Een levenssymfonie die zich onophoudelijk verrijkt. Over 'Crudités' van Anneke Brassinga

Liesbeth D’Hoker

Crudités is geen grafschrift en markeert geen einde, maar net een aanhoudend beginnen. Dat maakt Anneke Brassinga (1947), dichter, literair prozaïst en vertaler, van de eerste bladzijde duidelijk. Het motto dat ze aan haar prozabundel laat voorafgaan heeft het over een verhaal dat zich door voortdurende bezinning niet laat voltooien, maar steeds opnieuw wordt afgetrapt. En ook de ‘green man’ op de cover, met zijn gezicht dat uit de oppervlakte barst, omkranst door eikenloof, staat symbool voor deze hang naar hergeboorte, de komst van een nieuwe lente.

Cycliciteit bepaalt Anneke Brassinga’s denken en vormt de ontstaansgrond van dit boek. In Crudités buigt ze zich over tal van thema’s en motieven die ze al eerder verkende: schrijvers en denkers die haar inspireren, reflecties over poëtica en vertaalarbeid, de lichamelijkheid van taal en natuur. Een hernieuwd denken gaat uiteraard vergezeld van de terugblik. Brassinga behandelt de gelaagdheid – de stollingslagen, afzettingen, sedimenten die zich door jarenlange denkbewegingen gevormd hebben en die ze ook lichamelijk in zich draagt. Het gaat om een tastbaar denken, wat tegelijk nauw aanleunt bij Brassinga’s focus op de materialiteit en weerbarstigheid van taal, het basismateriaal – de rauwe groente – van de dichter/vertaler.

Brassinga’s geest is belichaamd en lyrisch, maar beschouwen doet ze scherp, trefzeker en meerstemmig, geschraagd door de echo van de grote namen uit de westerse literatuur (Benjamin, Nabokov, Van Ostaijen, Proust, Brodsky, Diderot, Adorno, enzovoort) die ze nooit koket maar met grote naturel laat meeresoneren: ‘Ik zit hier nu een beetje George Steiner na te praten […].’

De compositie van Crudités – een titel die ze al eerder gebruikte voor haar poëziecolumns in de Poëziekrant – volgt die van een maaltijd. Opnieuw een zinnelijk gegeven. Tussen de verschillende gangen serveert Brassinga zogenaamde ‘entremets’, tussengerechtjes. In Crudités zorgen de entremets voor variatie en dosering, de lezer kan even op adem komen met Brassinga’s eigen en door haar vertaalde poëzie, toneelteksten en zelfs een libretto.

Dankzij de veelvormigheid en een steeds wisselende tonaliteit voorziet Brassinga het geheel van de nodige luchtigheid. Want inhoudelijk gaat ze de confrontatie met zware thema’s, zoals de staat van onze veelgeplaagde wereld, existentiële eenzaamheid en ‘de vloek van het nabestaan’, niet uit de weg. En ook op talig vlak (zinsstructuren, woordenschat, compositie) is het voor de lezer best werken. Brassinga wijdt haar leven naar eigen zeggen aan de eredienst van het woord, haar stijl is niet minder dan impressionant en getekend door ritme, klank en een rijk – soms barok, soms archaïsch – corpus.

Brassinga spreekt erudiet maar nooit stijf, haar stijl verrast en sprankelt, verschuift probleemloos van stellig naar laconiek, van uitzinnig naar ingetogen. Niet helemaal ernstig of net één en al ernst, voor de lezer klinkt onder al die toonzettingen steeds duidelijk één stem. En die is onmiskenbaar Brassinga, of het nu essays, lezingen, columns of gedichten zijn. Al signaleert ze zelf wel een belangrijk verschil tussen haar prozawerk en poëzie. Proza beschouwt ze als een gesprek, daar zou ze achteraf niets aan veranderen. Ze wil de conversatie gewoon te gepasten tijde voortzetten terwijl ze haar gedachten ontwikkelt. Crudités is dus de tijdelijke uitkomst van zo’n voortdurende voortzetting. Haar poëzie is nooit af, een gedicht is voor Brassinga een tekstlichaam dat pas, net als zijn maker, voltooid zal zijn in de dood.

 

            De vloek van nabestaan

           

            […)

 

            Was ik van alle liefsten niet de naaste? Zij

            raakten ontvreemd. In asbus en kist gesloten
            na kleinmoedig leven, dat helderziend slaap-
            wandelend ons in zich had verweven: gewaad

 

            van woordentover tegen gotspe der natuur.

            Als ze niemand rest om te bezweren werp ik

            de geboden weg. Zal dan het wettische weer

            aarde zijn, dorstend naar wiens bloed ook maar.

 

 

Al wat beweegt laat sporen na

Brassinga’s schriftuur – ‘gewaad/ van woordentover tegen gotspe der natuur’ –  getuigt van wat ze in Crudités ‘het dichterlijk leven’ noemt, ook als ze geen poëzie schrijft. Dichters hebben immers oog ‘voor heel andere dan de eigen dimensies’ en bespeuren ‘toch juist daar een analogie en een verbinding […] met het eigen benarde bestaan.’

Brassinga is geen dichter van de directe mededeling, ze doet niet aan ‘ikkerig gemier over identiteit en erkenning’, betracht geen mimesis. In dat alles is ze dus vrijelijk oneigentijds. Ze beoogt integendeel ‘een resonerende formule die bezwering, incantatie is’. En hoewel haar teksten ten volle verankerd zijn in deze ‘veelgeplaagde wereld’, benadert ze die sterk vormelijk, langs de weg van verdichting.

‘Spitwerk’ noemt ze dat in haar essay over Mallarmé; dit zwoegen aan een gedicht, de dichter die zich met heel zijn lichaam uitput om ‘het enorme raadsel’ te verklanken. Brassinga voelt zich daarin verwant aan enkele visionaire schrijvers die ze opvoert, figuren als Mallarmé, Hölderlin, Nietzsche en Van Ostaijen dragen voor haar een geheim in zich, een ‘diepst verborgen Juwelenkistje van de geest’.

Ze herkent in hun werk bovendien haar eigen ‘drang tot voortplanting in taal’. Brassinga keert doorheen Crudités meermaals terug naar wat ze er ‘groeizame verdichting’ noemt. Een  interessant uitgangspunt waarin ze natuur, levenscyclus (voortplanting) en poëzie laat samenvloeien tot een organisch geheel. De verwevenheid van deze drie domeinen staat centraal in haar poëtica. Het gaat om een talige schepping, een levende concentratie die voedsel aan zijn omgeving onttrekt, groeiend in beweging is en zelfs de kracht tot voortplanting in zich draagt. Brassinga borduurt er steeds op verder, zoals wanneer ze taal en natuur aan elkaar gelijkstelt als ‘de ene wereld waarin wij te gast zijn, en die zelfs, ons heeft voortgebracht.’ Een overlapping die ze onder meer aanschouwelijk maakt in het gedicht ‘Natuurlijke historie’ uit de cyclus ‘Tien min of meer droefgeestige gedichten’ :

 

                     […]

Spichtig en wijd uitstaand is mijn fraaie zuring

als Gezelles ruisend ranke riet,

spraakzaam kraken onze takken –

 

het orakel schreeuwt uit al zijn blad

tot zwaar, haast levenloos, de bossen eeuwig zingend vallen.

De specht van je geslacht heeft dan het nodige gezegd.

 

Natuurbeleving en -beschouwing zijn centrale motieven in Brassinga’s oeuvre, de eikenkoning op het voorplat, maar ook titels van vroegere dichtbundels Aurora, Landgoed, IJsgang, … en het pseudoniem A. Tuinman waarmee ze met literair proza debuteerde in De Revisor (1974) wijzen hierop. Daarbij mikt Brassinga op sublimering van die natuur, zowel de ‘menselijke, maatschappelijke als naturele natuur’  – ‘[w]ant uit contrast […] wordt een geheel geboren’. Zowel natuur als taal drukken voor Brassinga niets uit dan hun eigen wondere aard. Het zijn onvoorspelbare, zo autonoom mogelijke werelden die ons hebben voortgebracht. Het ik moet er zich toe verhouden, maar kan er niet geheel mee samenvallen. In Tussen vijf en twaalf (2005), het brievenboek dat Anneke Brassinga samen met fotograaf Freddy Rikken samenstelde, zegt ze: ‘Begrip is zeldzaam en is altijd iets fysieks volgens mij, in het brein of tussenbeens, dus ook altijd iets kortstondigs. Daarna is het weer gissen naar wat iemand werkelijke bezielt.’

Brassinga zet hoog in, al gaat die hoge inzet evengoed gepaard met vergeefsheid. Een dynamiek van schijnbaar onverenigbare componenten maakt dat Brassinga’s werk bruist van vitaliteit. Al schrijvend tracht ze het onbehagen dat haar al van kindsbeen af binnen wist te dringen kwijt te raken of minstens te sublimeren in woordkunst.

In Crudités is dat onbehagen sterk verankerd in de planetaire catastrofe. De opgenomen gedichten zijn treurgezangen voor wat verloren dreigt te gaan, ze kijken de ondergang in het gezicht en barsten van zowel leven als ontluistering. Onstuitbare vitale kracht voegt schakering toe aan het wanhopige, veroorzaakt een ambiguïteit die prikkelt.

‘[T]aal is zand’ beweert ze langs de neus weg op een borrel in de tuin van een uitgeverij. Een boude onbezonnenheid die om verwerkelijking vraagt in de denkbeweging van een essay. ‘Taal is zand’ is een heel fijne tekst, variërend tussen de modi van lezing, essay en reisverslag, waarin Brassinga toont waartoe ze met taal in staat is.

 

[…] wat taal en zand gemeen hebben: dat ze bestaan uit losse componenten die op verschillende manieren kunnen schuiven en glijden ten opzichte van elkaar, en daarin de souplesse van een groot levend wezen lijken te hebben. De beweeglijkheid van het medium, de ontvankelijkheid ervan voor de hand – al zet die bijvoorbeeld maar een komma of een punt – dat is waar de vertaler zijn plezier uit put. Daarom is het goed te beseffen hoe lichamelijk taal is, verbonden met niet alleen woordenboeken en literaire traditie, maar ook en vooral met de schriftuur van de natuur.

 

Brassinga experimenteert en verkent associatief de onuitputtelijke mogelijkheden van haar talig bestaan. Zowel uit de beschouwing over als uit de opgenomen vertaalarbeid spreekt een voorliefde voor schrijvers die net als Brassinga zelf een talige speeldrift en een sterke verankering in de orale traditie onderschrijven. Niet zelden zijn het auteurs die ook een enigszins dwars een ‘parcours met haarspeldbochten’ durven lopen. Ik genoot ontzettend van de in de bundel opgenomen vertalingen van theaterteksten van Beckett, net als het door Brassinga vertaalde ‘Exotisch fruit’: Chinese gedichten die ze tijdens een symposium vanuit het Engels vertaalde. Ook haar eigen gedichtencycli die focussen op de staat van mens en natuur zijn om duimen en vingers bij af te likken.

 

Vaarwel aan het kuikentje esperanza

Vaarwel aan ‘het kuikentje esperanza’, klinkt het quasi kinderlijk vrolijk in een vers dat de hoop uitwuift en wenst dat de planetaire nederlaag ook een bevrijding mag zijn – ‘opdat het snel ga zonder weerga wat hier wordt opgedoekt’.  De thematiek van afscheid en einde krijgt in het licht van Brassinga’s eigen gezegende leeftijd uiteraard enige bijklank. Hier is niet alleen een auteur bezig die de (eigen) schepping overschouwt maar ook suggereert dat ze klaar is voor wat volgt.

 

            Engelengeduld?  Waar wachten ze nog op – mijn hemd

            van lijnwaad heb ik aangetrokken. Het tijdperk

            der normale gebeurtenissen is voorbij maar wij

 

            beschikken niet over de motor die ons kan verheffen;

            […]

 

Mens en natuur zijn net zoals fictie en dichtkunst vormen van schepping: dynamisch en grillig. Het zijn zaken die niet scherp af te bakenen zijn of helemaal samen te vatten. De veelheid van registers associeert Brassinga met die van natuurverschijnselen: ‘[…] grotesk, satirisch, lyrisch, verheven, al naar het […] uitkomt, zoals het in de buitenwereld kan sneeuwen of dooien, verstild en donker kan zijn of stralend en vol vogelenzang en vitale vibraties.’

Als kluizenaar in afzondering spendeert Brassinga haar leven aan het woord, zowel als vertaler als auteur tracht ze taal te laten glanzen. In een brief aan Freddy Rikken omschrijft ze haar drijfveer als ‘het indringende gevoel iets te moeten uitzoeken zonder te weten waar ik aan begin’. Deze inspanningen bezitten een mystieke dimensie; Brassinga streeft naar sublimatie van pijn, duisternis en ontij en warmt zich in haar onbestemd verlangen aan het gezelschap van geestesverwanten. In het werk van onder anderen Beckett, Broch, Kafka herkent ze haar hang naar ikloosheid. Ze wilt even van zichzelf bevrijd zijn in die schaarse ogenblikken waarop alles goed is en de wereld op zijn plaats valt. Brassinga getuigt van een sterke ontvankelijkheid voor muziek en landschap en hun verheffend potentieel.

De gedroomde ikloosheid jaagt ze ook in haar vertaalarbeid na, het gaat erom ‘al vertalend plaats [te] maken voor een ander ‘ik’: dat van de tekst. Niet de vertaler dient zich te vereenzelvigen met de tekst […] de tekst moet hém overweldigen, hém kunnen binnendringen, zijn ‘ik’ tijdelijk tenietdoend.’

Aandacht voor de mystieke inslag is tevens aanwezig in haar benadering als vertaler. Ze categoriseert zichzelf onder de zogenaamde ‘sourcières’, de brontekst is voor haar van het allergrootste belang, ze wil iemands taal voelbaar houden ‘als een tijding van ver’. Een benadering die ze verbindt met de lichamelijkheid van taal, het zintuiglijk verstaan in de vorm van klank. Want taal is, in het spoor van Gorter aan wie ze in Crudités een essay en gedichten wijdt, bovenal een hoorbaar medium, al aanwezig van in de moederschoot. Ze gelooft in het beroerd worden door een taal die je niet verstaat –‘vogelzang’, een ‘lawine van keitjes die een helling afrolt’, ‘het fluiten van dolfijnen diep onder water’. Wat Brassinga betreft zijn dit stuk voor stuk ‘[a]rticulaties, waar we ons eigen geheim, vrij van toegevoegde betekenis, in horen.’

 

Baldadige taal

Het resultaat van Brassinga’s oprekken van wat talig mogelijk is, haar experimenten in de ‘mentale erlemeyer’, haar dichterlijke smeedkunst ook, zijn bij momenten surrealistisch.

 

Surrealisme is een transformatiekunst: wraakzucht, woede, verdriet, rouw, worden omgezet in klank en in mentale elektriciteit, hersenvonken, megalomane beeldopblazingen.

 

In een stuk over de roman De God Denkbaar Denkbaar de God van Willem Frederik Hermans die Brassinga de betoverende gewaarwording bezorgde in iemands droom te zijn getreden, maakt ze dan ook de koppeling tussen irrationaliteit en een hogere vorm van begrip: ‘als een natuurreservaat waar we elkaar verstaan via de ratio van het irrationele: daar waar het surrealisme en de lyriek, de muzikale frasering en het repetitief ritmische een eigen rituele logica belichamen.’

Het is voor de lezer niet altijd even eenvoudig om zich mee te laten voeren op de woeste baren van Brassinga’s erudiete geest. Zowel haar gedichten als het poëtisch proza vragen om een traag, aandachtig en soms ook kopjeonderlezen dat het zoeken naar of vasthouden aan betekenis durft los te laten. Haar teksten resoneren het best als je meeschuivend, vloeiend, roetsjend, stuiterend en botsend met/op de beweging van de tekst leest. Hardop of tenminste verklankt in je hoofd lezen helpt hier dikwijls bij. Het draait immers om het soms bevreemdende samenspel van klanken en beelden, ritmering en de zinnelijke inwerking ervan.

De meeste gedichten opgenomen in Crudités vind ik zeer geslaagd, maar er zijn er ook die mij zelfs na herhaaldelijk lezen en opbreken in stukjes nog steeds buitensluiten. Ze zijn zo onconventioneel en weerbarstig, gekant tegen begrip dat ik genoegen neem met hun fysieke karakter, de bedwelming van de zingende woorden en woordgroepen, de speelse taalcapriolen.

De poëziecolumns die Brassinga schreef voor de Poëziekrant en die hier opgenomen werden in Deel V Van dichtbij lezen ondersteunen evenwel de lezing van haar eigen werk. Via de methodiek van close reading van een door haar geselecteerd gedicht geeft ze inkijk in de denksprongen van haar lenige geest. Naast een rijk corpus dat zintuiglijk verkend wordt, laat ze zich ook leiden door een intertekstuele, corresponderende manier van lezen. Het betreft een lezing die door zijn openheid nooit af is. Zoals ook het gedicht voor Brassinga een levend tekstlichaam is, steeds onderhevig aan revisie.

 

Een gedicht is pas af, denk ik, als het onaf genoeg is, als het openingen biedt waardoorheen de lezer het kan zien liggen als een pas ontstaan wezen in zijn ideale vorm, nog niet gestold, maar vloeiend op weg naar voleinding die uitblijft.

 

De morele consequentie

Het open karakter van Brassinga’s poëtica komt met een ethisch surplus, net omwille van de openheid moet je je ertoe verhouden, gewetensvol afwegingen maken, nadenken over goed en kwaad. Zodra en omdat alles mag begint de morele afweging: ‘In die totale vrijheid blijk je het aan je geweten verplicht erover na te denken (…)’. Die morele implicatie geldt opnieuw ook voor haar vertaalarbeid; hoe meer mogelijkheden er zijn, hoe groter de verantwoordelijkheid ook wat de vertaalkeuze betreft.

In de voorwoorden tot de door haar vertaalde en in Crudités opgenomen toneelstukken en een libretto van Gertrude Stein, stelt ze: ‘Dat de taal zich uitsluitend om zichzelf bekommert, en dat wij haar aan het woord kunnen laten in plaats van er zelf “dingen” mee te willen zeggen, is soms een werkzaam antidotum tegen demagogie, verkooppraatjes, arglist en leugens. Ogenschijnlijke irrelevantie kan als tegenbeeld de drogschijn onthullen van zogeheten relevantie die dient om een gehoor (al dan niet digitaal) te overreden.’

Ook in haar reflectie over het door haar vertaalde Burmese DaysBirmaanse dagen van Orwell slaat ze een brugje tussen taal en fictionalisering en de politieke strijd tegen strak beregelde systemen die ons gevangen houden, bovendien legt ze er expliciet de link met de recente actualiteit:

 

[…] in een machthebberssysteem, zoals een koloniaal systeem dat bij uitstek is, gaat het geweten, de moraal, het rechtsbesef van welgeteld iedereen naar de bliksem, iedereen raakt aangetast, gecorrumpeerd, als het gezag onherroepelijk de macht uitoefent. Zodra je niet gehoorzaam bent, en zodra je ophoudt je medeplichtig te maken aan de heersende regels, ben je de klos, verdacht, strafbaar. Zie Rusland anno nu.

 

Of je nu gehoorzaamt of niet, het maakt niet uit, in dictatoriale regimes kan je geen kant op, je zit gevangen in het systeem. Maar fictie, zo stelt Brassinga met Orwell, heeft een verbeeldingskracht die lezers kan aanzetten tot reflectie over ‘de gevangenschap als grondvorm van ons bestaan.’ Bovendien houdt literatuur en woordkunst de mogelijkheid tot spelen overeind, wat op zijn beurt een gevoel van vrijheid en ontlading bewerkstelligt. Met Brassinga: ‘Ik geloof dat poëzie de illusie belichaamt van een denken dat geen heren dient, dat in- en tegenspraak verenigt en zich losmaakt van de retoriek van zelfbevestiging en overreding.’

 

Poëzie is soms een handreiking naar het Niets dat Alles zou kunnen zijn. En een verweer tegen het uitdoven van de geestkracht die zich opwerpt tegen verstikkende machtslust en onderdrukking, tegen willoze volgzaamheid en meeloperij.

 

Poezie kan dus niet los worden gezien van ethiek, van de vraag naar je morele inzet: waar sta je? Een boek is voor Brassinga een protest ‘tegen de manier waarop mensen zichzelf en anderen kunnen reduceren, in hun bestaan en gedrag, en hoe wij ons laten kneden tot figuranten, meelopers, medeplichtigen, handhavers, in een zogeheten “wereldgeschiedenis”.’

Hoogst relevant dus in het licht van de hedendaagse rampsoed en verwoesting, al maakt Brassinga zich geen illusies over de reikwijdte ervan. Je wordt geen beter mens door literatuur, stelt Brassinga, integendeel, het is een bliksemafleider. De empathie waartoe je als lezer – één en al ontvankelijkheid – in staat bent, weet je amper in het leven van alledag op te brengen. Met dit soort kritisch tegen-de-keer-denken prikkelt Brassinga, ze dwingt de lezer om ook de eigen positie te overschouwen. Toch zingt Crudités vol lof over de letteren en is Brassinga een en al strijdvaardigheid wat de huidige ontlezing betreft. In de persoonlijke getuigenis ‘Mijn oerboek’ vertelt Brassinga over haar rite-de-passage in de letteren. Een werkster bracht Winnie de Pooh onverhoeds op haar pad: ‘De bewegingsvrijheid in de schriftuurlijke wereld bleek zo onuitputtelijk als ik meteen had bevroed. Nog altijd is het mijn verlangen alles te lezen, het Al te lezen, daarginds, in dat hier waar het werkelijke levend is en onafzienbaar.’ De overdaad uit Winnie de Pooh bleek reëel in overdrachtelijke zin: literatuur is voor Brassinga ‘het land van de gecondenseerde melk en honing, de spijs waar Pooh altijd trek in heeft.’

Ook in het slotessay ‘Getuigenis van ouderdom’ verwoordt ze de troost en de redding van het lezen: ‘Mijn hang naar opheldering vond een bedding in wat ik las; magiërs als Nabokov en Borges en zelfs visionaire somberaars als Van Oudshoorn werden mijn redding.’

Crudités is net zoals Brassinga’s vroeger beschouwend werk een persoonlijke en gepassioneerde getuigenis van de zoektocht naar troost en existentiële zingeving die literatuur en ruimere kunstbeleving kunnen schenken. Reflectie over wat tot de waardevolste kern van haar leven mag behoren. Brassinga beheerst en etaleert haar ambacht als geen ander, waardoor haar liefde voor het woord niet enkel wordt bezongen maar tevens rijkelijk in de praktijk gebracht. Ook haar poëzie trof me als dieppersoonlijk werk dat ik in al zijn dwarsheid zeer aangrijpend vind. Ik heb bij Brassinga iets gevonden waarvan ik niet wist dat ik het zocht: een oeuvre dat zich niet helemaal laat doorgronden, en de lezer net daardoor in de ban houdt.

 

BIBLIOGRAFIE

Anneke Brassinga, Crudités. De Bezige Bij, Amsterdam, 2024.

Liesbeth D'Hoker over Anneke Brassinga
PDF – 364,6 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.