Met de staat

 

Aandoening?                                                                       

Leeft in verschillende realiteiten.

 

Symptomen?

De patiënt, hoewel zo beweeglijk als een paling of een slang, lijdt naar eigen zeggen aan het locked-insyndroom. Stelt dat hij zich niet kan verroeren op zijn oogspieren na. ’s Ochtends slaat hij de wekker uit maar onmiddellijk daarna lijkt hij zich van die beweging niets te kunnen herinneren. Zo gaat het de hele dag, onderwijl fluistert hij: ‘voyage, voyage’.

 

Daaronder in steno, haast zonder fouten:

 

Naam?

Van Meenen Vincent, pseudoniem Anastadopoulos.

 

Geboren?

Meerdere keren en bij elke aanslag opnieuw. De laatste keer in Griekenland toen ik een Griekse familienaam wilde uitkiezen. Αναστασιος/de herborene. Met het achtervoegsel -opoulos: Αναστασοπουλος. Door een tikfout verbasterd tot Anastadopoulos, wat zoveel betekent als ‘in beweging’. Ook goed.

 

Waar?

Voor het eerst in beweging gekomen te Mortsel, waar een boer in de jaren 1980 na een beroerte zijn tong verloor. Het enige wat hij nog zeggen kon was ‘godverdomme’, en dat riep hij de godganse dag.

Die boer was mijn grootvader en hij had vier dochters, waarvan hij de jongste, mijn moeder, mishandelde omdat ze geen jongen was. Toen ze een paar jaar later op haar beurt een jongen kreeg, lag die boer al onder de zoden. Mijn moeder is van mij niet gelukkig geworden, want grootvader en kleinkind bewegen hun benen op dezelfde manier en als ik door de tuin loop, ziet ze haar vader in mij en ze vloekt van angst.

 

Leeftijd?

Schedelomtrek 62. Indexvingertop van een chip voorzien waarmee mijn route valt te volgen. Europa over land en over zee. Lange tijd een blauwe stip in Athene, waar ik wachtte tot de uilen preken. Nu terug in Antwerpen, een koekoekskind. Maar ik aard niet meer, ik kan mijn draai hier niet vinden.

 

Burgerlijke staat?

Dat is precies wat ik bedoel. Wat zijn dit voor vragen? Maakt de staat van mij een personage? Is het mij toegestaan om weg te kijken? Wat is dat, een grensgeval? Natuurlijk mag ik protest aantekenen, bezwaarschriften indienen. Maar wat dan? Ik zoek een archetype, een leven. Schrijf dat maar op, boek mij zo maar in. Waar mag ik tekenen? Ik kan mijn handen niet bewegen.

 

Gehuwd dan?

Ten minste eenmaal op een kasteel in Frankrijk, waar mijn toenmalige aanstaande over een reling boog en de kasteelvijver als vomitorium gebruikte.

Een tweede maal bij mijn intrek in het Atheense getto, in een betonnen blok zonder verwarming waar ik in het Grieks warm en koud leerde blazen. Vanaf de vijfde verdieping keek ik uit over de schildpad Thanassis beneden op de binnenplaats terwijl ik broodjes smeerde voor mijn Vlaamse gasten om hen even later het sociaal centrum te laten zien, waar ik me mens voelde tussen de mensen.

Ten derden male als een haan terug bij zijn eerste kip, te Antwerpen, na een systeemfout. Daar zijn de symptomen begonnen.  

 

Kinderen?

Productielijn nihil. Tot tweemaal toe een kinderoffer, telkens bij een andere priesteres. Verder nog de apotheek van wacht, meermaals morning after.

 

Ziekten?

World Assistance Card bij gebrek aan beter, boter, boten. Mijn identiteitskaart heb ik meegegeven aan een Syrische jongen die op me leek, voor een vervalste vlucht naar België. Dankbaarheid vanwege de familie, de jongen veilig aangekomen in het land van melk en varkensgebraad. Familiehereniging volgt later. Natuurlijk heb ik nu geen papieren. Waarvoor anders dient dit gesprek? Wilt u misschien een gele klever? De ambassadeur, vertegenwoordiger van het staatshoofd, kon er niet om lachen. Zijn kaken liep rood aan. ‘Maar u probeert niet eens te verbergen dat u liegt!’

 

Rijbewijs?

A-B-C en zo ver genoeg om me in verschillende talen uit te drukken. Steeds op zoek naar nieuwe manieren om te formuleren dat het niet mijn schuld is.

 

Medische ingrepen?

Een tumor ter grootte van een kiwi werd op zestienjarige leeftijd uit de hersenpan verwijderd. Een soort kankercocon. Vervolgens, een jaar later, een tweede ter grootte van een walnoot. Daarna eentje zo klein als een kers en ten slotte (maar toen was ik al bijna twintig) ter grootte van een dadelpit. Verschillende check-ups, ambulante zowel als gehospitaliseerde, met alle gevolgen van dien. Elke keer op de proef, elke keer kans op falen.

 

Bijwerkingen?

Een verlamde rechterarm en heup, dagelijkse revalidatie en bestralingen (tien minuten per dag, tijdens de openingsuren), een steunkous rechts die tot aan de knieën reikt, een soort verbandgaas, kippengaas, kampgaas.

 

Materiaal?

In een capsule onder de grond is geen plaats voor improvisatie. Rukt u zich dan nooit de schellen van de ogen? Piekert u ’s nachts? Dat zijn de weeën, de geboorte van een karakter. Eerst zingen, dan dansen. 

 

Opmerkingen?

De maker heeft te veel van zichzelf in de vragenlijst gestoken. Met de patiënt heeft dit weinig te maken, de vragen noch de antwoorden. Het is talmen tussen twee werelden. Ik eis een overzicht. Kan iemand een einde maken aan deze verwarring? Ik moet zo dadelijk onder de scanner.

 

Doodsverlangen?

Niet aanwezig, hetzij bij patiënten die met ons de ruimte moeten delen. Er loert voortdurend iemand door het sleutelgat, je kunt zijn schaduw zien. Maar hij komt er niet in, daar zorgt de staat wel voor.

 

Behandeling?

Een deurtje van titanium in het schedeldak dat naar goeddunken van de geneesheer geopend en gesloten kan worden. Titanium, messing, cadmium, kobalt. De opname is vlot verlopen, de anesthesist en de chirurg worden nu naar de operatiekamer geleid.

 

En als de deur het overneemt?

Dan komt er wel een poortwachter om geintjes mee te maken, een grafdelver, een spook.

 

Nog meer grapjes?

Ik moet meerdere keren slikken bij dit door een ander geschetst zelfportret. Dan grist iemand de papieren weg. Twee ziekenbroeders komen aangesneld en tillen me op. Ze hebben geen oog voor mijn hoofdhuid. Ze vervoeren me en ik word nogmaals opgetild. Een anesthesist vraagt me om tot tien te tellen. Ik doe wat hij vraagt. Op de operatietafel, door de kieren tussen vraag en antwoord klaart het op. De maan en twee vliegtuigen zichtbaar, nu. Het ene vliegt naar de maan toe, het ander ervan weg. Als ik mijn ogen voldoende naar links beweeg, rol ik zo de droom in. Daar staat de koffie klaar. Van u mag er niemand in, maar ik heb mijn beslissing al genomen. Alle reizigers zijn welkom, ook de stilstaande. Ontwaken doe ik waar ik ben vertrokken. Vanaf nu blijft het deurtje open. De valvruchten stromen uit mijn schedel omhoog het luchtruim in.