Tijdschriften 2011 4: Terras; Kluger Hans; Deus ex Machina

Auteur: Sven Vitse

Terras
juni 2011, nummer 00 – tijdschriftterras.nl


In een tijd van tot staatmanschap verheven lompheid en rancune kan het verfrissend zijn om het glas te heffen op een nieuw literair tijdschrift. De eerste ‘papieren editie’ van Terras – een forum met een stevige internetpoot – verscheen in de onzalige week waarin de Nederlandse staatssecretaris voor Cultuur zijn barbaarse beleidsplannen bekendmaakte. Die plannen, die op 27 juni door de Nederlandse Tweede Kamer werden goedgekeurd, behelzen onder meer het schrappen van de subsidies voor literaire tijdschriften. Door deze wrange timing kreeg de lancering van Terras een symbolisch gewicht dat de redactie niet gezocht heeft, maar dat niettemin zijn stempel drukt op het blad. Daarbij komt nog dat Terras zich opwerpt als ‘bewaarder van de literaire erfenis van Raster’ (vandaar het anagram Terras). Het is precies die erfenis van openheid en kritisch denken – en jawel, van moderniteit en verlichting – die het huidige Nederlandse kabinet openlijk naar de prullenmand verwijst, zo blijkt uit zijn opvattingen over onder meer onderwijs, cultuur en migratie. Dit zijn grote woorden die ik liever niet gebruik, maar andere heb ik er op dit moment niet voor.
       Dat neemt niet weg dat Terras op zijn eigen merites moet en mag worden beoordeeld, en dus niet louter in het licht van de steeds driester wordende oorlog tegen al wat afwijkt van het hardvochtige neoliberale dogma. En verdiensten heeft het nieuwe blad zeker, vooral op het vlak van vertalingen van buitenlandse literatuur. De vertaalde auteurs worden bovendien elke keer summier ingeleid door de vertaler of door een redacteur.
       De ‘voortrazende stroom van associaties, ideeën, denkbeelden, feiten en fantasieën’, die Mischa Andriessen aankondigt in de poëzie van de Australiër Les Murray, viel me niet meteen op bij de lectuur van diens bedachtzame gedichten (vertaald door Maarten Elzinga), maar dat maakt ze niet minder treffend. Op een beeldrijke, haast tactiele schets van citrusgaarden laat Murray een bevreemdende slotstrofe volgen: ‘Onder Hollywood, zoals overal, / lijken de bomen van elke gaarde / op sprookjesachtig open / zakken met goud, die alleen / aan de grond zijn vastgebonden.’ Staat Hollywood hier voor de drang om alles tot ruil- en spektakelwaarde te reduceren? Uitgesproken cultuurkritisch (en tegelijk vindingrijk en springerig) is het gedicht over het uitgestrekte Australische landschap dat moet wijken voor de westerse haast- en bewegingshysterie. Murray contrasteert ‘de wegen / blinkend voorbij oponthoud, / popelend om voorbij te razen’ met de vroeger geteelde ‘brandstof voor de paarden / die destijds langs de wegen zeulden’. Een tikkeltje conservatief? Welja, men zou haast in deze respectloze tijd.
       Erg aan te bevelen zijn ook de gedichten van Monika Rinck, vertaald door Hélène Gelèns en Miek Zwamborn. Haar zogeheten ‘honingprotocollen’ zijn tegelijk ondoorgrondelijk en opgewekt van toon, tegelijk filosofisch en op moeilijk benoembare wijze kolderiek. Het gedicht ‘Voelsprietkijkervis’ gaat aan de slag met de binaire oppositie duister/helder en vindt in de titelvis een exponent van wat ‘zich onder duidingsdruk evengoed / ook zou kunnen verduisteren’. Genoemde vis ziet ‘wat wel doorzichtig / maar duister is’, hoewel hij ‘blind’ blijft ‘voor zijn eigen hupseflups’. Wat dat laatste is, weet ik niet precies, maar iets zegt me dat deze vis gedichten van Rinck leest. Daarbij komt een voorliefde voor paradoxen goed van pas, voor beweging die verkeert in ‘roerloosheid’, lichtheid in zwaarte (‘Keren’), en voor ‘plekken, die voor mij totaal plekloos zijn’ (‘Het onmogelijke’).
       Terras biedt echter niet uitsluitend poëzie. Een van de blikvangers in dit nummer is het essay van Janneke Wesseling over het fenomeen ‘horizon’ in de beeldende kunst. Wesseling slaagt erin een prikkelend stukje kunst- en ideeëngeschiedenis te schrijven aan de hand van de introductie én de verdwijning van de horizon, ‘als grens tussen gezichtsveld en oneindigheid’. De geschilderde horizon als de visuele vertaling van het geloof in vooruitgang, verzoening van het aardse (menselijke) en het spirituele, én van de bijdrage die kunst daaraan haast vanzelfsprekend levert. Andere blikvanger in deze aflevering is het verhaal ‘Gemeten maten’ van Richard Powers, de geschiedenis van de lectuur van een roman die tegelijk een brok westerse cultuurgeschiedenis is. Daarnaast biedt dit Terras nog veel smakelijks: gedichten van Tonnus Oosterhoff, proza van Pierre Michon en een essay van Anneke Brassinga. Afsluiten doe ik met een vers van Russell Edson, ingeleid en vertaald door K. Michel: ‘Een toren bukte zich om aan een bloem te ruiken en barstte in stenen uit.’ Dat vind ik nu aardig.


Kluger Hans
juni 2011, nummer 10 – klugerhans.web-log.nl


De redactie van Kluger Hans heeft met die van Terras gemeen dat ze niet bang is om tegen de keer in te gaan: in een periode waarin enkele literaire tijdschriften ermee ophielden, startte zij vrolijk een nieuw blad. Het tijdschrift is ondertussen aan zijn derde jaargang bezig en is om een of andere reden in deze rubriek tot op heden koppig genegeerd. Nochtans is Kluger Hans een sympathiek blad dat soms verrassende vertalingen brengt, vaak jonge auteurs publiceert en bovendien fraai vormgegeven is. De kwaliteit van de teksten is altijd wisselend geweest, met voltreffers en missers, en dat is in dit nummer niet anders.
       Een eerste voltreffer is het gedicht ‘Lukoil’ van de Oekraïense dichter Serhij Zhadan. Poëzie als politieke satire: Zhadan neemt de heerschappij van maffioze zakenlui (en hun politieke vertegenwoordigers) in het postsovjettijdperk onder vuur. Met Pasen herdenken allen hun doden, zo ook ‘de regionale / vertegenwoordigers van Russische petroleumbedrijven’ wanneer ze ‘de zoveelste / broeder met weggeschoten longen’ ter aarde bestellen. Eveneens in het kader van Poetry International plaatst Kluger Hans een lang gedicht van de Roemeen Ion Mureşan. ‘Het pak slaag’ is een merkwaardige vertelling over alledaags geweld. In een café valt een ‘m’nier ingenier’ een ‘kaalkoppie’ aan, terwijl de ik-verteller een dreun op zijn kop krijgt en onder tafel duikt. ‘Hier onder tafel heerst vrede’, klinkt het cynisch. Het geweld is er echter niet te negeren, want onder tafel spelen broer en zus een behoorlijk gewelddadig huisje na. Ondertussen neemt het cafégeweld haast lieflijke vormen aan: flessen, ‘frêle als een jongemeisjeskuit, vliegen / in lange, tjilpende zwermen, en plonzen als vissen’. Het geweld wordt schilderachtig, want niemand laat zijn slaap om een plaatsje dat ‘zo onbeduidend’ is dat het ‘op de kaart van een ander land werd opgetekend’.
       Dit nummer opent met de eerste pagina’s van Le Théorème d’Almodóvar, de debuutroman van de jonge Franse schrijver Antoni Casas Ros. En dat zijn niet meteen pagina’s die mij naar meer doen verlangen. De roman gaat over een man die in een ongeluk zijn vriendin en zijn gezicht verliest, en gefascineerd is door transseksuelen en door Pedro Almodóvar. De vertelling gaat gebukt onder een stug streven naar filosofische diepgang en stroef geformuleerde redeneringen die als braakballen op het blad liggen. Proef deze: ‘Dat is de magie van het denken dat grondig ontdaan is van tijdelijke amalgamen, van al die lichamen die niet lijken te weten dat ze de scherpste punt van de illusie zijn.’
       Meer dan een derde van deze aflevering wordt in beslag genomen door een prozadebuut. Djamo van Luttervelt toont zich avontuurlijk, hoewel niet altijd trefzeker, in zijn verhaal ‘De kinderen van het vleeshuis’. Het verhaal is een ietwat bizarre rewriting van een sociaal-realistische topos: de zwerftocht van een ongewenst kind dat overal verstoten wordt. Van Luttervelt hanteert een bevreemdende stijl – wars van zowel pathos als ironie – met opvallende (soms geforceerde, soms in stappen uitgewerkte) metaforen en springerige perspectiefwisselingen. Van het afgewezen jongetje verschuift de focus plots naar de vogels in de lucht, die sprekend worden opgevoerd en vervolgens het jongetje opnieuw opmerken bij een bouwwerf. Later merken een schilder en een kat tegelijk de jongen op: ‘Is dat een ezel, denkt de kat, nee nee, geen ezel, ziet de schilder nu, het is een jongen, ja een jongen, een druppel valt van zijn snorhaar van verrassing.’ Niet onaardig.


Deus ex Machina – ‘Spelende geesten’

juni 2011, nummer 137 – www.deusexmachina.be


Deus ex Machina verrast (mij althans) met ‘Spelende geesten’, een rijk themanummer over kunst en wetenschap, samengesteld door gastredacteur (en wetenschapshistoricus) Koen Vermeir. Het uitgangspunt van dit dossier is de beroemde lezing van C.P. Snow uit 1959 over de kloof tussen de wetenschappen en de letteren, die volgens hem tot zijn grote spijt als twee verschillende culturen van elkaar vervreemd waren geraakt. De meeste essays die in dit nummer zijn verzameld, gaan echter in op het drukke grensverkeer tussen de kunsten en de (natuur)wetenschappen en zij laten daarbij een aanzienlijk minder pessimistisch geluid horen dan Snow.
       Een goede instap in het themanummer is het essay van Michiel Nys, dat de interventie van Snow bespreekt in het licht van een discussie aan het einde van de negentiende eeuw, tussen de bioloog Thomas Huxley (grootvader van Aldous) en de cultuurcriticus Matthew Arnold. De gastredacteur levert zelf een erg goede bijdrage aan zijn dossier met een historische beschouwing over de termen ‘objectiviteit’ en ‘subjectiviteit’ in wetenschap én kunst. Rode draad in zijn betoog is de interferentie tussen artistiek en wetenschappelijk denken, waarbij wetenschappers profiteren van de artistieke verbeelding en kunstenaars inspiratie putten uit wetenschap en technologie. Naadloos daarop aansluitend is het fascinerende essay van Sigrid Leyssen – dat mij zowaar in de wassalon de tijd even deed vergeten – over de geschiedenis van ‘roterende schijven in waarnemingsexperimenten’. Inderdaad, dit stuk gaat over draaiende schijven met spiralen en andere figuren op, die onder meer door Marcel Duchamp in artistieke experimenten werden gebruikt maar ook in psychologische laboratoria worden ingezet.
       En dat is maar het topje van de ijsberg: er zijn bijdragen over beeldende kunst, evolutionaire literatuurwetenschap, de verbeelding van buitenaardse wezens en de schoonheid van kwallen. Dit nummer heeft een snaar in mij geraakt waarvan ik het bestaan niet kon vermoeden. Dat is toch waarvoor we deze tijdschriften hebben, niet?