'Misschien heb ik die antihouding wel iets te veel gecultiveerd.' J.J.A. Mooij en de Nederlandse romanstudie na de Tweede Wereldoorlog

Auteur: Carien Gibcus

Eind 1991 nam J.J.A. Mooij (1929) in Groningen afscheid als hoogleraar algemene literatuurwetenschap, een leerstoel die hij in 1976 had aanvaard. Daarna brak een periode aan waarin zijn aandacht vooral uitging naar zijn oude liefde: de wijsbegeerte. Afgezien van een boekje over maanreisverhalen publiceerde hij sindsdien vooral op filosofisch gebied.1 Zo volgden na Fictional Realities. The Uses of Literary Imagination (1993), een boek over de literaire verbeelding dat nog hoofdzakelijk uit zijn tijd als hoogleraar stamde, verhandelingen over de geschiedenis van de tijdsfilosofie (Tijd en geest. Een geschiedenis, 2001) en over het Europabegrip in de filosofie (Het Europa van de filosofen, 2006). Mooijs meest recente publicatie, een artikel over moreel relativisme (‘Moreel relativisme’, in: Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte), verscheen in april 2007. Recente ontwikkelingen binnen de literatuurwetenschap bleef hij echter wel kritisch volgen als commissielid bij diverse visitaties en op een door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) georganiseerde bijeenkomst over de huidige toestand van de Nederlandse taal- en letterkunde.2 Een terugblik met J.J.A. Mooij op vijftig jaar literatuurstudie in Nederland: ‘Literatuurwetenschap moet geen speelbal worden van ideologieën, van dogmatici. Verlies het object zelf, de literatuur, vooral niet uit het oog.’

Literaire verkenningen
Dankzij zijn ouders komt J.J.A. Mooij al vroeg in aanraking met literatuur. Zij geven hem als hij tien is Het Boek voor de Jeugd (een grote bloemlezing onder redactie van Theo Thijssen en anderen) en een jaar of vijf later laten zij hem Charles Dickens’ David Copperfield lezen. Veel literaire belangstelling heeft hij dan nog niet. Dat komt pas rond zijn zeventiende, tijdens het laatste jaar op de HBS (Hogere Burgerschool) en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Dan gaat hij zich in de literatuur verdiepen. Zijn leraar Nederlands stimuleert hem daarin, maar de interesse blijkt dan nog niet zo serieus dat een talenstudie ook maar een moment in overweging wordt genomen; na zijn eindexamen in 1946 schrijft hij zich in aan de Universiteit Utrecht voor een studie Wiskunde. Vanaf dat ogenblik vindt hij op eigen houtje zijn weg in de Nederlandse en buitenlandse letteren. Hij koopt veel boeken, verdiept zich gretig in Simon Vestdijk, Menno ter Braak en E. du Perron, maar verkent ook het werk van buitenlandse schrijvers zoals Fjodor Dostojevski, André Gide, Ernest Hemingway, Aldous Huxley en – zijn favoriete auteur – Thomas Mann. In de universiteitsbibliotheek doet hij nieuwe titels op aan de hand van kritieken in literaire tijdschriften als Libertinage en Podium, waarin hij onder meer de essayistiek ontdekt van Fokke Sierksma, wiens bundel Schoonheid als eigenbelang hij aanschaft. Zijn eigen dichterlijke aspiraties komen tot uiting in marsmaniaanse poëzie – een ware epidemie onder dichtende jongeren in die eerste naoorlogse jaren. Tot zijn twintigste blijft hij gedichten en enkele korte verhalen schrijven, om zich daarna toe te leggen op literaire kritieken, die hij sinds zijn negentiende is gaan schrijven voor Vox Studiosorum, het tijdschrift van het Utrechtse studentencorps (USC) en de vrouwelijke studentenvereniging UVSV, en die hij vanaf zijn eenentwintigste ook zal schrijven voor Sol Justitiae, het weekblad voor de Utrechtse universitaire gemeenschap waarin ook ruimte is voor literatuur.
       Zijn letterkundige ontwikkeling heeft het productieve redactielid grotendeels ‘te danken aan het corps’: door lezingen en discussies binnen een literair dispuut, maar vooral door het recenseren. Met zijn bèta-achtergrond en het uitblijven van een professionele opleiding in het lezen hebben bestaande literaire tradities en leesconventies vooralsnog geen vat op hem. Zelfstandig verkent J.J.A. Mooij de Nederlandse literatuur en kritiek, zonder daarbij een criticus als leidend voorbeeld voor ogen te hebben – al bewondert hij Ter Braak op dat vlak in hoge mate. ‘Ik benaderde de literatuur graag vanuit een buitenstaanderpositie’, overdenkt hij in retrospectief. Op deze manier hoeft hij namelijk niets te lezen dat zijn interesse niet heeft en blijft hij bovendien opereren vanuit de omgeving van wiskundigen, waar hij zich nog steeds prettig voelt. Vooralsnog blijft de literatuur een hobby, maar dan wel een die bijzonder serieus wordt genomen.

Eduard Ternoo en de literaire kritiek
Eenmaal leraar wiskunde, eind jaren 1950, neemt het recenseren een hoge vlucht. Ook zijn interesse voor de filosofie heeft intussen serieuzere vormen aangenomen, wat leidt tot plannen voor een proefschrift en de kennismaking met Evert Willem Beth, hoogleraar in de logica en filosofie der exacte wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. In 1961 kan hij aan diezelfde universiteit aan de slag als wetenschappelijk medewerker op het Instituut voor Grondslagenonderzoek en Filosofie der Exacte Wetenschappen, waar hij colleges geeft over logica en wetenschapsfilosofie en verder werkt aan zijn proefschrift over de mathematische filosofie van Henri Poincaré.3 Ook verdiept hij zich in de wijsgerige esthetica.
       Zijn nieuwe werkterrein en de literatuur beschouwt J.J.A. Mooij evenwel als twee gescheiden werelden. ‘Ik vond het wel prettig om naar buiten toe een scheiding te maken tussen literatuur en filosofie, om in zekere zin anoniem te opereren, als een buitenstaander, omdat het allemaal erg experimenteel was.’ Deze opvatting brengt hij in de praktijk door zijn stukken te publiceren onder het pseudoniem Eduard Ternoo. Al tijdens zijn leraarschap in de tweede helft van de jaren 1950 had hij zijn eerste artikelen, analyses van onder meer Vestdijk, ingestuurd naar Levende Talen, maar ook naar gerenommeerde literaire tijdschriften als De Gids en Tirade, die de teksten van de onbekende outsider in het literaire veld met een nog altijd verbazingwekkende vanzelfsprekendheid aanvaardden. Vanaf 1960 publiceert hij voor Tirade, na bemiddeling van het redactielid H.U. Jessurun d’Oliveira, die hij ontmoet in het Amsterdamse universiteitsmilieu. Als vertegenwoordigers van respectievelijk de rechtenfaculteit en de faculteit wijsbegeerte strijden D’Oliveira en Mooij vanaf het begin van de jaren 1960 voor democratisering van de wetenschappelijke staf en de bestuursorganen van de Universiteit van Amsterdam.
       Mooijs literaire interesse heeft zich inmiddels uitgebreid naar de literatuurtheorie. In deze context ontdekt hij in 1959 via The Times Literary Supplement de inmiddels vermaarde studie The Mirror and the Lamp van M.H. Abrams. Hij schrijft er een recensie over en stuurt die op naar de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Op uitnodiging van Adriaan van der Veen, die op dat moment NRC’s wekelijkse bijvoegsel onder zijn hoede heeft, begint hij daarna aan een reeks kritieken en essays over literair-theoretische werken die in sommige gevallen al enkele jaren eerder zijn verschenen, zoals Victor Erlichs Russian Formalism: history, doctrine4 uit 1955 en zelfs Erich Auerbachs MimesisVerhaal en lezer (1960), The Rhetoric of Fiction
van Wayne Booth (1961), C.F.P. Stutterheims Conflicten en grenzen (1963) en A.L. Sötemanns De Structuur van Max Havelaar (1966), heeft echter zijn voornaamste aandacht, en een enkele keer bespreekt hij een pas verschenen roman.
       Het literaire veld van die jaren staat in het teken van een aantal verschillende, met elkaar in vreedzame co-existentie levende, autonomistische literatuurbenaderingen. Zo dringen niet alleen invloeden uit het New Criticism steeds duidelijker door in de Nederlandse literatuurstudie, ook tekstimmanente benaderingen uit Duitsland krijgen begin jaren 1960 meer invloed door het werk van uiteenlopende auteurs als Günther Müller en Käte Hamburger. Deze autonomistische opmars werd zo’n vijf jaar eerder, in het volgens Mooij annus mirabilis 1955, ingeluid met werken van onder anderen Eberhard Lämmert (Bauformen des Erzählens), F.K. Stanzel (Die typischen Erzählsituationen im Roman) en Erlich (Russian Formalism: history, doctrine). Ook 1960 blijkt een belangrijk jaar voor de innesteling van de autonomistische opvatting met de tweede druk van Roman Ingardens Das literarische Kunstwerk uit 1931 en het eerder genoemde Verhaal en lezer van Blok, dat in Nederland al snel als het sleutelboek voor de ergocentrische romanstudie wordt gezien.

Revolutie!
De autonomistische literatuuropvattingen mogen dan geleidelijk aan doordringen in de Nederlandse literaire kritiek en academische literatuurstudie, een historisch-biografische benadering is begin jaren 1960 nog altijd goeddeels dominant. Tegen deze achtergrond vindt J.J.A. Mooij dat het roer radicaal moet worden omgegooid. De literatuurbeschouwing moet analytischer, en dat betekent: meer aandacht voor de tekst zelf, voor de compositie ervan, en minder voor historische en biografische bijzaken. Inspiratie vindt hij in het werk van René Wellek & Austin Warren (Theory of Literature, 1949), Wolfgang Kayser (Das sprachliche Kunstwerk, 1948) en Stutterheim (Problemen der literatuurwetenschap, 1953). Zijn recensies in NRC, maar ook zijn romananalyses in onder meer Tirade blijken in dit licht gezien ineens niet meer zo vrijblijvend; zij maken deel uit van een ‘programma, een project’ om de literatuurstudie te beïnvloeden en zodoende een paradigmawisseling op gang te helpen: ‘Toen had ik echt het gevoel dat het allemaal op een nieuwe leest geschoeid moest worden. En blijkbaar was de tijd daar rijp voor.’
       Mooijs ideeën lijken inderdaad precies goed in de plooi van de tijd te vallen. Begin jaren 1960 streeft D‘Oliveira bijvoorbeeld een grondige closereadingmethode na bij Tirade, die bij uitgever-ventist Geert van Oorschot en in de redactie echter geen voet aan de grond krijgt, maar vanaf 1962 door D’Oliveira met Kees Fens en J.J. Oversteegen zal worden uitgewerkt in Merlyn. D’Oliveira ziet zijn eigen analytische voorliefde terug bij Mooij, die hij eind jaren 1950 uitnodigt om in Tirade, en later ook in Merlyn, te publiceren. Mooijs opvattingen worden in bredere context gewaardeerd door letterkundigen, zo blijkt ook uit een uitnodiging van J.G. Bomhoff om in 1962 te komen spreken op het Nederlands Filologencongres. Zijn lezing over de mythe in de literatuur valt op zijn plaats in een cluster van lezingen over het symbool in de literatuur door Cornelis de Deugd en over de metafoor door Bomhoff zelf. En wanneer in 1963 Mooijs artikel ‘Over de methodologie van het interpreteren van literaire werken’ zijn weg vindt naar de collegebanken bij de neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam, wordt pas goed duidelijk hoe zijn analytische benadering aansluit bij de zich op dat moment voltrekkende paradigmawisseling binnen de literatuurstudie. Als niet-letterkundige bevindt hij zich plots als autoriteit in de voorhoede van ontwikkelingen op literatuurwetenschappelijk vlak – deels een resultaat van de ‘buitengewone gastvrijheid’ van letterkundigen, die geïnteresseerde buitenstaanders aanmoedigen om vooral veel binnen de literatuurwetenschap te publiceren en zo te helpen het relatief jonge vakgebied mede vorm te geven. Daarbij komt het heel goed uit dat zijn vrouw wel letteren heeft gestudeerd, namelijk klassieke talen. Dat leidt tot een verbreding van zijn literaire horizon en onder haar leiding maakt hij zich ook nog enig Latijn en Grieks eigen.
       Nu zijn opvattingen weerklank vinden besluit Mooij dat het tijd wordt om afscheid te nemen van Eduard Ternoo. Hij publiceert inmiddels regelmatig in het academische tijdschrift Forum der Letteren, en zijn rol van outsider is geleidelijk aan getransformeerd tot die van baanbreker die van binnenuit de literatuurstudie probeert te hervormen. Deze hervormingsdrang en voorkeur voor een analytische methode sluiten een zekere scepsis ten opzichte van alles wat nieuw en analytisch is echter niet uit. Vooral ten aanzien van letterkundigen met een al te grote neiging tot exactheid behoudt hij de nodige reserves: ‘Als wiskundige was ik niet al te gauw onder de indruk als mensen meenden het summum van exactheid te kunnen bereiken.’
       Zijn opvattingen mogen dan warm onthaald worden en hem in het brandpunt van Nederlandse literatuurwetenschappelijke ontwikkelingen plaatsen, het betekent niet dat Mooij zich openlijk aansluit bij de literatuurwetenschappelijke hotspots van dat moment zoals Merlyn. Hij houdt zich mede vanwege zijn prioriteiten in de filosofie ‘niet zo bezig’ met Merlyn, en heeft daarnaast als gevolg van zijn bèta-achtergrond geen vanzelfsprekende aansluiting bij bestaande tradities in de nog jonge Nederlandse literatuurwetenschap, op de manier waarop Sötemann en Oversteegen bijvoorbeeld verder werken in de lijn van W.Gs Hellinga. Diens linguïstische focus in de literatuurstudie, de wisselwerking tussen taal- en letterkunde, heeft echter wel Mooijs volle interesse, en ook de opvattingen van Oversteegen5 en de andere twee merlynisten over de te dichten kloof tussen dag- en weekbladkritiek enerzijds en academische literatuurbeschouwing anderzijds spreken hem aan. ‘Academische literatuurbeschouwing is ruimer geworden, maar de twee zouden in een vloeiende lijn met elkaar verbonden moeten zijn.’
       De ergocentrische literatuurbenadering raakt halverwege de jaren 1960 duidelijk geïnstitutionaliseerd in kritiek en wetenschap. De drie redacteuren van Merlyn worden herhaaldelijk benaderd door scholen en uitgeverijen met het – vergeefse – verzoek tot een uitgewerkte methodologie van hun opvattingen, waarmee duidelijk wordt hoezeer op brede schaal een professionalisering van de romanstudie wordt nagestreefd. Hoewel Mooij zelf ook meent dat deze gebaat is bij meer ‘grondigheid en verantwoord werken’, ervaart hij niet zozeer een noodzaak tot professionalisering. ‘Maar het is waar, Blok had wel iets van een systematicus zoals Gérard Genette, die wat later op het toneel zou verschijnen. Ook D’Oliveira had dat in zekere mate. Oversteegen daarentegen minder, die was wat speelser, spontaner, wat Barthes-achtiger zou je kunnen zeggen.’
       Aan het begin van de jaren 1970, wanneer termen als analyse, systeem, structuur, methodologie en wetenschappelijkheid de literatuurstudie in hun greep hebben, begint J.J.A. Mooij zich los te maken van een al te stringente ergocentrische opvatting. ‘Ik ben toen in gaan zien dat een meer contextuele benadering toch heel belangrijk is. De literatuur moest zeker gehandhaafd blijven als het centrale object van studie, maar in de strikte autonomie ervan geloofde ik niet meer; er moet geen exclusieve, eenzijdige oriëntatie op de tekst zijn.’ Deze mening wordt ook gedebiteerd door H.A. Gomperts, die zich in zijn oratie De twee wegen van de kritiek (1966) verzet tegen de opvattingen van Merlyn en een historisch-biografisch getinte literatuurbenadering bepleit.6
       Intussen had Mooij in 1969 alsnog besloten om op professioneel vlak een zijstap te maken naar de literatuurwetenschap. Voor een jaar vervangt hij een dag in de week de zieke Frank Maatje op het Utrechtse Instituut voor Theoretische Literatuurwetenschap. ‘Tot nu toe had ik alleen over literatuurwetenschap geschreven; ik wilde toen graag ontdekken hoe het beviel om er ook les over te geven en hoe het contact met letterenstudenten zou verlopen.’ Op dat moment is het erg onrustig in het Nederlandse universitaire bestel; studenten voeren acties en in Utrecht resulteert de onrust in een discussiedag voor staf en studenten over het onderwijs in de algemene literatuurwetenschap en de aard van het vakgebied. Mooij verzorgt in deze woelige periode onder meer een college over het symbool in de literatuur. Een jaar later, in 1970, besluit hij evenwel om het contract niet met nog een jaar te laten verlengen: uit Groningen komt de uitnodiging voor een fulltime hoogleraarschap analytische filosofie, en de keuze blijkt snel gemaakt.

De sexyness van Merlyn

Het zijn rumoerige tijden in de literatuurwetenschap aan het begin van de jaren 1970, wanneer een voorkeur voor empirisch onderzoek zich steeds duidelijker aftekent. Aan het Instituut voor de Neerlandistiek in Amsterdam wordt een heftig debat gevoerd omtrent de methodologische basis van de literatuurwetenschap.7 Ideeën van empirici als Hugo Verdaasdonk en Kees van Rees staan lijnrecht tegenover hermeneutische opvattingen. Daarbij is in 1970 Literatuurwetenschap: grondslagen van een theorie van het literaire werk van Frank Maatje verschenen, het boek dat niet alleen de institutionalisering van de literatuurwetenschap als vakgebied in Nederland onderstreept, maar ook de aanleiding vormt tot heftige en langlopende discussies over de theoretische fundamenten van het vak. ‘De titel ervan was buitengewoon ongelukkig gekozen,’ stelt Mooij in retrospectief, ‘alsof zijn boek normatief was voor het hele vakgebied.’ In de daaropvolgende kritieken, waarin Sies de Haan in Spektator
       Halverwege de jaren 1970 raakt de Nederlandse literatuurstudie beïnvloed door twee buitenlandse stromingen. Zo is er vanuit Duitsland de opkomst van de receptie-esthetica, met als voornaamste theoretici Hans Robert Jauss en Wolfgang Iser,8 maar ook poststructuralistische opvattingen uit Frankrijk en de Verenigde Staten van onder meer Jacques Derrida, Paul de Man en J. Hillis Miller vinden hun weg in de Nederlandse literatuurwetenschap.9 Invloeden uit onder meer het marxisme, de semiotiek, de ideologiekritiek, de psychoanalyse en de literatuursociologie dringen eveneens door, waarmee de overzichtelijkheid van de Nederlandse literatuurstudie uit de jaren 1960 definitief verdwenen lijkt.
       Te midden van deze methodestrijd vertoont J.J.A. Mooij echter de neiging rustig af te wachten en zijn eigen weg te vervolgen. ‘Dat was deels een mentale kwestie, een kwestie van temperament, maar ook in wetenschappelijk opzicht vond ik het van belang de voorgeschiedenis niet uit het oog te verliezen. Ik wilde eerst bekijken wat we gehad hadden, voor ik daar wat aan toe kon voegen. Dat leidde ertoe dat ik niet erg gespitst was op wat we in het komende jaar zouden kunnen krijgen.’ Tegen de stroom in blijft Mooij halverwege de jaren 1970 de continuïteit binnen de literatuurwetenschap benadrukken, net zoals hij dat in de jaren 1950 en 1960 deed: ‘Er was een hele lange, langzame trend van toenemende analyse die een biografische benadering verdrong en die niet per se close reading hoeft te zijn. Vaak was er sprake van typologieën, bijvoorbeeld van de soorten perspectief in de roman, van romantechniek. Ik ben geneigd in dat licht, dus in het verlengde van een lange, gestage ontwikkeling, de ontwikkeling van de romanstudie in de jaren 1960 te zien. Wat toen in Nederland plotseling doordrong was daarbuiten allang voorbereid, zelfs al vanaf de jaren 1920 met het werk van Percy Lubbock (The Craft of Fiction) en E.M. Forster (Aspects of the Novel).’
        ‘Wanneer je de invloed van bijvoorbeeld Merlyn bekijkt, betekent dat ook rekening houden met de context. Eind jaren 1940 kwam de trend op van een ergocentrische benadering, met het Amerikaanse New Criticsm, Das sprachliche Kunstwerk van Wolfgang Kayser in 1948 en Wellek en Warren in 1949, en begin jaren 1950 Stutterheim en Erlich. Daarna volgen bijvoorbeeld Käte Hamburger in 1957 en in 1960 Verhaal en lezer van Blok. In 1964 is er het proefschrift van Maatje over de Doppelroman, dat ik overigens vrij zuur besproken heb, en in 1966 volgt Sötemanns proefschrift over De structuur vanMax Havelaar. In deze trend paste Merlyn goed. Daar kwam bij dat Fens, Oversteegen en D’Oliveira goed konden schrijven en dat ze vooral over recente literatuur publiceerden; ze hebben destijds een flinke impuls gegeven aan de Hermansstudie.’ Die drie punten bleken net de juiste klik te geven tot het succes; het tot in detail ingaan op recente literatuur was in die periode sexy. Het feit dat Fens en Oversteegen daarna hoogleraar Nederlandse letterkunde werden, maar vooral ook Fens’ activiteiten als criticus leidden sindsdien tot een blijvende memoralisering van Merlyn: het tijdschrift bleef op die manier actueel, in plaats van geschiedenis te worden zoals bijvoorbeeld Libertinage
       Mooijs neiging om ook in de jaren 1970 de continuïteit te onderstrepen en zich in persoonlijk en professioneel opzicht sceptisch te tonen tegenover het utopische aspect van de nieuwe benaderingen, maakt dat hij zich enigszins afzijdig houdt van de op dat moment lopende theoretische discussies. ‘Het uitte zich enigszins in het cultiveren van een zekere antihouding. Maar misschien heb ik die wel een beetje te veel gecultiveerd.’ Ook Mooij onderkende destijds wel degelijk het belang van de methodologische debatten, het ging hem er alleen om dat de ‘literatuurwetenschap [...] geen speelbal moest worden van ideologieën. Ik heb de indruk dat die neiging er nog wel eens was, terwijl dat in mijn ogen helemaal niet nodig was. Verlies het object zelf, de literatuur, vooral niet uit het oog.’

Terug naar de tekst

Als hoogleraar filosofie blijft J.J.A. Mooij de eerste helft van de jaren 1970 duidelijk oog hebben voor recente letterkundige ontwikkelingen. Hij blijft publiceren over de literatuurwetenschap, en doet dat vaak vanuit filosofisch perspectief, zoals in ‘Problemen rondom literaire waardeoordelen’ (1973) en ‘Filosofie van de literatuurwetenschap’ (1974).10 Ook schrijft hij een boek over de metafoor (A Study of Metaphor, 1976), waarin hij taalfilosofie en literatuurtheorie combineert. Zijn ideeën blijven als voorheen algemeen waardering oogsten. In 1976 zet hij uiteindelijk toch definitief de stap naar de literatuurwetenschap, door het hoogleraarschap algemene literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen te aanvaarden. ‘Toen heb ik nog serieus geaarzeld of ik dat moest doen. Deels vanwege de filosofie, deels ook vanwege het vermoeden dat ik de literatuurwetenschap vooral als hobby zag, en het misschien niet zo leuk zou vinden om het verplicht als dagelijks werk te hebben. Maar mijn ervaringen in Utrecht waren een steuntje in de rug.’ Om het contact met de filosofie echter niet helemaal te verliezen bedingt hij ook een leeropdracht Filosofie van de literatuurwetenschap, die in de praktijk wordt gebracht met onder meer filosofische analyses van fictionaliteit.
       Zo tegen het eind van de jaren 1970 lijkt de methodestrijd op zijn heftigst: ‘De kwestie rees in die tijd dat interpreteren geen wetenschappelijke bezigheid kon zijn. Daar heb ik me toen echt tegen verzet. We hebben de literatuurwetenschap nodig om de literatuur te kennen en te begrijpen. Als dat dan niet op een perfecte manier kan, dan moet het maar imperfect.’ De Huizingalezing van Karel van het Reve uit 1978, die de discussie omtrent het wetenschappelijke karakter van de literatuurwetenschap nog eens extra aanscherpte, vindt hij in dit licht vooral ‘erg kinderachtig’. ‘Maar toch kun je er ook bepaalde lessen uit trekken. Letterkundigen moeten ervoor oppassen een opgeblazen jargon te hanteren, daar had hij wel gelijk in, dat werkt inderdaad averechts. Maar Van het Reve bracht dat in zo’n onwelwillende, retorische vorm, dat het ook weer niet echt een serieuze bijdrage was. Het is eigenlijk gek en onbegrijpelijk wat voor indruk die rede heeft gemaakt; nog steeds wordt hij aangehaald als het voorbeeld van een sceptische, cynische reactie op de literatuurwetenschap.’
       Niet alleen ten aanzien van de literatuurtheoretische discussies toont Mooij zich een eigenzinnige denker; zijn non-conformisme dringt ook door in het onderwijs waarvoor hij op dat moment als hoogleraar verantwoording draagt. Waar op veel universiteiten wordt meegegaan met de poststructuralistische trend die met onder anderen Paul de Man is overgewaaid uit de Verenigde Staten, verzorgt Mooij colleges over de geschiedenis van de literatuurbeschouwing en cultuurfilosofie. Daarbij geeft hij de voorkeur aan het werk van Wayne Booth (met name The Rhetoric of Fiction) boven dat van Paul de Man. Toch verzorgt hij ook enkele colleges over het deconstructivisme, hoewel hij daar weinig mee opheeft, en behandelt hij het dan pas verschenen boek De lust tot lezen (1988) van Maaike Meijer. In deze periode publiceert hij tevens essays over culturele onderwerpen in Hollands Maandblad, die, samen met andere stukken, gebundeld worden in De wereld der waarden. Essays over cultuur en samenleving (1987).
       Geleidelijk aan raakt Mooij uitgekeken op puur methodologische kwesties en ontwikkelt hij meer interesse voor het comparatisme. ‘In de beginjaren heb ik nog sterk de plicht gevoeld tot hoofdzakelijk theoretisch onderwijs, bijvoorbeeld over interpretatietheorieën, maar in de loop der tijd heb ik dat toch wat losgelaten en ben ik me meer historisch gaan ontwikkelen. Toen kwam er ook meer inbreng van concrete literaire teksten.’ Zijn eigen aandeel in het curriculum behoudt toch echter voornamelijk een theoretisch en filosofisch karakter en dat geldt ook voor de inhoud van onder zijn leiding tot stand gekomen proefschriften. Dat perspectief blijkt evenwel primair het resultaat te zijn van zijn eigen belangstelling en is allerminst een kwestie van een externe verplichting. ‘Ik sta daar nog altijd achter. Ik vind nog steeds dat een filosofische benadering van de literatuurstudie waardevol en onmisbaar is. Neem bijvoorbeeld het probleem van de fictionaliteit. Daar zitten logische en ontologische kanten aan, er is een relatie met de verbeeldingskracht, er is de taalfilosofische vraag naar de verhouding tussen het fictionele taalgebruik en andere vormen van taalgebruik (is het schrijven van fictie een eigen soort van taaldaad?). Dat zijn allemaal vraagstellingen waarbij je de filosofie nodig hebt.’
       Ook de systematiek van de kunsten, de relatie tussen verschillende kunstvormen en de positie hierin van de literatuur, spreekt hem tot op de dag van vandaag aan. ‘Het is een oud onderwerp, dat echter vlak voordat ik hoogleraar werd een interessante wending kreeg met het boek Languages of ArtFeeling and Form uit 1953, dat hij pas een jaar of tien later ontdekt. ‘Het boek van Langer zelf is inmiddels misschien wat gedateerd, maar ik zou graag, in het verlengde van dat werk, meer onderzoek zien naar de verschillen en verwantschappen tussen literatuur en andere kunsten.’ Vanaf het begin van zijn hoogleraarschap probeert hij dan ook om dit onderzoeksgebied onder de aandacht te brengen tijdens colleges en in diverse publicaties.
       In dit licht kan hij ook ontwikkelingen als het ontstaan van een jong vakgebied als Cultural Studies alleen maar waarderen: ‘De Cultural Studies zijn in bepaalde opzichten gerelateerd aan de systematiek van de kunsten. Wisselwerkingen tussen de kunsten zijn in beide vakgebieden aan de orde, evenals een analyse van hun verschillende mogelijkheden, en een bestudering van populaire genres en kunstvormen kan geen kwaad. Daarnaast hebben de culturele studies natuurlijk een belangrijke maatschappelijke component, juist tegenwoordig. Veel maatschappelijke conflicten zijn voor een deel culturele conflicten, of hebben daarin een achtergrond, en culturele studies kunnen bijdragen aan een oplossing voor die conflicten.’ Bovendien illustreren zij volgens Mooij op een frappante manier hoe de verteltheorie sinds haar monopolie in de jaren 1960 een weg heeft gevonden binnen bredere, contextuele benaderingen. Op deze manier blijft een van de voornaamste verworvenheden van vijftig jaar literatuurwetenschap een belangrijke rol spelen in de hedendaagse cultuurbeschouwing: ‘Ik beschouw de contextualisering van nieuwe benaderingen zeker als positief, maar heb wel het idee dat de ergocentrische tekstbenadering nooit helemaal verloren is gegaan en ook nooit volledig mag verdwijnen. Zij zal altijd moeten worden meegedacht in het debat over nieuwe benaderingen.’ In het verkenningsrapport over de stand van zaken in de hedendaagse taal- en letterkunde van de KNAW uit 2004 ziet hij deze poging terug.11 ‘Dat rapport gaf een state of the art waar ik me aardig in kon vinden.’
       Eveneens gelukkig is Mooij met de terugkeer van het morele aspect in de romanbeschouwing – een ontwikkeling waaraan hijzelf heeft bijgedragen met essays over de ethische dimensie van literatuur in De wereld der waardenLiterature and Ethics (1992) en in De lezer als burger. Over literatuur en ethiek (1994). ‘Tot 1950 was er in de romanbeschouwing zeker aandacht voor dit aspect, maar met de opkomst van het structuralisme in de jaren erna viel het vrijwel volledig weg – tot het in de jaren 1980 weer opdook en een bekroning kreeg in The Company We Keep van Wayne Booth en in het werk van Martha Nussbaum. De literatuurwetenschap wordt niet zozeer beter van deze terugkeer, maar wel adequater. Het was echt een gemis dat het morele aspect tijdens het structuralisme is weggevallen.’
       Iets soortgelijks geldt ook voor de biografische benadering, die tijdens de hoogtijdagen van het structuralisme tot taboe was verklaard en in de jaren 1980 weer enigszins terugkwam, om sinds de jaren 1990 weer volop in de belangstelling te staan. ‘In de loop van de jaren 1980 begon men te klagen dat Nederland geen biografische traditie kent. Het Prins Bernhard Fonds heeft toen veel geld ter beschikking gesteld om de studie weer wat op gang te helpen. Momenteel staat de biografie weer volop in de aandacht als wetenschappelijk genre en dat heeft ook voor de literatuurstudie gevolgen gehad. Er verschijnen veel biografieën van literaire auteurs, waarvan heel wat als proefschrift.’
       Ten slotte ziet hij ook de ontwikkeling van de literatuursociologie, zoals die onder Verdaasdonk is uitgewerkt aan de Universiteit van Tilburg, als een belangwekkende verworvenheid. ‘De nadruk op literaire instituties is zeker verrijkend geweest, evenals de uitbreiding van de literatuursociologie tot iets wat je misschien beter literatuureconomie zou kunnen noemen. En de consequente beperking tot objectieve, empirisch toetsbare gegevens is in een bepaald opzicht de moeite waard geweest. Maar was het niet ook een zelfverminking? In ieder geval gaat het hier volgens mij om marginale vormen van literatuurstudie; tekstanalyse speelt een uiterst ondergeschikte rol – of zelfs geen enkele. Het literaire werk wordt zoiets als een black box.’
       Mooij zelf zou juist liever de focus op de tekst willen handhaven in de hedendaagse literatuurstudie: ‘De autonomistische benadering keert natuurlijk nooit terug zoals in de jaren 1960, toen was ze vrij heftig bij wijze van reactie. Maar het zwaartepunt zou natuurlijk wel iets in die richting kunnen verschuiven.’ Wat dat betreft blijft hij nog altijd bij het standpunt dat hij tien jaar geleden in een interview met Odile Heynders en Jaap Goedegebuure omschreef: ‘Ik vind nog steeds dat het onderzoek van literaire teksten zelf de kern van de zaak is. Ik houd vast aan een soort tekstgerichtheid.’12



Noten

1. J.J.A. Mooij, De andere aarde. Maanreisverhalen door de eeuwen heen. Kok Agora/Pelckmans, Kampen/Kapellen, 1996.
2. Discussiedag op 14 maart 2002 ter voorbereiding van het verkenningsrapport ‘Gij letterdames en gij letterheren’. Nieuwe mogelijkheden voor taalkundig en letterkundig onderzoek in Nederland. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam, 2004.
3. J.J.A. Mooij, La philosophie des mathématiques de Henri Poincaré. Gauthier-Villars, Paris, 1966.
4. Victor Erlich, Russian Formalism: history, doctrine. Mouton & Co, Den Haag, 1955.
5. J.J. Oversteegen. Anastasio en de schaal van Richter. Bespiegelingen over literatuur, filosofie, literaire kritiek en literatuurwetenschap. HES Uitgevers, Utrecht, 1986.
6. Jaap Goedegebuure en Odile Heynders, Literatuurwetenschap in Nederland. Een vakgeschiedenis. Amsterdam University Press, Amsterdam, 1996, p. 19.
7. Idem, p. 18.
8. Idem, p. 25-26.
9. Idem, p. 29.
10. Beide artikelen werden later opgenomen in de bundel Tekst en lezer. Opstellen over algemene problemen van de literatuurstudie (1979).
11. Joost R. Swanborn (red.), ‘Gij letterdames en gij letterheren’. Nieuwe mogelijkheden voor taalkundig en letterkundig onderzoek in Nederland. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam, 2004.
12. Jaap Goedegebuure en Odile Heynders, Literatuurwetenschap in Nederland. Een vakgeschiedenis. Amsterdam Uni
uit 1946, deze laatste naar aanleiding van een nieuwe editie. Recent theoretisch werk, zoals W. Bloks een prominente rol vervult, mengt hij zich niet. ‘Ik vond de bestaande discussie wel genoeg, maar ik denk dat ik niet bijster positief over het boek was geweest.’ (1948-1953). van Nelson Goodman, waarin hij tekensystemen van diverse kunsten analyseert en classificeert.’ Een ander boek dat cruciaal blijkt in de ontwikkeling van deze interesse is Susanne Langers (1987), in versity Press, Amsterdam, 1996, p. 86.