Ezel

Verschenen in: De ontwikkeling

15 juli 2008. Hieronder begint het sluitstuk van ‘Zij’, het eerste deel van mijn roman die ‘Wij’ zal heten. Vandaag, kroniek van een aangekondigde dood, is ook de regering gevallen, na talloze stortbuien en een aardbeving in het zuiden van het land. Hoe vaak kan je zeggen dat de impasse compleet is? In België kan je dat een heel jaar lang, misschien zelfs nog langer, tot iedereen het nog louter heeft over het koninkrijk Impassië. Sire, er zijn geen Belgen meer. Er zijn slechts Impassiënten die zich Vlaming, Brusselaar of Waal noemen. Aan beide kanten van de taalgrens worden mensen beschuldigd van negationisme, racisme en haat. Ondertussen preekt een wat oudere christendemocraat over het nakende onheil. Zijn partijgenoten halen hun schouders op. Lachend vertellen ze aan journalisten dat hun befaamde partijgenoot, bekend om zijn pessimisme, de Apocalyps zelve als een tuinfeest voorstelt in vergelijking met wat het zwalpende België te wachten staat. Men mag zich afvragen of die beleidsvoerders zich werkelijk bekommeren over dit land en zijn bewoners in tijden van globaal economisch onheil. Het gras en de bomen zijn al wereldwijd aan het branden maar in dit land denkt men dat er een slecht afgestelde barbecue walmt, meer niet. Peter Sloterdijk zegt ergens dat het niet deugt reikhalzend uit te kijken naar het Einde der Tijden. Het maakt van de bevolking een meute passieve ramptoeristen. Maar hoe raak je uit zo’n apocalyptisch paradigma, zeker hier, in het koninkrijk Impassië? Doen deze tijden niet denken aan de beruchte jaren 1970 en ’80 waar men zich het liefst met communautair krakeel verwijlde terwijl de staatsschuld torenhoog werd en de werkloosheid wurgend? Blijkbaar kan geen enkele herinnering daaraan de navelstaarderij van onze beleidsvoerders (wat voor een beleid? waar? wanneer?) afremmen.
       In mijn roman moet het slechtste nog komen. Het jaar is 1976, de zomervakantie heeft al een orgie opgeleverd, beschreven in het vorige hoofdstuk. Het feest en de roes zijn nu compleet, wij vieren en zien niet om. Tot ook dat finaal een illusie blijkt, althans toch voor het hoofdpersonage van dit romandeel. Er is helemaal niks, of toch wreed weinig dat ons samenhoudt. Het wordt tijd dat de waanzin de virtuele werkelijkheid verdrijft. Het wordt tijd dat het brandt ...

Krijgen we nu dans of mime te zien? Beide kunstvormen zijn mij vreemd, en ik vermoed dat geen van de twee bij mij meer teweeg zal brengen dan plaatsvervangende gêne. Het maakt niet uit. ‘Onze vrienden verwachten ons’, prevel ik in de badkamer en in de spiegel zie ik me glimlachen. Ik fluit terwijl ik over mijn geschoren wangen wrijf. Mijn baard heb ik getrimd. Een centimeter minder gezichtshaar en deze mens voelt zich vijf jaar jonger. De alcohol van gisteren zindert al heel de dag plagerig na. Ik probeer zo koddig mogelijk ‘hophop’ naar de kinderen te roepen terwijl ik hun hun mooiste kleren aantrek. Ze bekijken me vrij dof en dan slaag ik er toch in om wat verbaasd gelach op hun gezichten te toveren. En meteen daarna krijg ik tranen in mijn ogen wanneer, als voor de eerste keer, via de halfopen deur van de slaapkamer de sierlijkheid van Katriens naakte rug aan mij wordt geopenbaard.

De noordkant van het gemeenschappelijke zwembad is volledig vrijgemaakt. Alle stoelen en tafels staan aan de andere kant opgesteld. Het talrijk opgekomen publiek heeft zich in avondkledij gestoken. Bijna alle vrouwen hebben een wit kledingstuk aan, de meesten van hen hebben een gehaakte sjaal rond hun schouders geslagen. Lore heeft veel goud en ivoor in de vorm van Incatekens, haaientanden en astrologische symbolen rond nek en polsen hangen. Eau de toilette en aftershave creëren een geurwolk als uit een gemeenschappelijke doucheruimte. Een glas champagne wordt door ieder fluisterend aanvaard. Er wordt geklonken en bedeesd gelachen. Katrien geeft een zacht tikje tegen mijn glas en schenkt mij een blik die recht naar mijn kruis gaat. Hier en daar murmelt iemand dat hij of zij nog niet volledig hersteld is van een kater maar verdere bespiegelingen over de avond tevoren worden zorgvuldig vermeden. Koenraad knijpt teder in mijn nek. Zijn vrouw wuift gelukzalig naar iedereen. Zoals gewoonlijk is ze compleet vervuld van zichzelf, maar het werkt besmettelijk. Alleen Flor, die de eerdere festiviteiten niet heeft mogen meemaken, doet nukkig, zeker wanneer hij mij met mijn gezin ziet arriveren. Achter zijn rug knipoogt zijn vrouw naar mij. Ik doe alsof ik het niet heb gezien. Ik heb haar naam gisteren uit de schaal genomen. En de mogelijkheid bestaat dat Danielle geen detail heeft weten te verzwijgen toen ze ’s ochtends wankelend haar villa bereikte. Beken, gij hoer van Babylon!

Geroezemoes wanneer Marguerite verschijnt, stralend, helemaal in het wit, en in het gezelschap van een bejaard koppel met twee grijze windhonden.
      
‘Dat is Vic’, zegt Fred en hij wuift naar de eigenaar van alles wat ons omgeeft.
       De man wuift vriendelijk terug maar komt tot licht ongenoegen van Fred met zijn echtgenote en zus niet aan ons tafeltje staan. Ze zoeken een plek aan het uiteinde van de gerangschikte tafels. De honden strekken zich uit aan zijn voeten en leggen zich meteen te slapen. Een van de barmannen snelt naar hun tafeltje om een bestelling op te nemen. Er wordt een ijsemmer met daarin een fles Veuve Clicquot gebracht, maar Vic zelf beperkt zich tot een glas vruchtensap.

 Neomiddeleeuwse bombast uit de luidsprekers.
      
Jongens en meisjes gekleed in zwarte maillots scheren als te zeer door de zwaartekracht geteisterde gieren naar voren tot aan de rand van het zwembad. In hun handen houden ze ruw geletterde doeken strak voor zich uit. Ik weet de eerste boodschap te ontcijferen als ‘O Fortuna’ en wat later meen ik ook nog ‘Vita Detestabilis’ te kunnen lezen. Maar de plas water tussen performers en toeschouwers blijkt een al te grote hindernis om alle flarden tekst goed te zien. De luide muziek heeft er wel voor gezorgd dat mijn kroost zich met horror in de ogen dichter tegen hun moeder drukt. Soms lijkt een van de maillotdragers te sterven waarna hij of zij als een held van het dansveld wordt gehesen. De algemene gewichtigheid die het ensemble over zichzelf afroept, kan nauwelijks de concurrentie aan met de champagne.
       Het is uiteraard weer Fred die het ijs breekt: ‘Spijtig dat Nicole er niet is’, fluistert hij heet in mijn oor. ‘Zoek de zeven verschillen.’
       De maillotjongeren doen nu iets met vlaggen op vage pianoklanken gecombineerd met iets waarvan ik vermoed dat het een xylofoon betreft.
       Adriaan komt zwetend en hijgend achter ons staan.
       ‘Gisteren nog in ons bloot gat’, kondigt hij aan. ‘Nu proper gekleed wat cultuur snuiven. Het is wat.’ Lore kijkt geïrriteerd in Adriaans richting. Hij spreekt te luid. We vernemen van hem dat de muziek over heel de berg te horen valt en daarna zoekt hij zich een plaats bij de bar. Een netjes geklede, bejaarde heer kruist hem. Het zou mij niet verbazen mocht dat de man zijn die een foto van Marguerite en mij heeft genomen toen we de ruïne bezochten. Een sirene blaast het pianogeluid weg. ‘Pauze!’ gilt een maillotmeisje. ‘Pauze!’ De rest van het dans- of mimegezelschap duikt achter de heggen die zijn aangebracht aan de trap naar het restaurant. Maillots worden over de struiken gesmeten. Gelach samen met daverend want opgelucht applaus.


Lees meer in De ontwikkeling