Feuilles Volantes
‘Waarom willen we negativiteit lezen? […] Ik wil weten waar het goed, leuk, prettig, mooi en lekker is. En natuurlijk is dat subjectief. Maar dat vergeten we vaak, in ieder geval bij negatieve recensies. Als het slecht is, is het slecht. Dat moet toch anders kunnen. Te beginnen met boekrecensies. Stel je een verzameling van recensies voor, met alleen maar lyrische verhalen. Enthousiasme en emotie, blijdschap en gevoel stralen ervan af. En ja, soms ook liefde. Mooi toch. Zo is Why I Love This Book begonnen. Een website met alleen maar mooie verhalen.’...
Tijdschriften 2009 1: Armada; Streven
Armada – ‘Bloed en rozen’
oktober 2008
Negentig jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog stelt de redactie van Armada (‘Tijdschrift voor wereldliteratuur’) een nummer samen over ‘de literaire verbeelding van de Groote Oorlog’. Hierbij streeft zij geen volledigheid na en al evenmin een duidelijke afbakening van het materiaal. Het resultaat is een los-vast gecomponeerd maar gedurig boeiend prentenboek waarin enkele fragmenten worden belicht uit een nauwelijks in een adem te vertellen verhaal. Zowel klassiekers uit de oorlogscanon, zoals Ernst Jünger en Giuseppe Ungaretti als (mij) onbekende figuren als Witter Bynner en Thomas Boyd passeren de revue.
In haar inleiding tracht Jacqueline Bel de aanpak enigszins theoretisch te funderen met een verwijzing naar de tak van de letterkunde die zich bezighoudt met cultural memory. Tot een systematische analyse van de rol van literatuur in de constructie van een (gedeelde) herinnering – of wat het precieze doel van dit onderzoek ook is – komt het volgens mij echter niet. De stelling dat ‘[l]iteratuur […] niet meer bestudeerd [wordt] als een geïsoleerd fenomeen’ houdt vooral in dat auteurs zich niet al te veel zorgen hoeven te maken over de verhouding tussen tekst en werkelijkheid en ongedwongen (en tot lering en vermaak van het publiek) een verhaal kunnen vertellen op de grens tussen geschiedenis en letterkunde.
Drie inhoudelijk met elkaar verbonden essays vormen hiervan een mooi voorbeeld. Luc Devoldere vertelt met smaak over de oorlogservaringen van Gabriele d’Annunzio en Giuseppe Ungaretti. Beide Italiaanse dichters verbleven in de loop van het jaar 1917 in Santa Maria La Longa, een dorp in het Noord-Italiaanse Friuli, destijds een tussen Italië en Oostenrijk verdeelde regio waar beide landen elkaar langdurig bevochten. De vrijwillige infanterist Ungaretti schreef er op 26 januari de beroemde regels ‘M’illumino / d’immenso’, D’Annunzio was er gelogeerd als majoor van de luchtmacht. In 1918, zo schrijft Devoldere, zou hij duizenden pamfletten met een door hem geschreven tekst boven Wenen uitstrooien. Devoldere bespreekt ook de verheerlijking van de oorlog als ‘hygiëne van de wereld’ door de futurist Marinetti, en de poëtische opruiming in Ungaretti’s uitgepuurde verzen, maar hij lijkt vooral gefascineerd door de anekdotes (al klinkt dat woord in deze context oneerbiedig), en door de figuur D’Annunzio.
Het stuk van Ton Naaijkens gaat uit van de prikkelende gedachte dat de Oostenrijkse schrijver Robert Musil en Ungaretti zich tijdens de oorlog in hetzelfde gebied bevonden, ‘het stroomgebied van de Isonzo’. Biografie en literaire tekst vloeien onmerkbaar in elkaar over wanneer Naaijkens het heeft over Musils verblijf in de afgelegen gemeente Palai en zijn bijna-doodervaring in Zuid-Tirol – of over de verhalen die Musil hierover schreef. Wat Naaijkens bovenal boeit, is de bijna metafysische beleving van de natuur en het landschap bij beide schrijvers, bij momenten schijnbaar ver verwijderd van het oorlogsgeweld.
Het derde deel in deze Italiaanse triptiek is de tekst van Koenraad du Pont over de oorlogsdagboeken van Ardengo Soffici. Aan deze dagboeken valt zowel Soffici’s evolutie van een futuristische naar een traditionele, realistische schriftuur af te lezen, als de rol die zulke teksten vooral na de oorlog speelden ‘in de strijd om de betekenis van de oorlog’. Het ging er Soffici vooral om, aldus Du Pont, het strijdvaardige patriottisme te verdedigen tegen het pacifistische internationalisme van de Italiaanse socialistische beweging.
Hoe schetsmatig en bescheiden van opzet de hierboven aangehaalde beschouwingen ook zijn, ze leggen onmiskenbaar iets bloot van de kloof tussen de feiten, idealiter geregistreerd door de militaire historiografie, en zoiets ongrijpbaars als ‘de herinnering’ (ook van diegenen die het niet hebben meegemaakt). Die is immers gevormd en gekleurd door ideologische en artistieke conflicten, door lokale politieke gevoeligheden, en door de technieken en particuliere curiositeiten van kunstenaars die de oorlog hebben verbeeld.
Behalve Italië komen ook België en Nederland in enkele artikelen aan bod. Zo bespreekt Jacqueline Bel oorlogsdagboeken van de Vlaamse auteurs Virginie Loveling, Karel van de Woestijne en Stijn Streuvels, waarbij vooral ‘de verrukking’ en de fascinatie voor het oorlogsgeweld van deze laatste opvalt. Bel lijkt deze doos van Pandora echter liever niet te willen openen. Marc Reynebeau gaat nog eens in op de activistische escapades van de piepjonge dichter Van Ostaijen. Een erg opmerkelijk voorbeeld van de aandacht voor België in de Engelstalige oorlogspoëzie is dan weer A Canticle of Praise (eind 1918) van de Amerikaanse dichter Witter Bynner. Geert Buelens introduceert dit vreemde gedicht/hoorspel, waarin Bynner, verwijzend naar de Duitse overrompeling van België, de geallieerde overwinning bezingt als een triomf van de Amerikaanse waarden. ‘O wees blij dat Amerika er is / Wat ze ook beweren / Vandaag wendt de wereld / Zich tot Amerika voor liefde.’
Streven
oktober 2008 – www.streventijdschrift.be
Ongeveer vijftien jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, in oktober 1933, verscheen ‘het eerste officiële nummer van Streven’. Dat wil zeggen: een voorloper met dezelfde naam was twee jaar eerder al verschenen, maar in 1933 nam het tijdschrift als blad van ‘de studenten van Sint Ignatius Hooger Handelsinstituut’ in Antwerpen een nieuwe start. Mijn kennismaking met Streven enkele jaren geleden was nog een enigszins bevreemdende ervaring (zie DW B 2005 2), maar nadat de rook om mijn hoofd was verdwenen, ben ik het gaan waarderen als een toegewijd, geëngageerd en zorgvuldig blad. In dit themanummer viert Streven zijn vijfenzeventigste verjaardag, en blikt het terug op enkele bewogen episodes uit zijn verleden.
Bijzonder interessant is het stuk van Georges de Schrijver over de aandacht van Streven voor de Zuid-Amerikaanse bevrijdingstheologie. Het is een beetje jammer dat de auteur terugblikt op zijn eigen verslaggeving van toen (1983-1985) en dat een duidelijke standpuntbepaling ontbreekt, maar het stuk levert een boeiend inkijkje op in de jezuïtische beweging. De Schrijver bezocht in 1984 onder meer Nicaragua, waar hij zag hoe jezuïtische priesters en marxisten samenwerkten in de sandinistische regering, tot grote woede van het Vaticaan. In een artikel uit 1984 ontmaskerde hij een poging van kardinaal Ratzinger (de huidige paus) om de bevrijdingstheoloog Sobrino van een marxistische trouw aan de geschiedenis, ‘een binnenwerelds eschaton’, te beschuldigen. Wat voor een niet-ingewijde een bizarre discussie over woorden lijkt (wat is ‘het laatste’: het mysterie van het leven en dus God, of het leven van de mensen, en dus de geschiedenis?) is in feite een ingrijpend geval van bedrieglijk citeren en kwade trouw.
Behalve betrokkenen als De Schrijver, Herman Simissen (over Streven en het nationaalsocialisme) en Joris Gerits (over het probleem Walschap) komen in dit nummer ook buitenstaanders aan het woord die de discussie verbreden. Mathijs Sanders belicht de spanningen tussen de verschillende katholieke tijdschriften in Nederland tijdens het interbellum. In de hoogdagen van de verzuiling hadden (literaire) tijdschriften als belangrijkste doel ‘het versterken van groepsbewustzijn’. Sanders wil echter het beeld van een homogene katholieke zuil nuanceren door de aandacht te vestigen op meningsverschillen binnen de zuil: het tijdschrift De Gemeenschap (met Jan Engelman en Anton van Duinkerken) profileerde zich als een kritische en zuiloverschrijdende voorhoede die de cohesie van het Nederlandse katholicisme ondermijnde.
Harold Polis stelt zich ernstige vragen bij de overlevingskansen van papieren media en ‘slecht verdeelde papieren tijdschriften met een minuscuul lezersbereik’ in het bijzonder. De sneer naar het lezersbereik is ten dele naast de kwestie: leert de geschiedenis niet dat men het belang van tijdschriften niet (alleen) mag afmeten aan de oplage? Bovendien is de discussie over het bereik niet helemaal dezelfde als die over het medium. De belangrijkste boodschap van Polis is echter dat enkel een (gedeeltelijke) digital turn de literaire cultuur kan redden. Als gewillig slachtoffer van wat Polis ‘papierfetisjisme’ noemt, vind ik dat een akelige gedachte, die bovendien als een selffulfilling prophecy dreigt te werken.
Zelfs al zou de digital turn grotendeels onafwendbaar zijn, dan nog stel ik me vragen bij het optimistische, nogal naïeve beeld dat Polis schetst van de zogeheten prosumer, ‘iemand die tegelijk consumeert en produceert, leest en meeschrijft’. Het lijkt wel alsof ik Walter Benjamin lees: technologische innovaties zullen de artistieke productieverhoudingen revolutioneren en van de passieve consument een actieve kunstproducent maken. Het prosumer-model is trouwens niet afhankelijk van de digitale revolutie: op kleine schaal kunnen uitgerekend ook tijdschriften die cirkel van produceren en consumeren creëren, waarbij lezers vaak ook (occasionele) medewerkers en auteurs zijn – en auteurs worden. Maar misschien reageren sceptici hierop met een dodelijk quod erat demonstrandum – de bovenstaande apologie bevestigt precies de nood waarin het papieren tijdschrift verkeert? En toch: waarom zou het papieren medium niet naast het digitale kunnen blijven bestaan? Beide vervullen immers een andere functie.
Het valt enkel toe te juichen dat een cultureel-maatschappelijk tijdschrift nadenkt over zijn eigen verleden, zijn maatschappelijke en materiële bestaansvoorwaarden en over zijn toekomst. Streven zou wat mij betreft een heel nummer mogen wijden aan bijvoorbeeld de houding die jezuïetentijdschriften als Études, Studiën en Streven zelf in de jaren 1930 aannamen tegenover het nationaalsocialisme – nu gaat Herman Simissen nogal licht over enkele minder fraaie details, om te concluderen dat ‘van meet af aan […] kritisch over de nieuwe Duitse regering [werd] geoordeeld’. Maar dit is al een mooie aanzet.





