Euryphaessa

Auteur: Joris Vercammen

Dat smalle reepje aan de horizon is St. George. Per week overstroomt het als, entwat een paar keer.
       Lukács. Beste man. Ik stel hem voor. Hij zegt niet veel, hij heeft een zwarte hond, hij denkt na en is voor het dwijnen van de zee, voor de duivenvlucht van de revolutie ook en tugende op ’t middaguur, krijgt de kust een andere kleur, en ik merk dan van het grote nauwe denken schiet weinig meer over. t Gelden van de bedoelde bomen, dat houdt een mens dan bezig. Als de toren midden vloed zich weet omsloten door water kan het vernihten. Van eerst ontwekt het op de eeuwelingen een trage schaduw. Het lijkt of er nooit meer land komen zal, en met het geluid van de naderende wind, als op een heldere ijzige winterdag slipt het vertrouwen in de regelmaat van de zee en de gele maan onhoorbaar weg, en zoekt men naar zekerheid.
       In mijzelf verdween die nacht de glimlach, verder dan de paar woorden binnensmonds uitgesproken. Eigenlijk wilde het niet eens nodig zijn om altijd te lijken deinen op wat er vanwege een strandwandeling opstuift, de emoties. En de donkere wolken gesîn van op het gestân in de glîcheid werden met de passerende meeuwen het geblêr van hun kroost in de takken aan de kliffen van de kust niet minderen penetrant. De dag komt dat het water tot daar zal komen en al die schone nestjes zal optillen en wegdragen over het water. Einvaltîc zijn gebouwsel en bouwer zelfden; wierpen ze een gelijkaardige schaduw af wist Lukács, en hij wilde maar wat graag uit dit stomvervelende bouwsel weglopen, maar hoog stond het water en zorgen wateren nooit zo dat er één en ander voor opzij moet gezet? Het dichte water drumde beneden aan de stalen deur. In de zeegeluiden vermengde zich de lusteloosheid van de regen waarin de meeuwen verkleumden. Geen neerslachtigheid van enige mist die ze dempt, maar slechts zachtheid van een paraplu, of een toren.
       Op ’t verstuiven vil redenen ungemache, de wielman kent de problemen, in het bos werden geregeld een arbeider, of arbeiders niet tot de klasse van de mensen gerekend, ze rekenden zich tot de bomen, de eiken, de laurieren. De vuls arm, en als ’k terugkom, dacht Lukács, dan niet tot deze mensen die leven als machines, maar als de mensen die moesten ophouden te verschijnen. En omdat over het continent zich waarschijnlijk nog niet veel mensen echt wakker wisten, kon er vermezzen opgeroepen worden tot nieuwe boeken, en de verwensbare nachtîgaal zong haar werk, dar umbe, met erotische stem. Een grote stempel werd gedrukt. Arbeiders werden bomen, en vogels huisden in hun takken, en maakten daarmee het onderscheid, mens – wereld. Lukács dacht er het zijne van. Verstoppen heeft geen zin, het zit hem in het onzekere voor het zekere, en de guot mens, te worden, werd hij niet veel eerder dat?

In de toren was het moeilijk te volgen, hoe alles ging, met een zekere spelruimte voor at erbildet werd in het nadenkende hoogste waar het licht en de wind in de vinsternis samenkwamen, daar werd men gewaar, waar het liehte in de verdere lege kamer, binnen, wit verontschuldigd werd. Buiten was aardedonker, het licht als één straat op het water, dat witroze ivoor. Van de onderhave genoten stad, achter op het land, zag men nauwelijks iets. Met een boogje sloop Lukács om de voorwaarden heen. Zulke dinc van ’t groen af waar zich buiten het streuvelhaar, de grashalmen in de zwarte vlakte, boven de rotsen een stug tapijt op een donkere grond. In de toren, turm van het zandtongetje waarover het speurde werd niht het glîchlige gelezen, koningszonen dacht Lukács, werden tussen distels en breiden van werkelijk faliekante aanschouwers gebrust. De mens was als velen tegelijk, en ik zat erbij, met een vooruitstekend gezicht van hem en het water en de wind buiten, in het glas dat sterk bleek want niet brak. ‘Te vroeg, of te laat; dat zijn de meeste mensen uiteindelijk allemaal’, Lukács zweeg verder, ik vond dat oké zo. Bij het niht sünde van het toen aanwezige onraad, de bewegingen van een achterlijk land in de steen van een lichtbrakende toren. ‘In mijn hond woont geen mening, dat heb ik toch nooit zo kunnen ontdekken.’ De bundel licht ging over het hoofd van de zwarte, ogen op de grond, oren in de nek. Lukács drentelde toen maar rond. Geen motto van een moderne revolutie, maar één om oren en ogen van om te draaien. In de nek van het dier stak de halsband als een grote diamant de lucht in. In de waggelwolken over het binnenland werden de juiste waarden gemeten. Over het vlakke land woei een wind die naam waardig, want erschînet daar een enwachet watte met in de vijvers, en de bossen, in de steden van alle Europai landen. En Lukács wist wat hij wist.
       Het pleite izent besliuzet, net hij keek diep naar beneden, en lieten de meeuwen iets vallen? Op het briefje stonden niet veel meer dan wat kribbels, in gedachte gekribbeld, door tminnesterie van de wind en de zee. Het vloog ver, en werd boven de orgelende zee even onvast ontheven als een klein meesje. Vanwaar het met de deining een nieuwe liefde opende voor het hele, de ganse zee, zoals ze in de dorpen rond St. George spreken. Ik zat nog steeds, Lukács keek uit over het strand, maar wist zich goed bewust van al wat er zich achter hem afspeelde. De nacht had hij beter opgelet met de opwaardsstriemen op zijn gezicht getrokken, werden vele maandlonen in de vele dromen behandeld, niderwert, werd het waardeloos. Ondertussen kon ik niet anders dan allerlei dingen denken over de arbeiders buiten, in het zand ondertussen met hun armen open en op hun gezichten de rampspoed. Lukács kon hun niets ontzeggen, vandaar is de zon voor de eerste keer helder en stralend boven de zee opgekomen, en konden de bewîsunge, an het eerste Lauwe, aanrakingen maken met de arbeiders die stonden te wachten. In het bos achter de duinen gingen de slagbomen omhoog, over Het Lager kon ik niets zeggen dan dat het me lelijk leek, zo cirkelend te vallen, en Lukács die me zag nadenken kreeg vermoedelijk een glimp getân van wat er zich een moment door de lucht bewoog, in mijn glimlach en al, en voor de jaloezie, de emoties die hij kende en mocht beleven – kende hij door en door – werd door mijn lijftocht obenân gebracht op het naar ’t water wieken van de meeuw. De striemen in zijn gezicht verdwenen en hij kreeg een gemakkelijke mond, één die veel sprak, en in het geheel niet over politiek.


Lees meer in hij zal door alles heen groeien.