lust tot kwistig snoeien.

Elma [pakt uit haar tas een spiegeltje en stift driftig haar lippen]

Arnoud:
Amfitheater, amfifyt, amfibie – dat laantje lijkt me alvast verguld. En ook elders zie ik wel een paar vluchtlijnen lopen. Rode lippen detoneren niet in dit oerbos. Echt, ik zal je lust niet voor last houden. Men moet elkaar de ruimte laten, een klimoprank het ijle vergunnen.
Al was het maar ergens een hoekje, dat je ongevraagd kunt omslaan, een schamel peultje, waaruit je zonder pardon kunt ontkiemen. Spontaan opschietende klimop groeit het best, de moerbei bloeit het mooist in godverlaten groeven, ongedresseerde vogels zingen het hoogst.
Ik bedoel, je kunt twee manshoge spiegels tegenover elkaar plaatsen, maar in de reflectieve wirwar zul je geen nieuwe gezichten ontwaren. Zouden we daarom met de ruggen tegen elkaar zitten, denk je?

Elma [happend op een vloeipapiertje]:
Hmm … je zou me inderdaad kunnen verwijten dat ik te snel aan het snoeien sla. Grootmoeders raad, eerst tot tien tellen, zou onderhand tot me hebben moeten doordringen, maar van de andere kant wil ik graag dat rappe behouden, wat zeggen wil, dat spijt achteraf erbij hoort en dat er altijd kans blijft op verandering, nieuwe wegen, nieuwe vormen of een nooit eerder bedachte spectaculaire manier om te sterven. Wat ook weer zeggen wil, dat té tolerant zijn weliswaar iemand tot een aandachtig geïnteresseerde toeschouwer maakt, maar een die met zijn neus boven op het zieltogen staat te kijken niet voorkomt. In die zin kunnen we ook naar onze boon kijken. Planten we en is het verder uit onze handen of dwingen we de plant naar een bepaalde kant door te schieten? Ook dat is al door de eeuwen heen tot een richting in de kunst verheven, dus … wat let ons!
Het heeft zijn grond al veroverd!
Zet die twee spiegels maar rustig tegenover elkaar, ik zie ik zie wat jij niet ziet en wat jij ziet, dat kun je me gemakkelijk vertellen. Komt het woord hier voor het oog?
Zelfs achteraan in die wirwar, waar zich wormgaten boren, kun je uit die bodemloze diepte de hoogte van een podium vissen waarop je streng je tekst te berde mag brengen en commentaar kan blijven leveren op wat voor dwaze actie ook, van mijn kant of van iemand, die ongevraagd zijn tronie door die lichtreflecties snijdt. Ik wed, dat er een heel onzichtbaar koor aan het licht kan worden gebracht, dat ongevraagd (vanwege hun plotselinge doorbraak naar het oppervlak) de kans schoon ziet de vloer met mij aan te vegen. Als ik dan mijn snoeimes terzijde leg, wat je zou kunnen zien als een andere vorm van betrokkenheid –  wellicht een beschaafdere vorm – mondt dat misschien uit in zachte heelmeesterij.
Kortom, je ziet, Arnoud, hoe makkelijk! Eén kik en
                                                                                                    ik schuif al met mijn stoel!

Arnoud:
Als bonentellers van dienst kunnen we onze eisen stellen – ik voel er althans weinig voor om naar Ispahaan te moeten galopperen, als een idioot op de vlucht voor de eigen kleverige schaduw. Maar van mij mag je het gras maaien: ik zie het krachteloze leger van de groenen al tuimelen. Pluimen draaien dramatisch om de eigen as. De zon prevelt een schietgebedje. (Haal nochtans je vinger niet open aan zo’n halm!) Wie valt het groenst? Daar weet geen heelmeester het antwoord op. Een nat, jong oog zal er hooguit een vraag in lezen. Remedies blijven uit.
Ondertussen reikt ons huis tot aan de wolken. Nóg hoger en we denken ons planeten. Een verdwaalde Daedalus peddelt op zijn luchtfiets langszij – niemand vertelde hem van zijn zoon. Vissen houden hun adem in, de kiesheid belet ze het spreken.
Voor ons ligt een veel te wit gewassen tandpastaland waar naar verluidt een reusachtige zou wonen. (Kijk maar eens naar de afmetingen van die pompoenen!) Het ruikt hier anders groen dan elders, het licht kijkt er om een hoekje. Hoe zat het ook alweer? Il en fait comme de la poule aux œufs d’or. Deze eieren lijken me alvast een andere bestemming beschoren dan de vestzak van die uit de kluiten gewassen hamburgerkoning – zie dat gerust allegorisch.
Waar we eerder repten van lust en last, moeten we ons nu wenden tot list. En voor list heb je, dacht ik, minstens twee stemmen nodig, ineengevlochten stemmen, woekerplanten. Dus draai je stoel maar naar me toe en fluister me je geheime beelden in.

Elma [zittend, onhandig met haar stoel schuivend]:
Hé Arnoud, is dat niet gevaarlijk? Een woekerplant laten fluisteren in je oor? Weet waar je aan begint of het scenario van The Day of the Triffids wordt werkelijkheid. Pompoenen als eieren in het landschap waar een plant uitklimt – schadelijk kuiken – die naar passanten zijn kleverige tong uitslaat en hun hersenen binnendringt. De witte stof groen gek makend. Dit, tussen haakjes, is al een heel geheim beeld, dat ik wil influisteren, maar mijn stoel haalt het niet op deze manier. Die chesterfields zijn enorm en die oude woekerplanten zitten in de weg om je oor te bereiken. En die reusachtige, die de vreemde tekst, Fee Fie Fo Fum, ik ruik mensenvlees, roept, kunnen we die daarboven omzeilen, als we omhoog slingeren en we ons ongebreideld planeten denken? Ik stel voor ons eerst een gedegen uitrusting aan te schaffen, compleet met haakankers en al; dan trek ik die uitgestapte schoenen wel weer aan!
En gelijk heb je, als de een achterblijft, kan de ander even een ruk aan het touw geven. Dus wel degelijk een zaak van vertrouwen.

Arnoud [hoofdschuddend]:
Oren vallen niet zo snel van het hoofd. Maar dan de reusachtige … Die dondert nog eens zijn eigen schaduw tegemoet. (Hoe hoger ze meten, hoe harder ze zweten.) Onze kolos zal zijn kiezels kennen: wie tegen de oceaan in buldert, verbetert zijn dictie niet. Dat hij uit King Lear citeert, hoeft niemand te verbazen – er rot iets tussen zijn hersenhelften, in het holst van zijn hoofd woekert een gifplant (een drielob, misschien). Me dunkt een woordroes, Elma, een dionysische slok om de mond. Misschien dat ook die zichzelf bespelende, overdadig bepoederde harp hem wel op de zenuwen begint te werken. (Al dat stuifmeel op de wegen van lucht.) We kunnen de hercuul altijd nog de mond snoeren met de ademgarens waaraan we hangen, je haakankers, bedoel ik. Wankel niet op je plateauzolen, treed in je eigen voetsporen, ik steek mijn armen uit om je op te vangen. Ik zal niet onverhoeds opzij stappen. Echt niet. De landing zal zacht en overdrachtelijk zijn.

Elma [twee spiegeltjes ophoudend om achter zich te kunnen kijken]:
Goed, dan zal ik zelf vallen, dan maakt het niet uit wat voor schoenen ik draag (spikes, ankers, rubberen zuignappen, plateau, doppen (alsof je met zelfklevers altijd op boontjes loopt), ijzeren neuzen, sporen, gespen of simpel veters), als ik maar weet dat er onderin een bodem zit. Die hamburgerkoning met zijn bergstappers kom ik toch wel ooit tegen en me afvragen waar de rook vandaan komt, is een vraag naar de bekende weg, ik weet dat     vuur!                    
geketst wordt van zijn naderende passen, de zevenmijlslaarzen …
Hé, laat ik niet alle sprookjes door elkaar gooien, Kleinduimpje een boontje dat om zijn loontje, een Jaap die broodkruimels strooit, kiezels die knerpen op het pad als bij elke stap de sterren die we volgen.                                                                                                                                                                                                                         Bewogen
worden we toch, ook al ondernemen we niks. We zijn een hart in een knapzak en we kunnen rustig spreken over onze eigen trage vaart. Dat we een trap onder de bal van onze al dan niet gefingeerde voeten mogen krijgen! Dat is een kans,                                                                                   een opgooi
met opvang en neergang, een buitenkans binnen de tijdspanne die we krijgen. Ik voel het als                                                                                            warmte
van mij naar een landschap, dat alleen door vulkanen omhoog gestuwd wordt door de eeuwen heen.
Met Pinksteren (vandaag) denkt een zuiders gevormd mens zoals ik boven alles een vurig tongetje te zien zweven als beeld voor bezieling (kan dit woord nog tegenwoordig?), inzicht, warmte en overdrachtelijkheid; hoe je bent opgevoed, heeft zijn haarwortels tot in de extremiteiten nu eenmaal uitgespreid en in tegenstelling tot dit zich voortdurend ondergronds verankerende stelsel, vormt de kroon met de bladeren een steeds

losser
afwaaien,

al wijden de takken zich net zo breed uit als de wortels in de aarde. Dat je dus eindeloos een spiegeling bent van wie je in de grond wezen mag, eigen wormgat, onverhoeds dieptemonster, koor dat opdoemt op de meest cruciale momenten, is maar deels waar. Alleen in bepaalde seizoenen. Er is toch onverwachts een kans op een tegengesteld gebeuren en dan ben je helemaal afhankelijk van wat de natuur heeft bedacht, de last van processierupsen, sluipwesplarven of horzeleieren. Dit moeten we dan maar ten goede keren, zien als bedding voor onze lusten. Ja, laat die reusachtige maar lieflijk zijn harp bespelen, we horen het wel en al doen we eerst of onze neus bloedt (list), daarna lopen wij lachend als laatste met de harp weg.
Dan maken we alles te gelde, eieren en de harp, dan doen we ons te goed aan het goud.
                                                                                                                             Dit roekeloze,
gokken we hierop? Is dit klimaat ons gunstig, nemen we het risico die man met de hamer tegen te komen? Ik denk dat een brullende                                                                                                                                                                                    wind
achter in onze rug duwt.
  Wat broeit daar als een razende, Arnoud? Vang het!                                                                                                                                                             Dit!