Het Chinese notitieboek

Verschenen in: De ontwikkeling
Auteur: Ron Silliman

Vertaald door Han van der Vegt & Arnoud van Adrichem

1. Eigenwijs wegen we woorden. Zelfstandige naamwoorden belonen voorwerpen voor betekenis. De vrucht in de lucht slaakt een zucht. Met niets staat hij in contact met de planeet.

 2. Telkens als ik de garage van een bepaald geel huis passeer, word ik begroet door geblaf. De eerste keer dat dit gebeurde, leek een instinctieve angst me te overvallen. Ik ben nog nooit aangevallen. Toch ben ik ervan overtuigd dat ik, als ik de garagedeur opendoe, oog in oog zou komen te staan met een hond.

 3. Chesterfield, sofa, divan, bank – zouden deze zaken naar hetzelfde voorwerp kunnen verwijzen? Zo ja, zijn het dan verschillende bepalingen van een enkel woord?

 4. Als kind noemde mijn moeder een pannenlap een ‘boppo’. De hele familie heeft de term inmiddels in gebruik genomen, mijn neven geven hem nu door aan hun kinderen. Is het een woord? Als het uiteindelijk algemeen gebruikt gaat worden, op welk moment wordt het er dan een?

 5. Taal is in de eerste plaats een politieke kwestie.

 6. Deze zin heb ik geschreven met balpen. Zou het een andere zin zijn geweest als ik een andere pen had gebruikt?

 7. Dit is geen filosofie, dit is poëzie. En als ik dat zeg, dan wordt het schilderkunst, muziek of beeldhouwkunst, als zodanig beoordeeld. Als daarbij variabelen een rol spelen, dan zijn die ten minste gedeeltelijk economisch – de kwestie van de distributie enz. Daarbij uiteenlopende tradities in de kritiek. Kan dit goede poëzie zijn, maar slechte muziek? Toch denk ik niet dat ik dit als dans of stadsplanning zou presenteren, behalve voor de grap.

 8. Dit is geen spraak. Ik heb het geschreven.

 9. Nog een verhaal, vergelijkbaar met 2: tot ver in de twintig had ik een afkeer van sigarenlucht. De sterke geur riep onvermijdelijk het beeld van warme, natte stront op. Achteraf beschouwd kan ik die associatie niet rationeel verklaren. Toen ik als lobbyist in de staatshoofdstad kwam werken, werd ik voortdurend omgeven door sigarenrook. Uiteindelijk leek de geur op te lossen. Hij viel me niet langer op. Daarna begon hij me weer op te vallen, maar nu was het een geur die ik associeerde met suède of leer. Zo kwam het dat ik sigaren begon te roken.

 10. Wat te denken van poëzie waarbij verrassing ontbreekt? Waarbij vorm, thematiek, ontwikkeling ontbreekt? Waarvan de taal belangstelling afstoot? Die zichzelf onderzoekt zonder nieuwsgierigheid? Zal die overleven?

 11. Roze en kastanje zouden we rood kunnen noemen.

 12. Legalistische definities. In sommige rechtsgebieden is er bijvoorbeeld geen veroordeling als er geen vonnis is uitgesproken, ook al is de verdachte schuldig bevonden. Opschorting van het vonnis, met proeftijd, zou daarom geen veroordeling zijn. Dit is van grote invloed op de referenties van docenten, of het recht om als advocaat of arts werkzaam te zijn.

 13. Ik zal niet betwisten dat deze vorm een andere traditie heeft, Wittgenstein enz., dan die waarbinnen ik hem presenteer. Maar wat is de impact ervan op de traditie waarbinnen ik hem presenteer?

 14. Beperkt Wittgensteins bijdrage zich uitsluitend tot de vorm?

 15. De mogelijkheid van een poëzie op de manier van Rosenquists schilderijen – specifieke representatieve details bijeengebracht in objectloze vormsystemen.

 16. Als dit theorie zou zijn en geen praktijk, zou ik dat dan weten?

17. Alles hier neigt weg van een esthetisch besluit, wat op zichzelf een esthetisch besluit is.

18. Ik heb een Chinees notitieboek gekozen, waarvan de dunne bladzijden niet mogen worden gesneden, met zes rood ingekaderde kolommen die ik 90 graden heb gedraaid zodat ze aan de boven- en onderkant zijn afgerond met gebogen lijnen, om te zien hoe dat het schrijven zou veranderen. Is het platter, luchtiger? De woorden die ik hier opschrijf zijn groter, bestrijken meer oppervlakte van dit tweedimensionale beeldvlak. Heb ik daarom de neiging kortere woorden te gebruiken – de impact van de bladzijde op het vocabulaire?

19. Omdat ik dit in blokletters schrijf, werk ik langzamer. Stel je luchtlagen boven de planeet voor. Een laag die dichter bij het centrum van de zwaartekracht ligt, beweegt sneller, terwijl de laag daarboven iets achter zal blijven. De laagste laag is de gedachte, de planeet zelf het onderwerp van de gedachte. Maar wat we vanuit de ruimte zien, is wat er door de traagste, buitenste laag van representatie heen schijnt.

20. Misschien is poëzie een activiteit en helemaal geen vorm. Zou Duncan dat een goede definitie vinden?

Lees meer in De ontwikkeling