Vuur

Verschenen in: Verloren post


1. Roet & Leidingen

Onder het lage dak was geen plek meer om te zolderen. Nagenoeg alle ruimte was bezet en nergens konden nog balen winterkleren en dozen vol jeugdherinneringen worden bewaard. Geen felgekleurde plastic kisten Playmobil, geen dichtgeknoopte vuilniszakken bijna onthaarde knuffeldieren. De zolder, die over de hele lengte van het huis liep, was volledig ingenomen door kriskrassende koperen en loden buizen, bolle watertanks die constant op barsten stonden, vliegwielen die dof geworden zuigers op en neer lieten gaan. In het midden, naast het luik naar beneden, stond een kleine verbrandingsketel te piepen en te ronken. Af en toe schoot een klepje open en kotste het een wolk rook en roet uit. De hele zolder trilde.

De kleine ramen waren lang geleden afgeplakt met zwart papier en alles was in een halfslachtig duister gehuld. De zon wurmde zich door kieren naar binnen, maar belichtte de ruimte zo willekeurig dat er moeilijk een volledig beeld van de zolder te vormen was. Waren dat katrollen die daar stil hingen, of afgehouwen handen? Slordig opgerold touw, of versteende ingewanden? Stof en roetdeeltjes maakten het zicht nog troebeler. Er drongen geen geluiden van buiten binnen, men hoorde hier alleen het borrelen van water in de grote metalen buiken, het sproeien van geisertjes waar de lasnaden van de leidingen broos waren geworden, het rommelen van de ketel.

Achter in de zolder, bij een van de rottende spantbalken die de lage ruimte nog benauwder maakten, hurkte de wetenschapper. Hij was buitengewoon vermoeid en ademde met de mond wijd open. Met een goedkoop zakmesje kraste hij in het hout, dat zacht geworden was door de stoom die overal uitwalmde en door het water dat uit de leidingen lekte. Ook de wetenschapper werd langzaam zacht, was doordrenkt van vuil machinewater, smeerolie en zijn eigen zweet. Tastzin en geur gingen moeiteloos in elkaar over: alles stonk zoals het eruitzag, voelde zoals het rook. Het mesje gleed telkens uit zijn vingers, maar hij sneed geduldig door. De formules en figuren die hij aan het hout toevertrouwde, schreef hij in zijn eigen notitiesysteem, de mogelijkheden van conventionele natuurkunde en lineaire algebra te beperkt om de noodzakelijke verbuigingen van de tijdruimte mee te berekenen. Een stoomfluit begon zachtjes te kirren en won aan kracht, bouwde traag op tot een schelle krijs. De wetenschapper schuifelde zonder haasten op zijn hurken tussen een paar watertanks door, reikte over een muurtje van gestapelde buizen en trok aan een hendel. De stoomfluit zweeg. Hij kroop weer terug naar zijn balk.

Uit gevoel voor decorum droeg de wetenschapper een witte labjas met verschillende gekleurde pennen in het borstzakje, maar verder was hij naakt. Het was heet op de zolder. Gebrek aan gezond voedsel had hem uitgemergeld, gebrek aan vrije beweging in deze wasemende machinegrot had zijn spieren weggevreten. Zijn geslacht hing verfomfaaid tussen zijn bleke, magere dijen. Hij piste in een emmertje in de hoek en schonk deze meestal weer leeg in een van de tanks, tenzij die midden in een cyclus zaten en te heet waren. Dan opende hij een klapraampje en kieperde de inhoud naar buiten. Het zonlicht stak in zijn ogen. Zijn schouders deden pijn.


Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2014 3.