Een mug in de stad

Verschenen in: Land Art

I

Mijn hele leven lang dwaal ik door de donkere nacht. Soms zie ik in de verte licht fonkelen. Ik vlieg er als een insect op af maar dan blijkt dat licht niets voor te stellen en ik ga gewoon door met rondjes lopen in de donkere nacht.

Een mug in de stad. Een verhaal
Mijn schrijftafel is betoverd: als een slecht onderhouden akker ligt de tafel, hoe vlijtig ik ook opruim, in een zucht weer bezaaid met nutteloze voorwerpen.
        Ik wens allang geen tijd meer te verliezen met die zinloze taak.
        De voorwerpen vervulden vast ooit een rol, maar nu herinner ik me helemaal niet waar ik ze eigenlijk voor gebruikte.
        Wat zou het goed zijn als er enkel een wit blad voor mij zou liggen om op te schrijven!
        Voorts wil ik ook nog een pen, een pakje sigaretten, een oud weegschaaltje (daarmee weeg ik alles: as, een olifant, bekenden, de nacht, dromen, herinneringen en ga zo maar door), een zandloper, een leeslamp en in de eerste plaats een vergrootglas. Een vergrootglas mag zeker niet ontbreken, want ’s nachts komen ontelbaar veel insecten op het licht van mijn leeslamp af. In de stilte van de nacht weerklinkt er dan regelmatig een tik: een van de insecten is op mijn blad gesprongen en dan komt het vergrootglas van pas om het goed te bekijken.
        Insecten – zonderlinge schepselen van de natuur – roepen oneindig veel gedachten en gevoelens bij me op! Hun kleinheid stemt me droevig. Soms denk ik dat zij een tweede leven voor ons leiden, maar dan in hun kleine lijfjes. Ook wij zijn vertwijfelde, dakloze, weerzinwekkende, eenzame, vervelende, nutteloze wezens. Misschien drukken zij ons echte bestaan wel beter uit.
        Alles bij elkaar zijn die insecten op mijn tafel de enige levende wezens tussen al die nutteloze, dode voorwerpen. Alleen zij zijn in staat om mijn eentonige eenzaamheid op te vrolijken.

Proloog
Toen de beslissing viel eucalyptussen te planten op de laagvlakte van de Kolchis en de moerassen droog te leggen, hebben alle muggen besloten op te houden met leven. Ze hebben niet getalmd. Ze zijn gewoon doodgevallen.
        De dood is iets helemaal anders dan het leven, dat weet iedereen. Wie dat niet weet, zal er na verloop van tijd wel achterkomen.
        Een mug sterft in alle stilte. Een smeulende sigaret die in een plas valt, maakt meer geluid bij het uitdoven dan een mug die het leven laat.
        Elk exemplaar van de voltallige muggenpopulatie viel dus dood neer. Wie denkt dat, gezien alle muggen in één klap doodvielen, dit betekent dat ze echt allemaal dood zijn, vergist zich.
        Eén mug bleef inderdaad in leven. (Het schijnt dat die mug als een ware Kolchetiër blauwe ogen heeft. Ik geloof daar natuurlijk niets van en u waarschijnlijk ook niet. Wie het wel gelooft, niet gelaten. Ik zal daar geen stokje voor steken.) Die ene mug heeft zichzelf gered. Jezelf redden is een uiterst moeilijke zaak. Eigenlijk is er niets moeilijker dan jezelf redden. Desondanks is de mug met de blauwe ogen erin geslaagd zichzelf te redden.
        De mug met de blauwe ogen heeft zichzelf weten te redden door voor een andere dood te kiezen. Een dood die harder toeslaat en je nog kleiner maakt.
        Mijn mug is niet enkel en alleen omwille van een grootse missie blijven leven. Nee, hij moest met name zijn moordenaar persoonlijk ontmoeten en ten koste van zijn leven op hem neerstrijken.
        Ondanks het feit dat de dood iets helemaal anders is dan het leven, was hij niet bang om dood te gaan. Sommigen zeiden: wat heeft het leven van een mug te betekenen? Ook voor de dood is een mug uiterst klein. De dood zal zijn in zijn pootjes zetelende ziel in ontvangst nemen en het leven zal niet eens gemerkt hebben dat hij er geweest is. ‘Dat kun je vergelijken’, zeiden ze, ‘met het zuinige gezoem van een mug dat een brullende krater zou moeten overstemmen.’
        Ik ben het niet eens met hen. Hoe kunnen zij weten wat het leven voor een mug betekent, wat een mug verliest als hij sterft? Misschien weet de mug het leven meer naar waarde te schatten dan wij. Of slaan wij de bal mis als we ervan uitgaan dat de dood afschuwelijk is en het leven kostbaar.
        In elk geval heeft de mug de zoete en zachtaardige dood in het gezelschap van zijn broeders (o, wat is de gezamenlijke dood gemakkelijk) aan zich laten voorbijgaan. Hij is op zoek gegaan naar een andere dood, een die harder toeslaat en je nog kleiner maakt. Hij is op zoek gegaan naar de handen van zijn eigen moordenaar, de handen die hem zonder twijfel te pletter zullen slaan.
        Maar het plan verliep anders dan voorzien.
        De mug mocht zich vooral niet vergissen. Hij kon zich uiteraard door om het even wie laten doodslaan, maar dat zou regelrechte moord betekenen. Erger nog: dat zou zinloze zelfmoord betekenen en zou de voltooiing van zijn grote missie dwarsbomen.
        Alleen, wat er dan wel voltooid zou zijn, mocht de mug zijn eigen moordenaar vinden en zich door hem laten doodslaan, dat kon niemand precies vertellen. Misschien was alleen de mug daarvan op de hoogte, maar hij vertrouwde dat grote geheim aan niemand toe.
        In deze wereld je eigen moordenaar te zien krijgen, is geen makkelijke onderneming. Om dat bereiken moet je weten welke richting je uit moet gaan, welke weg je moet volgen. Maar onze mug had alle vertrouwen in de natuur, haar ademhaling, haar geheime wegen en stromingen. Hij was er zeker van dat waar hij ook naartoe ging, waar die wens hem ook naartoe leidde, hij zijn moordenaar vast en zeker zou vinden – ook al liet hij zich alleen door zijn blik leiden.
        Zodra hij daar zeker van was, hield hij op met nadenken en liet hij zich leiden door het eerste het beste briesje.
        Het was een heerlijk briesje, teder, met doorschijnende vleugeltjes. De mug was er meteen weg van.
        Het briesje voerde de mug tot aan de stad. Daar viel het in vele kleine briesjes uiteen: in een slag van een waaier, in het klappen van een deur, in het inblazen van nieuw leven, in het opgelucht ademhalen. En daar werd onze mug vertwijfeld aan zijn lot overgelaten.
        De mug ergerde zich, maar het duurde niet lang of hij herinnerde zich zijn missie. Hij zette zich over zijn ergernis heen en verzamelde al zijn krachten.
        In de stad bekeek hij eerst de paleizen en wandelde hij door de brede straten. Algauw nam hij de polsslag van de stad over en nam hij zelfs een baan. Daar valt niets op aan te merken, want hij vervulde gewetensvol zijn plicht.
        Zijn baan hield het volgende in: hij moest achterhalen welke ster wie toebehoorde. Voor dat werk betaalde niemand hem een salaris, want niemand had er iets aan. De enige winst die de baan hem opleverde, was dat hij er tijd mee won. Kortom, zolang ze hem nog niet hadden doodgeslagen, moest hij leven. Zolang hij leefde, moest hij een leven leiden. Zolang hij een leven leidde, moest hij liefhebben.
        Sommigen beweerden dat hij een huis gebouwd had waarin hij liefde verzamelde. Anderen wisten te vertellen dat hij ook haat verzamelde, want volgens hem is haat in de meeste gevallen niet meer dan vergiftigde liefde. Ze beweerden dat hij het gif had weggezogen uit een reeks haatdragende voorvallen en dat hij ze weer in liefde had omgezet. (Daaruit leidden sommigen af dat hij die haat na afloop in zichzelf bewaarde.)
        Anderen zweerden dan weer bij het tegenovergestelde. Ze probeerden ons ervan te overtuigen dat hij helemaal geen grote missie te vervullen had, dat hij alles verzonnen had. Hij verzon het allemaal om zijn vermetelheid goed te praten: ‘De dood wacht me op’, zei hij. ‘Alsof de dood niet ook ons opwacht.’ ‘Zolang ze me nog niet hebben doodgeslagen, mag ik op geen enkel moment liefde te kort komen.’ Maar wat hij in werkelijkheid deed, was elke verleiding van de grootstad najagen en alles wat hij in het afval, het stof en de modder van de straten, pleinen en parken bij elkaar kon sprokkelen, mee naar huis nemen: begerige ogen en kortstondige blikken, dauw- en regendruppels, sneeuwvlokken, het geruis van bladeren, de geur van veldbloemen, het tollen van de wind, de kleuren van de ondergaande zon, het witte licht van de maan, het verre fonkelen van sterren, afgedwaalde muzikale klanken en allerlei valse tonen, gekreun en gezucht en zelfs verkeerd geplaatste leestekens. Hij haalde ze allemaal in huis en elke nacht hield hij onbeschrijflijke orgieën. Die ontucht noemde hij dan liefde.
        Maar dat waren alleen maar ongegronde roddels. Dat kan ik u verzekeren. Ik weet zeker dat de mug met de blauwe ogen hardnekkig op zoek was naar zijn moordenaar en die maar niet kon vinden. Wat dan nog dat hij in afwachting vele keren verliefd werd? Het was niet de liefde die hem ervan weerhield te sterven. Hij was klaar voor de dood. Sterker nog: al zijn liefdes en passies bij elkaar opgeteld konden niet op tegen zijn liefde voor de dood (ik heb dat allemaal heel nauwkeurig met een weegschaal nagewogen). Elke liefde was een stap dichter bij de dood waar hij zo naar verlangde.
        De mug met de blauwe ogen was op zoek naar zijn moordenaar.
        De gedachte aan de mug met de blauwe ogen riep dit oeroude lied uit de Kolchis in me op: ‘De zon is mijn moeder, / de maan mijn vader, / de twinkelende sterren / mijn broers en zusjes.’

De grafomaan (het voornemen)
Ik was nauwelijks van start gegaan met het schrijven van dit verhaal of de chaos sloeg toe. Ik werd duizelig. Mijn maag begon te knorren en mijn rotte wijsheidstand die met alle moeite van de wereld was getrokken, bezorgde me fantoompijn. Mijn linkerbeen begon op te zwellen. Mijn bril viel op de grond en een glas brak. Bij overmaat van ramp werd ik ook nog gebeten in mijn rechterhand. Ik sloeg met mijn linkerhand op mijn rechterhand. Ik weet nog altijd niet of ik de mug doodgeslagen heb of niet. De wind stak op, enkele ramen sneuvelden en er vielen pannen van het dak. Het begon te regenen. Er viel één druppel op mijn tafel. Daarna een tweede. En een derde ... Uiteindelijk kon ik de tel niet meer bijhouden. Toen ik opsprong om een teil te halen, stootte ik mijn knie aan de hoek van de tafel. Op dat moment viel het licht uit. Ik kon geen kaars vinden (u weet vast dat een kaars meer leeft dan een lamp) en het luciferdoosje en de lucifers waren helemaal doorweekt.
        Ik kom op dreef en dan zakt alles in elkaar.
        Het is altijd weer zo. Ik hoef maar iets te beginnen of alles en iedereen keert zich tegen me. Alsof de moeilijkheden op de loer liggen en wachten totdat ik ergens mee begin. Ondanks alles besef ik maar al te goed dat het de moeite waard is om ergens mee aan de slag te gaan. Zij doen niet zomaar zoveel moeite. Blijkbaar weten ook zij dat ze me het kost wat het wil moeten dwarsbomen. Net dat ze me overvallen, hier binnenvallen, toont dat ik hoogdringend aan de slag moet. ‘Kom maar op,’ spreek ik hen toe, ‘pak me vast, omcirkel me, wees maar hard, meedogenloos, onoverwinnelijk. Kom maar op, hier ben ik, kom maar op, hoogmoed, hebzucht, ongehuwd samenhokken, razernij, vraatzucht, nijd, uitzichtloosheid. Kom maar op, één per één en allen tezamen. Kom maar op, ontrouw, vertwijfeling, verlating, verraad, laster, duisternis. Kom, kom, kom maar op. Hier ben ik. Probeer me maar te verslaan, uit te doven, te vertrappelen, om te kopen, aan je kant te krijgen, teleur te stellen, te verleiden. Kom, kom maar op, ik kijk vol ongeduld uit naar jullie komst. Elke opdracht wordt door jullie op de proef gesteld! Hier ben ik!’
        De regen komt met bakken neer op mijn tafel.
        Eigenlijk is mijn straf te zwaar. Dat geef ik zelf toe. Sinds mijn vroegste kindertijd kan ik een leeg blad niet uitstaan. Ik moet het van links naar rechts en van boven naar beneden met woorden kunnen vullen. Er rest dus geen enkel leeg blad meer. Ik heb elke pen versleten. En toch kon ik niet ophouden met schrijven. Dus heb ik de pen gepakt die het minst van al schreef, de stapel met volgeschreven bladen voor me gelegd en een begin gemaakt met dit verhaal.
        Het is zo donker dat ik niet eens zie wat ik schrijf. Daar hoef ik me eigenlijk geen zorgen over te maken, want de pen schrijft niet en de bladen zijn al volgeschreven. Niemand weet wat ik wilde schrijven. Het maakt dan ook niet uit wat ik schrijf.
        Als ik geen uiterst keurige en oprechte man was, dan zou u nooit snappen dat u iets helemaal anders leest dan ik eigenlijk geschreven heb.
        Ik ben doodop. Ik zit aan de tafel en ik staar naar het witte blad. Mijn hoofd rust in mijn handen. Dat lege blad beschrijft precies wat ik wil zeggen: dat ik niets te zeggen heb.
        Ach, waar is de goede, oude tijd dat ik het vuur als eerste mijn notities liet lezen? Het vuur is een uitstekende lezer en een aandachtige corrector. Het verbetert alle fouten.
       Ik weet wat me te doen staat. Ik kan er niet aan ontsnappen: ik moet het blad vullen. En ik heb het recht niet om idiote dingen op te schrijven. Vroeger ging me dat erg goed af, maar nu heb ik mijn grens bereikt. Nu zit ik op ideeën te wachten. Maar op welke ideeën?
       Ik weet echt niet waarmee ik dit blad kan vullen. Er komen ontelbaar veel gedachten, onderwerpen, ideeën en thema's in mijn hoofd op, maar geen enkele bevat woorden, komma’s, koppeltekens, alinea's of zinnen.
        Ik besluit naar de markt te gaan.
        Ik ga naar de markt om eten te kopen.
        Maar ik koop er woorden, komma’s, zinnen en alinea’s.
        Ik koop er liefde, onverschilligheid, haat, warmte en kilte.
        Ik koop er een tiental muizenvallen. Ik koop er een paard zo wit als een wolk, een schimmel (het legendarische Georgische paard Merani was al verkocht), handenvol insecten. Dat is genoeg om dit ene witte blad te vullen.
       Het is nu stikdonker in de kamer. Misschien ben ik helemaal niet thuis.
        Alles zakt in elkaar en dan kom ik op dreef.

Het verhaal zelf
Ik draaide een zandloper van vijf minuten op zijn kop en het verhaal kwam op gang over de mug met de blauwe ogen, de verdwaalde Djimsjer, Lia uit het derde middelbaar, de grafomaan, Gia, Lia’s broer, Manana, het briesje, malaria, de lucht en de aarde, het doodlopende straatje, het raam met de tralies en alles en iedereen die wel en niet een rol spelen in dit verhaal.
        Het verhaal zelf is zo eenvoudig dat u ervan in de war kunt raken. Ik probeer het zo snel mogelijk op dit ene blad van het begin tot het einde uit te schrijven. Ik heb haast want ik brand van ongeduld. Ik wil alles net als een insect in dit eigenste moment beginnen en in dit eigenste moment afronden (daar ben ik dan ook een zogenaamde scribent voor).
        Het woord insect lijkt een beetje op ‘seconde’ en ‘scribent’. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het woord ‘scribent’ er de wortel van is (wat werd de weggelaten letters eigenlijk kwalijk genomen?).
        Het verhaal begint als volgt: de mug met de blauwe ogen is op zoek naar zijn eigen moordenaar, het briesje vermag niet meer dan een waaier, de lucht is een rechthoek, de zon een stuk speelgoed, de maan is geen ordinaire straatlantaarn, de mug vindt zijn moordenaar: Djimsjer. De mug probeert Djimsjer over te halen hem te doden, maar Djimsjer wil de mug niet doden, want hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. De radeloze mug bijt Djimsjer en spuit malaria in hem. Maar de mug had daarvoor Lia al gebeten. Lia en Djimsjer worden verliefd op elkaar. Door de ziekte zal Djimsjer er met zijn hoofd weer bij zijn. Maar tegen die tijd is het te laat: Djimsjer is niet langer in staat zijn slachtoffer te ontmoeten. Zonder te beseffen dat hij een vreselijke moord begaat, zal iemand anders de mug toevallig doden. We weten dan ook nog niet wie dat is geweest. Dat zal tijdens de rechtszaak worden onderzocht.
        Een van de schrijvers van dit verhaal is aan malaria bezweken, een tweede is spoorloos verdwenen, een derde kreeg in plaats van de doodstraf levenslang, een vierde en een vijfde schrijver werden gedwongen het schrijverschap zogezegd uit vrije wil te laten vallen en de rest van de schrijvers werd overladen met onderscheidingen en prijzen.
        Djimsjer en Lia gingen uit elkaar in de hoop dat ze elkaar in een nieuw leven weer zouden tegenkomen en herkennen.
        Op het eind steekt de wind op en laat de zon opflakkeren.
        De verkeerd geplaatste punt komt in beweging en waggelt naar het slot van het verhaal.

P.S. Uiteindelijk is gebleken wie de auteur is. Blijkbaar ben ik het, maar nu moeten we ook nog uitzoeken wie dit materiaal voor me heeft verzameld. Dat zal ik in een volgend leven zeker uitzoeken.
        Maar wat als ik de auteur ben die aan malaria zal bezwijken? Dat zou mijn verdiende loon zijn.
        Tot nu toe heb ik het met mijn materiële bezittingen als inzet overleefd, want ik heb in het openbaar bekend dat ik niet de schrijver van dit verhaal ben, maar dat ik enkel het materiaal verzamel voor diegenen die het aan het schrijven zijn.
        Ik heb deze tegemoetkoming verdiend omdat ik het schrijverschap beschaamd heb.
        Ze hebben mijn koelkast in beslag genomen (die niet koel hield), mijn petroleumkachel (die niet verwarmde), mijn schrijfmachine (die niet schreef), mijn kleuren- en zwart-wit tv (die niets uitzonden), al mijn balpennen (waar geen enkele van schreef), mijn ongeslepen kleurpotloden (want mijn potloodslijper deed het niet), aan beide zijden volgeschreven bladen (met door de regen weggespoelde woorden). Ze hebben meer in beslag genomen dan ik had. Ze hebben mijn recht om diep in te ademen beperkt en ze hebben me alleen de toestemming gegeven recht voor me uit te kijken.
        En ze hebben ook nog één onbeschreven blad achtergelaten.
        Ik zit nu aan de tafel, met mijn hoofd in mijn handen en ik staar naar dat blad.

II

De vierkante lucht
En nu is het tijd om het verhaal zelf op een nieuwe bladzijde uitgebreid te vertellen.
       
De lucht is azuurblauw. Waarom de lucht azuurblauw is, kan niemand met zekerheid zeggen. Alleen de lucht kent daar de ware reden voor.
       
‘Waarom is de lucht azuurblauw?’ is de vraag die ik mezelf stel. Ik stel mezelf die vraag, want u kan ik die vraag toch niet stellen? Stel dat ik u die vraag zou stellen, waar zou ik u voor het antwoord kunnen zien? Het is handiger om mezelf de vraag te stellen. Ik ben ter plekke en kan het antwoord meteen geven als ik het weet. Als ik het niet weet, dan ben ik nog altijd ter plekke en kan ik mezelf meteen zeggen dat ik het niet weet. Als ik me erom schaam, dan is dat niet erg. Dat zal tussen mij en mezelf blijven en dan stel ik mezelf wel een andere vraag, een gemakkelijkere, een waarop ik het antwoord zeker ken. Zo zullen we beiden bijzonder tevreden zijn. Maar er scheelt iets: op den duur kan ik mezelf geen moeilijke vraag meer stellen. Ik ben bang dat hij me toch geen antwoord zal kunnen geven en ik zal alleen nog proberen makkelijke vragen te stellen. Maar ondertussen zal hij wennen aan makkelijke vragen, lui worden en uiteindelijk behalve poepsimpele vragen niets meer kunnen beantwoorden.
       
Als ik er goed over nadenk, is de mens er niet één maar twee. Drie zou ook nog kunnen. En als dat zo is – en dat kan worden bewezen – dan is de mens er bijgevolg velen. Dat een mens er twee is, daar ben ik zeker van, want dat blijkt al uit wat ik daarnet vertelde. Eén stelt een vraag en een tweede geeft het antwoord (of geen antwoord). Maar diegene die geen antwoord kan geven, is toch ook een mens? Die is zelfs veel meer mens. En wel om de volgende reden: een vraag stellen is gemakkelijk. Een vraag ontstaat gemakkelijk, maar er een antwoord op vinden, is moeilijk. Het kan gebeuren dat een uiterst makkelijke vraag je zo in de war brengt dat je in elkaar zakt. Ik denk aan de vraag: hoeveel is twee maal twee? Jij weet wel dat het vier is, maar de vraag is waarom iemand je zo’n eenvoudige vraag heeft gesteld. Bedoelt iemand iets met die twee? Misschien betekent twee maal twee niet iets wiskundigs, maar iets biologisch? Let maar op het volgende: hoeveel is honderd min één? Hm. U lacht. 99 uiteraard. Daarna wordt de vraag concreter: hoeveel is honderd kamelen min één ezel?
      
Is het niet spannend te weten wie er slimmer is: een mug of een kameel? Niemand weet dat zeker en ik denk niet dat er iemand is die dat met zekerheid kan zeggen. Zelf moest ik heel lang nadenken over het raadsel of een bij of een appelboom slimmer was. Om dat te achterhalen heb ik er een weegschaal bij gehaald en ik heb lang gewikt en gewogen, maar ik ben er toch niet in geslaagd te bepalen wie slimmer was. Ik heb het niet kunnen uitleggen. Ik heb wel een paar resultaten, maar die zijn onbevredigend.
      
Ik heb me laten afdwalen. Kom, laat ons terugkeren naar onze oorspronkelijke vraag: waarom is de lucht roze? Wat een zinloze vraag. Laat ons eens kijken wie die stomme vraag gesteld heeft. Als we op deze manier doorgaan, drijven we het nog zover dat we niet meer kunnen terugkeren en voor altijd hier moeten blijven.
      
‘Waarom toch is de lucht roze?’ weerklinkt de stomme vraag.
      
Laten we ons dan ook afvragen: waarom is de duif duifgrijs, de roos rozerood en het viooltje violet? En dan vragen we ons nog niet af waarom de weg wegkleurig is. Ook de lucht moest een kleur uitkiezen en ze heeft dan ook uit alle kleuren een bepaalde kleur gekozen. (Er bestaat een theorie die zegt dat de lucht roze is omdat de mug er met blauwe ogen naar staart.)
      
Als ik goed kijk, zie ik dat alles waar er onder de lucht veel van is die ene kleur uitkiest. Het is logisch dat veelheid op grenzeloosheid wil lijken (maar ik ben er zeker van dat zoiets niet lukt). Laat ons de zeeën als voorbeeld nemen: elke zee die ik gezien heb, is blauw. Het schijnt dat ook de oceanen blauw zijn. Op mijn wereldkaart zijn ze in elk geval in het blauw geschilderd.
       
Vandaag staat het er voor de kleur blauw niet goed voor. Nog niet zolang geleden heb ik mezelf bij de mug uitgenodigd, want ik wou van hem horen wat zijn mening is. Ik heb hem een geschenk aangeboden: de lange manen van de schimmel en een aantal onvervulde wensen. Hij begreep meteen waar ik voor gekomen was. Hij liet zijn blik over het geschenk glijden, gaf me een licht knikje als teken van dankbaarheid en verklaarde toen zonder enige introductie: ‘Ik heb geen last van dat vraagstuk. Integendeel, het maakt me sterker en geeft me de kracht om te vechten. Ik zet een helm op, trek een pantserhemd aan, hul me in een harnas, hang een schild om mijn schouder, grijp naar een dubbel geslepen zwaard en trek ten strijde tegen elke andere betekenis van die kleur. Zo kan ik die kleur herleiden tot de ongeschonden kern waarover een vergeten dichter sprak:

De kleur blauw, kleur van de hemel,
Kleur van het eerst geschapene,
Niet van deze wereld,
Heb ik sinds mijn kindertijd lief.

Ik ben uiteindelijk met een gerust hart vertrokken (want ik geloof dat woord en daad van een insect één zijn).
       
Ik heb een omweg gemaakt. Dat geef ik toe. Ik wilde iets helemaal anders vertellen. Dat de lucht blauw is, weet iedereen. En dat als je een ui pelt, je ogen gaan prikken en de tranen over je wangen rollen. Ook dat is bekend.
      
Ik zweer het: ik wilde iets helemaal anders vertellen.
      
Het is winter. Het sneeuwt niet. De lucht is helder. Het is koud.
       
Lia is onderweg naar huis. Ze zit in het derde middelbaar. De hele weg staart ze naar de lucht. Het is een zonderling meisje. Ze kijkt overal naar alsof het de eerste keer is dat ze het ziet. (Zo’n blik vernieuwt de wereld alsof hij aan het ontstaan van de schepping stond.) Waarom toch staart ze zo naar de heldere, kille lucht? Daar bestaat geen verklaring voor. Was het nu lente en dat zou je zin geven om naar de zwaluwen te kijken, dan ja. Of bij zonsondergang of zonsopgang, dat is ook begrijpelijk. Maar nu in de winter naar de lucht staren is pure onzin.
       
Lia verliet de brede straat en liep een smal wegje in. Het onverharde doodlopende straatje is bezaaid met keitjes. Het straatje loopt uit op een hoog gebouw met een arcade. Die arcade is nog ver. Lia is pas van de straat het wegje ingelopen. Aan de ene kant staat er een oud huis van drie verdiepingen. Aan de andere kant is een hoge, bakstenen muur opgetrokken. Het is een blinde muur die niet helemaal blind is, want in een van de bovenste hoeken is een venster met tralies ingebouwd. Niemand weet precies of er iemand achter die tralies woont. Alleen één keer zag een voorbijganger hoe iemand er sinaasappelschillen door gooide. Over dat venster wordt gezegd dat het zich oorspronkelijk ter hoogte van de kelder bevond en dat het toen geen tralies had. In de loop van de tijd klom het venster langzaam naar boven om uiteindelijk bij het dak uit te komen. Toen hebben ze er tralies voor gezet om te vermijden dat het naar beneden zou vallen en op de kasseien zou breken. Uiteraard geloof ik niets van dat hele verhaal en u gelooft het vast ook niet. Maar mocht iemand het toch geloven, geen bezwaar, ik zal daar geen stokje voor steken.
      
Er staat ook nog een reusachtige plataan in ons steegje. Als hij in bloei staat, vult hij het hele steegje. Maar het is nu winter en zijn takken zijn kaal. (Wat vreemd dat een boom zich in de winter uitkleedt en een mens zich dan net bedekt).
       
De arcade is nog ver. Lia heeft zelfs de boom nog niet bereikt. Lia loopt heel langzaam en staart naar de lucht. Lia loopt langzaam en glimlacht erbij. Vroeger glimlachte ze niet. Nu glimlacht ze. Ze glimlacht als geen ander. Lia is verliefd op een jongen uit haar klas. Hij draagt ook een bril. Maar die jongen komt niet voor in dit verhaal. Hij zou dat wel willen. Misschien zien we hem één keer op een bank zitten.
       
(Lia is trouwens bijziend, maar ze wil geen bril dragen.)
       
‘Lia!’, hoorde Lia.
        
Lia draaide zich om, kneep haar ogen tot spleetjes en zag haar broer Gia die een lei vasthield, een bril droeg en alles wist.
       
Gia studeerde aan het instituut.
       
Lia wachtte op haar broer en keek ondertussen naar de lucht. Gia ging naast zijn zus staan, keek ook op naar de lucht en liet zijn blik uiteindelijk op zijn zus rusten.
       
‘Wat sta je daar als een astronoom naar de lucht te kijken?’ Lia moest glimlachen. Ze vond het prettig dat Gia geïnteresseerd was in haar.
       
‘Dat zeg ik zo meteen’, zei Lia en ze keek weer op naar de lucht.
       
‘Je zegt vast iets heel stoms’, zei Gia en hij keek niet langer op naar de lucht.
        
‘Luister, Gia. Misschien heb je al gemerkt dat elke plek zijn eigen lucht heeft? Heb je dat al gemerkt?’
       
‘Ik zei toch dat je iets stoms zou zeggen.’
       
‘Kijk dan toch naar de lucht! Zie je hoe die net als dit steegje lang en smal is? Kijk dan toch!’ Maar Gia keek niet naar de lucht.
       
‘Kom mee naar huis en hou je stomme ontdekkingen voor jezelf.’
       
‘Waarom geloof je me niet? De lucht boven een brede straat is breed en die boven een smalle straat smal.’
       
‘En dan?
        ‘Niets. Als je me niet gelooft, kijk dan zelf naar de lucht. De lucht boven deze steeg kan ik zo herkennen, om het even waar ik ben.’
       
‘Wat ben je aan het bluffen. Laat die stommiteiten vooral niet ergens anders horen. Je bedenkt iedere keer weer nieuwe. Heb je dan niet genoeg aan de oude?’
       
Lia wilde haar broer uitleggen dat hij er niets van snapte, maar ze beheerste zich. Gia geloofde niets van wat ze zei. Hij stak altijd de draak met haar.
       
De rest van de weg tot aan de hoge ingang met de arcade legden ze in stilte af. Onderweg begroette Gia drie bekenden. Eén van hen vroeg hij hoe het ging. Lia knikte alleen naar de plataan.
       
Lia liep naast haar broer en keek af en toe naar de lucht. De lucht was zuiver als een vijgenblad.
        
Voor de arcade hield Lia even halt, keek achterom, wierp een blik op het steegje en zijn lange, smalle lucht en stapte naar de binnenplaats. Ook daar keek ze omhoog en riep:
       
‘Gia, kijk! De lucht is nu vierkant als onze binnenplaats.’
       
Gia wuifde haar woorden weg en liep de hal in.
       
Op de binnenplaats tuurde Lia omhoog. De lucht was inderdaad vierkant, de ingelijste kille winterlucht.

De maan, een straatlantaarn
De maan is geen ordinaire straatlantaarn. Dat weet iedereen. Wie dat nog niet weet, zal daar op een dag wel achter komen.
       
De maan is een vreemd ding. Soms rent hij als een straatjongen op blote voeten de helling op en af en soms verstart het hele universum onder zijn koninklijke grootsheid.
       
Het is winter en het sneeuwt niet.
       
Het is nacht.
       
En koud.
       
In de met rook gevulde kamer zitten vijf of zes mannen. Dat kan ik niet met zekerheid zeggen, want er is te veel rook.
       
Zodra er vijf of zes mensen in een kamer zitten, valt het moeilijk te zeggen hoeveel er precies zijn.
       
Ze zitten in de kamer te praten omdat het buiten zo koud is. Als het koud is, is het onmogelijk een ernstig gesprek te voeren. Dat weet iedereen. Als het koud is, kunnen de mensen alleen een gesprek voeren op voorwaarde dat er bijvoorbeeld een stuwdam gebouwd moet worden. Dan kunnen ze niet anders dan tegelijk een ernstig gesprek te voeren en in de kou te blijven staan. Maar als de omstandigheden dat niet vereisen, dan heeft een ernstig gesprek in de kou helemaal niets ernstigs.
       
Kortom, die vijf of zes mannen hebben zich de kou bespaard omdat de omstandigheden het tegendeel niet vereisten en ze de voorkeur gaven aan een kleine, met rook gevulde kamer.
       
In die nevel voltrok er zich iets fantastisch, iets wonderlijks. Elke aanwezige was in gesprek met vier of vijf schaduwen en elk van hen antwoordde of – nog sterker – antwoordde niet.
       
‘Ook deze winter gaat voorbij’, sprak de eerste.
       
‘Uiteraard gaat die voorbij. Ga ik ook niet voorbij?’ repliceerde de tweede.
       
‘Kan je je dan voorstellen dat de winter niet voorbij zou gaan?’ grapte de derde.
       
De vierde en de vijfde (ik zei toch al dat ik niet weet of er ook een zesde in de kamer aanwezig was) tikten gelijktijdig de as van hun sigaret in de asbak af.
        
‘De lente komt vast’, sprak de eerste.
        
‘Uiteraard komt die. Wat dacht je wel?’ repliceerde de tweede.
        
‘Kan je je dan voorstellen dat de lente weg zou trekken zonder ooit terug te komen?’ grapte de derde.
        
De vierde en de vijfde tikten gelijktijdig de as van hun sigaret in de asbak af. Ik weet niet of er ook een zesde aanwezig was in de kamer en als er een zesde aanwezig was, wat hij dan aftikte. Ik weet het niet.
        
Van de vijf of zes mensen moest er eentje geeuwen.
        
‘Weet je wat?’ sprak de eerste.
        
‘Wat?’ repliceerde de tweede.
        
‘Kan je je dan voorstellen dat hij het weet?’ grapte de derde.
        
De vierde en de vijfde tikten gelijktijdig de as van hun sigaret in de asbak af. Wat de zesde deed, weet ik niet, want ik weet zelfs niet wat ik wel weet.
       
Een van de sigarettenpeuken bleef smeulen in de asbak. De rook kringelde als een dunne, wervelende zuil naar boven. Daar verspreidde de rook zich en ging op in de nevel. Van de vijf of de zes mensen begon er eentje met een lucifer in de peuken te scharrelen. Hij was op zoek naar de peuk die smeulde. Plots vatte de lucifer vuur en van de vijf of zes mensen barstten er vijf of zes in lachen uit.
       
Het duurde niet lang totdat de peuk het laatste wolkje rook liet opstijgen en uitging.
       
Buiten was het nacht en het was nog altijd erg koud.
       
In het huis van de buren speelde iemand piano. De klanken koelden onderweg af en drongen zwakjes door de berijmde ramen. Dat was ook te verwachten. Wat hadden koude klanken in een warme kamer te zoeken? Ze zouden net als sneeuwvlokken meteen gaan smelten.
       
(De klanken doen me denken aan een van de onvergetelijke liefdesavonturen van de mug met de blauwe ogen: hij werd verliefd op een aantrekkelijke klank, hij volgde haar, vloog bij haar naar binnen, zowel hij als de klank kregen het warm. Maar de liefde bleek van korte duur te zijn. De klank vloog samen met de mug over een huis met dakpannen, werd alsmaar kleiner en verdween. De mug bleef alleen achter, vatte kou en haastte zich verdrietig naar huis.)
       
‘Gaan we naar huis?’ sprak de eerste.
       
‘Is het dan tijd om naar huis te gaan?’ repliceerde de tweede.
       
‘Is het echt tijd om naar huis te gaan?’ grapte de derde.
       
De vierde en de vijfde stonden tegelijk op.
       
‘Laten we gaan. Het is al laat’, sprak de zesde, van wie ik niet zeker weet of hij in de kamer was of niet.
        
Van de vijf of zes mensen bleef er een binnen. De anderen liepen naar buiten. Nu heb ik ze nog eens kunnen tellen. Nu staat vast dat ze met zijn vijven waren. Iedereen bij elkaar waren ze dus met zes, want een van hen bleef binnen.
       
‘Het is winter’, sprak de eerste.
       
‘En het sneeuwt niet’, repliceerde de tweede.
       
‘Het is nacht’, grapte de derde.
       
‘Het is koud’, stelde de vierde, want de vijfde bleef binnen.
       
De zesde voegde er ook nog iets aan toe.
       
Ze waren allemaal bedwelmd door de nicotine. Nicotine is een vreemde stof. Hij bedwelmt. Gewone lucht inademen is primitief en niet stoer. Bovendien laat je zien dat je ademt als je rook uitblaast. Zoniet gelooft misschien niemand dat je leeft. Honden, katten, koeien, stieren, buffels, leeuwen, tijgers, kuikens, nijlpaarden, neushoorns, struisvogels, kamelen en zelfs kalkoenen ademen gewone lucht in.
       
(De lucht doet me eraan denken dat vensterglas en lucht erg op elkaar lijken. Beide zijn in hoge mate doorschijnend. Ik weet zeker mocht sigarettenrook als lucht doorschijnend zijn, niemand zou roken. Vandaar dat niemand vensterglas rookt.)
       
‘Is dat een straatlantaarn of de maan?’ vroeg de eerste.
       
Iedereen hield halt bij de straatlantaarn die aan de ene kant een lamp had hangen en aan de andere kant ...
       
‘Weet ik veel?’ repliceerde de tweede.
       
‘Ik denk dat het de maan is’, grapte de derde.
       
‘Je raaskalt, man, waarom zouden wij een maan in onze lucht hebben?’ riep de vierde, want de vijfde bleef binnen.
       
De zesde begon ook te twijfelen, maar toen hij een paar stappen opzij zette en de straatlantaarn goed bestudeerde, kon hij zien dat aan zijn kant een lamp hing en in de lucht de volle maan.