Inschrijven nieuwsbrief

Zeg me of hinkelend een werkelijkheid gaat. Rozalie Hirs' Gestamelde werken: een horizontale lectuur

Verschenen in: Rijndorst
Auteur: Jeroen Dera
Rozalie Hirs, Gestamelde werken. Querido, Amsterdam, 2012.
Download deze tekst in pdf:


‘Als in een bundel een bepaald gedicht je niets te zeggen heeft, lees je gewoon het volgende. Of je bladert nog weer ’s terug. Een poëziebundel is in dat opzicht een boek met schilderijtjes. De volgorde is niet zo vreselijk belangrijk en als je er ’s een paar overslaat is dat ook niet erg.’ Deze karakterisering van de dichtbundel als tentoonstelling waardoor de bezoeker zich kriskras kan bewegen, nam Gerrit Krol op in zijn essaybundel Wat mooi is is moeilijk (1991). De leeshouding die Krol beschrijft, zal voor de meeste poëzielezers en -beschouwers bijzonder herkenbaar zijn: in de praktijk nemen zij een bundel zelden in lineaire volgorde tot zich en bovendien zijn het vaak individuele gedichten waarmee canonieke dichters tot het culturele geheugen doordringen. Minder conventioneel is echter dat juist een auteur met een vrij omvangrijk poëtisch oeuvre met een dergelijke typering van het ‘zappende’ lezen komt: zoals Ad Zuiderent al aangaf in het door hem en Evert van der Starre samengestelde De tweede gisting: Over de compositie van dichtbundels (2001), benadrukken dichters vaak dat afzonderlijke gedichten primair in de context van hun bundel moeten worden beschouwd. Aan de publicatie van de meeste dichtbundels gaat dan ook een lang proces van schikken en herschikken vooraf, dat – alle overwegingen van de dichter ten spijt – door het merendeel van de lezers genegeerd wordt op het pad dat zij in de bundel bewandelen.
        Er zijn echter dichters die – zo is althans mijn ervaring – via de compositie van hun bundels richting weten te geven aan de route die de lezer door de gedichtententoonstelling aflegt. Zo dwong oever drinkt oever (2013) van B. Zwaal voor mij een horizontale lezing af, doordat de bundel begint met een cyclus van enkele ultrakorte gedichten waarvan de zinnen soms over de pagina in elkaar overlopen. Een andere interessante stem op het vlak van bundelcompositie is de dubbelkunstenaar Rozalie Hirs, die naast dichter ook uitvoerend musicus en componist is. In het midden van haar tweede bundel Logos (2002) staat bijvoorbeeld een grote anatomische tekening, die dient als plattegrond waarmee de lezer door de gedichten kan navigeren. In de volgende bundel, [Speling] (2005), springt in het oog dat de gedichten steeds langer worden: Hirs opent met een eenregelig gedicht en werkt vervolgens langzaam naar het paginavullende ‘een weg’ toe, om dat uiteindelijk te laten exploderen in een cyclus waarvan de woorden haast letterlijk over het papier dansen.

Het vervolg van deze tekst lees je in de bijgevoegde pdf.