Architectuur en dans verlangen naar elkaar

Auteur: Paul Robbrecht

Dit beeldessay is een ontmoeting met Wim Cuyvers, die ik als jonge architect gekend heb en met wie ik samenwerkte in de late jaren tachtig van de vorige eeuw. Cuyvers is een atypische architect voor wie het schrijven van beschouwende teksten en verhalen een wezenlijk deel is van zijn artistieke activiteit. Op deze bladzijden wil ik iets zichtbaar maken van mijn fascinatie voor de aanwezigheid van mensen in ruimten. Het is duidelijk dat de architectuur zonder deze sensuele aanwezigheid leeg en zonder betekenis is.

Een uiterste uitbeelding van mensen in de ruimte tonen schilderijen uit de vroege renaissance: de fascinatie voor het perspectief, de aanwezigheid van het bezielde meubel. Zelf heb ik gedurende decennia getuige mogen zijn van dansende mensen. Dansers die de ruimte betrekken. Dans die zich ontwikkelt langs geometrische patronen. Van het allereerste ogenblik was ik door die choreografieën aangegrepen en mijn belangstelling is onverminderd gebleven. De dans is een deel geworden van mijn eigen leven in ruimten, de dans is in mij gevloeid.

In dit beeldessay zie je een project waarin de observatie van mensen in gebouwen een aanvang is en een slotstuk. Een onderzoek naar een mogelijk danstheater en het sculptuurpaviljoen ‘Het Huis’ dienen als documentatie. Het beeldessay toont ook het werk dat we leveren op basis van een getallenreeks, de Louie, die we sinds het midden van de jaren negentig hanteren. De reeks is uiterst eenvoudig en handig, gebaseerd op de getallen drie, vijf en zeven en al hun onderlinge vermenigvuldigingen. Alle getallen in de reeks omvatten een centrale, open ruimte en raken daarmee het wezen van de architectuur. Daartegenover staat het getal twee. Dit getal representeert de mens, de relatiesymmetrie van het menselijke lichaam, man–vrouw, et cetera. Alle even getallen zijn gelijk aan twee, al is er een kwantitatief verschil.

Dit beeldessay toont ook het onderzoek dat wij doen in de wereld van de kleur. De kleuren als identiteiten die ruimte genereren. Hierbij speelt de afwezige kleur een doorslaggevende rol. De afwezigheid stelt opnieuw het open midden aan de orde en ook de onvolkomenheid, wat het wezen van ‘het verlangen’ is.

Het enigmatische verhaal van Wim Cuyvers wordt door dit geheel omsloten. Het is autonoom aanwezig in dit boeknummer, maar in confrontatie met de beeldenreeks ontstaat er een onderlinge bevraging. Want ook in zijn tekst sluimeren patronen, die eerst onzichtbaar blijven, maar nadien geometrische figuren vormen.