Vormen van oneigenlijk gebruik: een dialoog

Verschenen in: Diclit. Van Nero tot Mao

J.H. de Roder:



In het perspectief van een themanummer over diclit lijkt er snel betekenis te kunnen worden gegeven aan de hoofdtitel van je pas verschenen essaybundel Oneigenlijk gebruik. Maar eerst de ondertitel: ‘Over de betekenis van poëzie’. Die betekenis is door de eeuwen heen altijd zeer groot geweest, veel groter dan tot nu toe is aangenomen door de professionals: de academische literatuurbeschouwers en poëziecritici (twee groepen die overigens grotendeels samenvallen). Maar over welke betekenis hebben we het dan? Ik denk over de vanzelfsprekendheid waarmee het genre werd gekozen om iets uit te drukken: verdriet, woede, bewondering, geluk, kritiek, commentaar, ga zo maar door. Die vanzelfsprekendheid werd niet zo lang geleden onverwacht mooi gedemonstreerd door Louis van Gaal. Tijdens zijn presentatie, op vrijdag 10 oktober 2003, als nieuwe technisch directeur van Ajax greep hij, de meest prozaïsche onder de Nederlandse trainers, plotseling naar de binnenzak van zijn colbert, haalde daaruit een stuk papier en las een gedicht voor, waarvan de eerste vier regels als volgt luiden:

     
Hier, bij Ajax, ligt mijn hart
      
een club, fascinerend, altijd apart.
      
Door velen genoemd naar godenzonen
      
voor mij, de bakermat van voetbaliconen.

Nooit heeft de sportjournalistiek zich zo ongemakkelijk gevoeld. Was het een grap? Nee, Van Gaal was heel serieus. Was dit een vorm van oneigenlijk gebruik? Volgens velen wel. Er werd zelfs met een zekere gretigheid aangetoond dat Van Gaal niet kon dichten. En inderdaad, het is geen sterk gedicht. Maar daar gaat het hier helemaal niet om. Het gaat erom dat we niet meer in staat zijn de vanzelfsprekendheid te herkennen waarmee poëzie als uitdrukkingsmiddel wordt gekozen door iemand als Van Gaal, omdat we de traditie van die vanzelfsprekendheid buiten de orde hebben geplaatst en die traditie dus ook niet meer kennen. Niet Van Gaal schiet tekort als dichter, wij schieten te kort in onze poëzieopvatting. Ik denk nog steeds, om iemand uit onverdachte hoek te noemen, dat Derrida hierop doelde toen hij schreef dat wanneer de mensheid weer helemaal opnieuw moest beginnen (als gevolg van een ramp) de poëzie het eerste middel zou zijn waarmee we ons weer zouden uitdrukken.


                                                                                                                      Geert Buelens:


Of poëzie inderdaad onze eerste uitdrukkingsvorm zou zijn bij een Nieuw Begin weet ik niet. Maar dat onze visie op het genre heel erg beperkt is (geworden), daarvan geef je met Van Gaal een prachtig voorbeeld. Heel opmerkelijk is dat, trouwens. Terwijl zeker de academische literatuurbeschouwing de afgelopen decennia doorlopend lippendienst bewees aan het functionalisme (heel expliciet bijvoorbeeld in de debatten ter voorbereiding van de meerdelige literatuurgeschiedenis van de Nederlandse Taalunie: ‘literatuur’ kent geen vaste invulling maar wordt – afhankelijk van de behoefte van maker en publiek – steeds anders gedefinieerd), heeft deze antropologische benaderingswijze nagenoeg geen rol gespeeld in onze gesprekken en discussies over poëzie. Niet over de hedendaagse poëzie, maar evenmin over poëzie uit de tijd van de verzuiling.
      
Voor de niet-moderne poëzie zijn we niet zo strikt. Dat marktzangers en domineedichters een sociale rol vervulden, spreekt voor zich. Maar vaak lijkt het alsof met de begrafenis door de Tachtigers van die laatste categorie enkel de zogenaamd autonome dichter overbleef in onze samenleving. Dat is natuurlijk een ernstige vertekening. Dat type autonome dichter speelt in, bijvoorbeeld, de Vlaamse poëzie nauwelijks of geen rol tot na de Tweede Wereldoorlog. Zelfs wie er zich van trachtte te ontdoen, werd in hoge mate bepaald door de Vlaamse Beweging. En ook in Nederland wonnen Perk en Kloos slechts tot op zekere hoogte het pleit. En dan heb ik het niet alleen over de socialistische verzen van Henriëtte Roland Holst of Gorter, maar vooral over die van de doorlopend herdrukte en gevierde Adama van Scheltema. Zijn werk (en dat van de min of meer vergelijkbare Vlaamse dichter René de Clercq) werd niet alleen via dichtbundels verspreid, maar ook als liedboek. Ook de absolute scheiding gedicht-liedtekst is veel recenter dan we vaak denken. En ook later – na de verzuiling, zeg maar – kende de poëzie een veel ruimere verspreiding dan wij ‘officiëlen’ meenden te mogen of kunnen zien. Heel bewust pasten we een blikvernauwing toe. In een van de stukken van Oneigenlijk gebruik staat het zo: ‘Zo bang is de Nederlandse poëzie geworden voor alles wat naar ideologie ruikt, dat ze zich verschanst heeft in haar reservaat vol fabeldieren, lege plekken en totaal witte kamers. (Wat natuurlijk ook een ideologische keuze is.)’ En dat geldt uiteraard voor de Franse, Duitse, Engelse … poëzie evenzeer.
      
In 1996 publiceerde Parmentier een nummer waarin de marginale positie van de poëzie in onze maatschappij niet alleen werd vastgesteld, maar zonder meer gecultiveerd en als de enig mogelijke voorgesteld. Totaal onbegrijpelijk is die houding natuurlijk niet, ook vandaag niet. Hoe zouden wij in een poëticaal bestel waarin Komrij, Kopland of Rawie de dienst uitmaken, een lans breken voor Toon Hermans, laat staan Louis van Gaal? Maar volgens mij gaat het dus niet over het breken van lansen. Het gaat over wat we al dan niet als legitiem willen beschouwen, welke gebruiken van poëzie binnen ons blikveld komen zodra wij verder willen kijken dan onze eigen smaak.


Lees meer in Diclit