Inschrijven nieuwsbrief

De diffuse schrijver

Auteur: Hans Cottyn


Boeken hebben de hele wereld doordrongen. De digitalisering heeft het product van de schrijver nog meer dan voorheen gemeenschappelijk en dus ‘gratis’ gemaakt. Dat gaat samen met het feit dat het instituut van de schrijver helemaal afgebrokkeld lijkt. Sommigen beweren dat deze asymptomatische democratisering de schrijver zelfs totaal irrelevant heeft gemaakt, dat de barbaren het boekendorp hebben overgenomen. Is de schrijver in het reservaat gedreven om daar aan inteelt en irrelevantie weg te kwijnen? We starten onze zoektocht bij Kafka.

The Burning Question

Franz Kafka vroeg aan zijn goede vriend Max Brod om zijn papieren na zijn dood te vernietigen. Zoals bekend deed hij dat niet. Brod liet daarentegen romans als Het proces en Amerika publiceren en in 1935 het verzameld werk. Enkele losse teksten bewaarde Brod voor zichzelf in zijn appartement in Zürich. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ontvluchtte Brod Europa. Hij nam zijn belangrijke literaire archief mee en vestigde zich in Tel Aviv. Een groot deel van Kafka’s erfenis belandde uiteindelijk in de Bodleian Library in Oxford, maar enkele dozen bleven bij Brods dood in 1968 achter in Israël, waar ze door zijn secretaresse (annex minnares?) Ester Hoffe als een moederkloek werden bewaard en afgeschermd voor de boze buitenwereld.
       Overal ter wereld hadden Kafkaliefhebbers het ongeluk dat Ester Hoffe een zeer kranige tante bleek. Het duurde tot 2007 – 83 jaar na Kafka’s dood – vooraleer ze zelf het bijltje erbij neerlegde. Hoffe was 107 geworden. In 1988 was ze al eens langs de kassa gepasseerd. Om haar ongetwijfeld karige pensioen aan te vullen verkocht ze het originele manuscript van Het proces voor twee miljoen dollar.
       Wie nu aanspraak kan maken op de documenten, en een antwoord wil op de vraag of experten ze sowieso mogen inventariseren, is ondertussen de inzet van allerlei juridische peripetieën geworden. Mag het archief worden verkocht of is het ‘staatsbezit’, van welke staat overigens? Kafka moet zich niet alleen omdraaien in zijn graf, hij zal het wereldrecord omdraaien ondertussen ruimschoots hebben gebroken …
       Niettemin is het een boeiende case, die aangeeft dat het product van de schrijver in min of meerdere mate toch als een soort van gemeenschappelijk bezit wordt beschouwd. Schrijvers kunnen niet veel anders dan daarin te berusten. Hoogstens kunnen ze een vriend of een afstammeling verzoeken om na hun dood omzichtig met de papieren om te springen. Ook Vladimir Nabokov vroeg aan zijn zoon om het onafgewerkte manuscript van de roman Laura te verbranden. Zoonlief piekerde daar al bijzonder lang over, en werd vervolgens door literair agent Andrew Wylie finaal aan boord getrokken van het Schip der Postume Publicatie. Dat de erfgenaam daarbij geholpen werd door een flinke som geld, hoeft daarbij niet eens onze verontwaardiging op te wekken. Wat zou u immers hebben gedaan, als zoon of dochter van de Wereldberoemde Schrijver?
       Ook een andere recente case uit de literaire actualiteit past in dit verhaal. Begin 2011 spanden de erven van J.R.R. Tolkien een rechtszaak aan tegen de onbekende Amerikaanse schrijver Steve Hillard, die in zijn roman Mirkwood de auteur van The Lord of the Rings opvoert als hoofdpersonage. De Tolkien Estate, met zoon Christopher Tolkien als belangrijkste beheerder, vroeg de stopzetting van de verkoop en de vernietiging van alle resterende exemplaren van het boek, dat Hillard zelf uitgaf en via Amazon te koop aanbood. De advocaat van de Estate stelt dat Steve Hillard ‘onwettig commercieel voordeel’ heeft gehaald uit de rechten en dat het boek ‘de naam, persoonlijkheid en reputatie van wijlen professor Tolkien trivialiseert’.
       Het zijn goede vragen. Mag je Tolkien als hoofdpersonage in je roman opvoeren? Mag je een vervolg op The Catcher in the Rye schrijven, zoals Fredrik Colting in al zijn naïviteit deed? Salinger vond in elk geval van niet. Wie mag het vierde boek (of het vijfde?) van Stieg Larsson uitgeven? Moeten we Andrew Wylie dankbaar zijn voor de postume doorbraak van Roberto Bolaño?

De onaantastbaren delven het onderspit
Schrijvers lijden al van bij het begin der tijden onder de spanning tussen de vrijheid die ze als scheppende kunstenaar opeisen en hun plaats in de maatschappij. Ze hadden de gave van het woord en veroverden zich hun plek op het arendsnest. Maar overal en altijd moeten ze vechten tegen de beperkingen die de gemeenschap moedwillig (of par hasard) oplegt. Je kunt immers nooit helemaal schrijven wat je wilt, want wat je schrijft komt in de openbaarheid terecht en wordt daar niet zelden tegen juridische meetlatjes gelegd. Klaus Mann bijvoorbeeld kreeg een proces aan zijn broek voor zijn roman Mefisto, waarin hij het hoofdpersonage Höfgen had geborsteld naar zijn vriend Gustaf Gründgens. Mocht niet, besliste een rechter. Het boek is nog steeds verboden in Duitsland.
       De vele voorbeelden geven het aan: geen heilig huisje staat nog recht in de literatuur. Het is voorbij met de schrijver als onaantastbare kunstenaar, van wie het artistieke product in al zijn zelfstandigheid een weg bewandelde door het culturele en maatschappelijke landschap en vergeten werd – of de canon haalde. De auteur en zijn boek worden op velerlei manieren aangevallen in hun artistieke en juridische onschendbaarheid. Een boek is het onderdeel geworden van het 360°-uitgeven, met de laatste beschikkingen van de auteur wordt niet zelden totaal geen rekening gehouden en de nalatenschappen zijn de inzet van grote polemieken of ovenwarme veilingen, schrijvers worden opgevoerd als literaire personages, klassiekers krijgen apocriefe vervolgen aangebreid door nobele onbekenden. Het zijn kwesties die allemaal goed passen in het postmoderne spel van gespiegelde identiteiten, persiflerende herhalingen en mise-en-abyme, een zaak die ondertussen omstandig en uitentreuren werd beschreven, geanalyseerd en gedissecteerd.
       Wie bezit het product van de schrijver? Alleszins niet langer de schrijver zelf. In beperkte mate nog wel de erven of de literaire agent, maar die houden slechts de schijn op. De uitgever? De samenleving? Google Books? De lezer? Allemaal bezitten ze een stukje. De literatuur is het conglomeraat van stakeholders geworden.
       Het boek bleef lange tijd de constante eenheid tijdens en na het leven van de schrijver. Dat is niet langer zo. Wat de schrijver schrijft behoort nog maar in beperkte mate hem of haar toe – en dat uit zich niet alleen in het feit dat de auteur in het vigerende businessmodel ook het kleinste deel van de opbrengsten vangt. Het sacrosancte dat lange tijd over het boek of zijn schepper heerste, is helemaal verdwenen. Het boek ligt in al zijn naaktheid op het publieke grasveld.

Reductio ad Google
Is dat de schuld van de digitalisering? Put the blame on Google, om zo te zeggen? Ja en nee. Het is dankzij de digitalisering dat een zelf gepubliceerd en via Amazon verkocht boek met Tolkien als hoofdpersonage een publiek kon vinden, en de erven tot resolute actie dreef. In zulke faits divers zie je scherp het conflict tussen oudmodisch en modern. Ook de heisa rond het Google Book Settlement heeft aangetoond dat het auteursrecht, dat lange tijd een goede bescherming bood aan de schrijver en het boek op de Olympus hield, onder grote druk staat. Robert Darnton heeft al gewaarschuwd voor onze afhankelijkheid van de boeken die Google digitaal zal aanbieden en al aanbiedt. Anderzijds, dat vermaledijde internet is ook maar een vehikel, en niet de androïde die van elektrische schapen droomt. Laat ons proberen te kijken voorbij de firewalls.
       Het instituut is verkruimeld en het is de grote vraag hoe erg we dat moeten vinden. Je hebt de relativisten en de doemdenkers. Tot die laatsten bekende zich onlangs nog schrijver-criticus Marc Reugebrink. Hij verwoordde het in rekto:verso op deze manier: ‘Literatuur is feitelijk in een reservaat gedreven. Juist dat reservaat maakt dat critici, maar ook veel schrijvers zelf, kunnen doen alsof hun neus bloedt. Men kan binnen draadgaas en prikkeldraad lustig voortgaan met het uitvechten van vetes, met hoogfilosofische discussies over “de juiste lectuur”, met steggelen over kwaliteit – allemaal zaken die minder arbitrair zijn dan ze misschien lijken. Maar dat verliest alle geldigheid, zodra het om de echte werkelijkheid buiten de afrastering gaat.’ Reugebrink heeft het in zijn artikel voornamelijk over de criticus, die in een ideale wereld uitlegt wat een boek te maken heeft met de ruimte eromheen. Schrijvers (en hun critici) hebben het altijd maar moeilijker om dat verband te verduidelijken, tot op het punt waar er dus een reservaat ontstaat.
       Een iets minder pessimistische toon slaat de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco aan in zijn recente cultuurfilosofische essay De barbaren. Baricco vertrekt van enkele verrassende terreinen (wijnen, voetbal) om tot de wereld van het boek te komen. Volgens de schrijver van romans als Zijde en City is het boekendorp op zijn beurt binnengevallen door ‘de barbaren’ die uit zijn op een snelle hit-and-run en slechts willen surfen boven het oppervlak van een tekst maar niet meer in de diepte willen duiken. Er is geen tijd meer voor het trage, bedachtzame lezen van, om maar iets te noemen, Madame Bovary. Als dat boek nog verkocht wordt, dan is dat omdat het gratis bij een magazine zat of je ervoor kon sparen met je ontbijtgranen. De barbaren lezen daarentegen wel nog boeken, maar dat zijn ‘boeken waarvan een film is gemaakt, of romans geschreven door tv-persoonlijkheden, of verhalen van mensen die op een of andere manier beroemd zijn geworden (ze vertellen verhalen die ook al ergens anders zijn verteld)’.
       Ook Baricco wijst met het vingertje naar Google. Hij noemt het tweede deel van het boek niet voor niets ‘Ademen met de kieuwen van Google’. Baricco lijkt de zoekmachine inderdaad te zien als een elektronisch en ontmenselijkt superbrein. Het is een visie die eerder in de scifi van de jaren 1970 past en die je krijgt als je er te dicht op staat. ‘Google is het kampement van de barbaren’, aldus Baricco. De nieuwe beschaving (Baricco is niet karig met de grote woorden, hij zet het woord niet eens tussen ironische aanhalingstekens) legt de nadruk op de (totaal)ervaring, de beweging, het multitasken, de transitie, het spektakel, de sequentie. Allemaal dingen waar de googelende mens pap van lust. Maar is het nu barbaars of is het nu een nieuwe beschaving? Het lijkt een nominatieve kwestie maar het is het niet.

De diffuse schrijver
Is de literatuur in het reservaat gedreven, zoals Reugebrink beweert? Nee, antwoordt Baricco: het dorp is onder de voet gelopen door de barbaren, die met iets zielloos zijn komen aanzetten. De ‘revolutionaire’ mutatie zit hem in het feit dat het boek niet meer naar zichzelf verwijst zoals voorheen, dat het onderdeel geworden is van een bredere, culturele sequentie. Of de anima daarmee uit de literatuur is gevloden, zoals Baricco met zowel weemoed als leedvermaak lijkt vast te stellen, is maar zeer de vraag.
       In het reservaat gedreven of onder de voet gelopen? Literatuur is overal heen gelekt, moet je durven waarnemen. De macht of relevantie van de schrijver is diffuus geworden. Er werd door ‘barbaren’ (de modernen, de digikids, de nieuwlichters, de hyperlinkers, de stand-upcomedians, de schrijvende tv-sterren …), een matglas over de literatuur gelegd. Inderdaad ook met de hulp van de digitalisering. Maar de relevantie van de diffuse schrijver is daarom niet minder reëel dan in de romantiek. Ook niet reëler, overigens. Precies in deze diffuusheid kan de schrijver zijn relevantie vinden. De schrijver kan in zijn verwarring en misschien ook met behulp van het internet antwoorden vinden op lastige vragen.
       Baricco is, als schrijver, het beste bewijs dat boeken dan toch nog niet al hun relevantie hebben verloren. Ook zijn autoriteit en weerklank haalt Baricco uit andere manieren van spreken dan uit zijn boeken. Ook Baricco geeft de barbaren dus voeding (men merke op dat dit boek de bundeling is van een reeks artikelen die in een krant zijn verschenen). Maar anderzijds blijft hij zijn recht van spreken toch ook vooral uit zijn boeken halen, die alom worden gelezen en geprezen, ook door barbaren. Schrijvers hebben hun onaantastbaarheid verloren, maar toch zijn ze nu overal actief, als een vijfde colonne die achter de linies van de digitalisering aan een boek werkt, waarmee misschien een publiek bereikt wordt, waarbij misschien toegevingen gedaan worden in functie van mecenassen, uitgevers, subsidiërende overheden. Maar wat zou dat ook.
       Belangrijk is immers wel de tijd die we gunnen aan de schrijver, de tijd die eroverheen gaat om te bepalen of we het boek nog waardevol vinden om te lezen. Spreken we over tien jaar nog over het algoritme van Larry Page en Sergej Brin? Misschien wel, maar misschien ook niet. Als het al niet verdwenen is, zal het allicht niet zo nieuw meer zijn. Wie weet zijn we dan allemaal in de ban van Zuckerberg, en dan kunnen we daar ook weer schrik voor krijgen. Wel zullen we op zijn minst Madame Bovary lezen en erover spreken, want dat boek bijvoorbeeld weet generatie na generatie aan te spreken. Misschien zullen we het boek van Fredrik Colting, de would-be opvolger van Salinger, binnen enkele decennia nog waardevol vinden om te lezen. Maar in elk geval zullen we het nog hebben over Holden Caulfield zelf. Misschien weten we binnenkort of Kafka zich gelukkig mocht prijzen met een poortwachteres die 107 is geworden. Nu kunnen we al genieten van de brieven aan Milena.