Love Is Here

Verschenen in: Aangespoeld
Auteur: J.Z. Herrenberg

       Stil.
       Kille mist.
      
Flats, alom, dof.
      
Kef, kort.
      
Bek. Nek. Een hond, bont.
      
En een band. Stok tikt bot. Een hand en een mouw en – een man, hompelend en nors, colbert een vod, op zijn romp een stoppelige kop, die krachtig kwat.
      
De hond, nek gestrekt, snuffelt voort, speurt schuinweg door naar zijn beste plek in deze woestenij tussen dof gloeiende flats en keft, kort.
      
Stopt.
      
Wroet. En wroet.
      
Piest.
      
Poept …
      
En springt erna blij op, ten spel!
      
Echter, de bazin, kil, schopt hem te gronde, fixeert het dier, dat zielvol piept en peinst, stil.
      
Grijnsjes verwringen haar kattengezicht. Vrouwtje knikt.
      
Ze neemt, gebukt, de hond zijn bonte dekje af, wikkelt, gehurkt, haar rotte scharminkel in prikkeldraad en rukt dat, herrijzend, verbeten klem.
      
Het bungelende beest, geil, het bungelende beest gilt!
      
Ligt.
      
Bedaard kijkt ze neer, hijgt ze na.
      
Slentert weg.

      
Empersende!
      
Van je kalende top tot je kalkrijke teennagels, zo stinkveel als ik van jou hield! En nou, nou ben ik je voor altijd kwijt, niemand vult meer die krater in mijn borst, nee, nooit niet, ik ben nergens meer, je Geesje is niks.
      
Ach, ik weet het, ik ben een verstokte romantica, ik weet het, hij zei het zo vaak, maar eerlijk, ik kon zijn pis wel drinken – Danaë en haar gouden regen –, ik zou, zonder dollen, ik zou wel kaviaar uit zijn oksels hebben kunnen eten, zo verkikkerd was ik …
      
Empersende!
      
Voorbij, voorbij.
      
Neem me het alsjeblieft niet kwalijk dat ik zo lig te weeklagen, schat, ik kan er niets aan doen, ik voel me huilerig, hol en verzwakt, een klankkast waarin alleen nog maar het vleesloze verleden kan loeien.
      
De nacht is koud en verschrikkelijk, een loden, sterloze leegte.
      
Kut! Wees blij dat je met zo’n man hebt mogen werken!
      
Ach ja, dat mysterieuze prozagedicht, ‘Baas en Hond’, ik hoor het hem nog zeggen, troostend schenkt de herinnering mij de innerlijke schijn van wat eens een concreet kloppende werkelijkheid was. Ik hoor Empersende diep in mijn koele schelpen, ja, ik zie hem hier in mijn eenzaamheid, zoals hij staat te acteren, zoals hij die snijdende woorden gewoonweg staat te dirigeren voor ons grote bed, mijn donkere Furtwängler, en hoe Pieter daar, of hij nou wil of niet, ontroerend geconcentreerd zit te luisteren met gesloten ogen, omdat zijn muzikantenoor wel gestreeld móest worden door zo’n perfect bekkende tekst!
      
Zijn zwarte cape zwaaide, ruiste als een vleugel, de ringetjes aan zijn riem rinkelden lichtjes, zijn sterke armen, die me soms droegen (de branding in van, o.a., Zandvoort, Monster en Terschelling), boetseerden vormen in de lucht, terwijl de Afrikaanse donder van zijn stem maar rolde, imperatief, o hoe kon die niet galmen, ze vulde de luxueuze ruimte met haar hoge plafond volledig als ze dat wilde!
      
Zijn orgaan, dat weet ik nog zo goed, was èn hard èn warm, bikkelwin­ter en schuimpjeszomer, voor iemand als ik een onweerstaanbare combinatie, die hem ook fysiek, met zijn uitgerekte en toch knuffelig gevulde lijf, zo bereaantrekkelijk maakte, een superteddy. Bij het formidabel ingezette ‘Stil’ had het intieme gezelschap abrupt gezwegen, als berispt, zelfs de vrouwe­hoer des huizes, en de gezichten, uit de plooi door een overlang change­ment, waren snel weer op waakzaam en gretig ingesteld.
      
Regen sfeervol op de achtergrond, was men geboeid van Empie gaan smullen …

Wat is liefde? Een buffer, een hele broze buffer tegen overbodigheid, jeuk en dood. Hij wist dat, zoals hij alles wist, en ik weet dat nu. Hij heeft me nooit met eeuwigheid bedrogen, nooit – Empersende is het enige ware geloof geweest dat ik ooit heb aangehangen (en voor ik iets aanhang, hijg je eerst door een woestijn van barre twijfel!). Een momentje uit de derde maand van ons zieleneen-tweetje, gelicht uit vele soortgelijke, maakt misschien duidelijk wat ik bedoel.
      
In opperste overgave spuwt zijn slang het wit van begin en einde copieus in mij, en Stoop hier volgt met enige vertraging en stukken minder spectaculair (de binnenpret van het vrouwe­lijke orgasme). Hij, ik, bonkend, we kijken elkaar aan uit smartelijk zoet gebroken ogen.
      
—Ik wil je niet verliezen, nooit, fluister ik, inderdaad een beetje zwak en sentimenteel (alles was nog zo nieuw toen). Ik weet, ik weet dat het een keer moet, maar flik me dat nooit, hoor je?
      
Stoer tracht ik de vloed te keren die stom achter mijn ogen prikt en brandt, maar helaas, de dijk is verzadigd, pure emotie overmant me en ik begin zachtjes te janken van mijn eigen tegenstrijdigheid.
      
Empersende aait me lachend over mijn schokkende bolletje en schouders.
      
—Mevrouw verwacht zoals gewoonlijk weer es het onmogelijke van me! bromt hij gemoedelijk in mijn gloeiende oor, op de toon van een overvraag­de heiland. Mijn macht strekt zich toch alleen maar uit over het leven, Gezepeesje? En zelfs dat slechts ten dele. Zolang ik er ben, ben ik er voor jou, met jou. En met mezelf, altijd met mezelf. Mijn bevoegdheden lopen tot de dood, wat dat ook is. Daarna moet ik jammer genoeg opgeven, lieve schat.


Lees meer in Aangespoeld.