Feuilles Volantes
‘Waarom willen we negativiteit lezen? […] Ik wil weten waar het goed, leuk, prettig, mooi en lekker is. En natuurlijk is dat subjectief. Maar dat vergeten we vaak, in ieder geval bij negatieve recensies. Als het slecht is, is het slecht. Dat moet toch anders kunnen. Te beginnen met boekrecensies. Stel je een verzameling van recensies voor, met alleen maar lyrische verhalen. Enthousiasme en emotie, blijdschap en gevoel stralen ervan af. En ja, soms ook liefde. Mooi toch. Zo is Why I Love This Book begonnen. Een website met alleen maar mooie verhalen.’...
Het onroerend goed van de literatuur: het schrijversmuseum als lieu de mémoire?
Hoe gaan we met de woonhuizen van overleden schrijvers om? Moeten ze na de laatste ademstoot van de auteur in ere worden gehouden als een schrijversschrijn, zonder dat er ook maar een inktpot van plaats verandert? Dient het publiek met een rood koord op afstand te worden gehouden? Of moet een eigentijds schrijversmuseum de 21e eeuw binnentreden en plaatsmaken voor publieksbeleving, participatie, interactie en een kunstenaarsdialoog tussen oud en nieuw? Af en toe staan deze kwesties zelfs in Vlaanderen in het middelpunt van een vurig debat.
Zo was er in 2008 al protest tegen de afbraak van het geboortehuis van Gerard Walschap in Londerzeel, de woning overigens waar de ouders van Walschap jarenlang een winkel uitbaatten. Onder meer PEN Vlaanderen, de Vlaamse Auteursvereniging en het Louis Paul Boon Genootschap trokken in een open brief van leer tegen de mogelijke sloop. ‘Hoe is het toch mogelijk dat een gemeentebestuur zo geheel géén consideratie vertoont voor het allerbeste dat uit die gemeente voortkwam? Wij zijn niet alleen verbijsterd, wij zijn ook diep teleurgesteld. Blijkbaar laat het literaire patrimonium een gemeentebestuur in Vlaanderen ijskoud’, zo schreven onder meer Geert van Istendael en Koen Stassijns. Ze vroegen aan de toenmalige minister van Cultuur Bert Anciaux of hij in overleg met de gemeente Londerzeel niet kon overwegen om het geboortehuis van Gerard Walschap aan te kopen. Anciaux had oren naar de oproep en liet een en ander administratief onderzoeken. Maar blijkbaar was er toch geen geld of wilde de eigenaar niet inbinden. In elk geval werd nog in augustus van 2008 begonnen met de afbraak van het huis.
In datzelfde jaar sloot het Cyriel Verschaevemuseum in Alveringem definitief de deuren. Niet dat die plat werden gelopen; de vroegere kapelaanswoning van de diep in de collaboratie verzeilde priester-dichter werd nog nauwelijks bezocht. De gemeente Alveringem, eigenaar van het huis, wilde niet langer opdraaien voor de kosten. Het schrijversmuseumpje, dat curieuze parafernalia toonde van Verschaeve, kreeg een nieuwe bestemming.
Twee jaar later was het de beurt aan een andere priester-dichter, zij het van groter en onbesprokener statuur, om postuum enige polemiek te zaaien. In het oude Guido Gezellemuseum had Gwij Mandelinck, zelf ook dichter en eertijds bezieler van de poëziezomers van Watou, de vaste collectie drastisch vervangen door moderne kunst ter gelegenheid van zijn Brugse evenement Poëzie in dubbeltijd.
Het gastenboek moest al spoedig een pak kritische opmerkingen incasseren van Bruggelingen en toeristen. Mandelinck repliceerde dat de Brugse reprimandes niet onverwacht kwamen, ‘maar dat we niet meer in de negentiende eeuw leven en dat Brugge Bokrijk niet is’. Een kenner vond dat Gezelle wel verbannen leek uit zijn eigen museum. ‘En dat voor een kamer vol plaasteren drollen, een kunstwerk van iemand die in Londen woont en werkt, een rode kamer met niets als inhoud, hier en daar wat affiches uit Paris Match en andere bullshit die met Gezelle niets te maken heeft.’ Tja.
De commotie rond het ‘leeghalen’ van het Gezellemuseum, de sloop van het geboortehuis van Gerard Walschap of de sluiting van het
Verschaevemuseum … hoe verschillend deze verhalen uit het recente Vlaamse literaire verleden ook zijn, de drie dossiers stellen de vraag of en hoe je schrijvers moet herdenken door hun ‘plekken’ te conserveren. Kun je schrijvers behoeden voor de vergetelheid door hun schrijfstekken in ere te houden en er een schrijversmuseum van te maken? Moet je dat doen door een genootschap op te richten en tweejaarlijkse ‘Mededelingen’ te publiceren? Breng je het verzameld werk uit, meerdelig en geannoteerd en in geitenleer gebonden? Of is alles beter op zijn plaats in een goed georganiseerd letterkundig museum als het Letterenhuis? Het zijn vragen waar de erfgoedmakers en -bewakers van vandaag danig mee worstelen.
De commotie rond het Gezellemuseum in Brugge maakt duidelijk dat de dichter wat van zijn relevantie is verloren. Het valt te betwijfelen dat het museum van een nog steeds gelezen, maatschappelijk relevante schrijver zomaar zal worden ‘uitgehold’ om plaats te maken voor andere content.
Van Verschaeve stond het een en ander in de sterren geschreven. Hij wordt alleen nog herinnerd om zijn zwarte oorlogsverleden, niet om zijn schamele, overjaarse gedichten of boeken. En dat het stormpje van protest tegen de afbraak van het geboortehuis van Walschap niet meer zoden aan de dijk zette, is wellicht ook tekenend voor hoe zijn boeken tegenwoordig nog worden geapprecieerd.
Alvast Jeroen Brouwers maakte zich bij zijn zeventigste verjaardag geen enkele illusie: ‘Een schrijver sterft twee keer. Met zijn lichaam sterft ook zijn oeuvre. De laatste halve eeuw is dat een wetmatigheid geworden. Waar is Hermans? Waar is Reve? Waar is Cyriel Buysse? Ze gloeien nog enigszins. Maar ook die gensters doven uit. Het verzameld werk wordt uitgegeven, je krijgt een biografie, maar dat zijn de grafstenen. Daarna is het voorbij. Vroeger was dat anders. Dat verbittert mij wel.’
Vroeger was het inderdaad anders, maar het is de vraag of het ook beter was. Op een negentiende-eeuwse museale invulling van een schrijversmuseum zit wellicht maar een minderheid te wachten. In het Poesjkinappartement in Sint-Petersburg is zelfs de bebloede sofa, waar de schrijver op lag te sterven na een fout gelopen duel, geen centimeter verschoven. De conservatoren doen er alles aan om het interieur intact te laten. En dat lijkt ook redelijk steriel. Een schrijversmuseum moet toch meer doen dan enkel ‘objecten’ tonen.
Toch blijft natuurlijk de fascinatie voor de plek waar de schrijver woonde en werkte erg groot. In Frankrijk trekken de woonhuizen van Balzac, Hugo of het Combray van Proust behoorlijk wat volk. Hugo heeft zelfs vijf lieux de mémoire (waaronder twee buiten Frankrijk), Alphonse Daudet vier en Balzac drie. Niet steeds zijn het toonbeelden van geavanceerde opstellingen, maar het ontroert wel om de werktafel van Balzac te zien of de scheepsmodellen in de werkzolder van het huis van Jules Verne te Amiens …
En wie in Engeland bijvoorbeeld in de zomer op bezoek gaat naar Sissinghurst Castle, waar de schrijfster Vita Sackville-West woonde, zal verbaasd staan te kijken van de overrompeling én de aanschuivende bussen. Al heeft dat ook veel te maken met de opmerkelijke, piekfijne tuinen die Sackville-West en haar man Harold Nicolson aanlegden. Maar toch: niet voor niets wemelt het in Engeland ook van de blue plaques aan de literaire woonhuizen, zorgvuldig in stand gehouden door de National Trust.
Kommer en kwel
Toch staan de comités die schrijvershuizen onder hun hoede hebben overal ter wereld onder druk. Ze vinden vaak niet genoeg centen meer voor het dagelijkse onderhoud. Er staan steevast projectontwikkelaars klaar om de gronden en de gebouwen te ‘exploiteren’, of de autoriteiten hebben andere prioriteiten. En soms zijn het zelfs de nazaten van de schrijvers zelf die woning, dekbed of tuin van de schrijver nu eindelijk maar eens te gelde willen maken, tot scha en schande van lezer en liefhebber.
Schrijversmusea hebben vaak een politieke of ontvoogdende bedoeling gehad, als ze dat niet nog hebben. De Finca Vigía in Havana, het tot tourist trap verworden huis van Ernest Hemingway, is voor de Cubaanse autoriteiten zowel een bron van Amerikaanse dollars als een culturele wonderzalf die de contacten met Hemingwaybroeders in Florida moet smeren. De Ierse schrijversmusea van George Bernard Shaw of de Schotse musea rond Robert Burns hadden van bij het begin een nationalistische drijfveer. Ze werden opgericht om de grootsheid van de in de eigen taal werkende schrijvers en dus de eigen volksaard te eren.
Nationalisme kan voor aanslepende problemen zorgen. In het Oekraïense Jalta staat al enige tijd de datsja van Anton Tsjechov te verkommeren. Prominente theatermakers als Kenneth Branagh, Ralph Fiennes en Tom Stoppard lanceerden een internationale actie om het verval te keren. Het buitenverblijf op het Krimschiereiland werd in 1921 een Tsjechovmuseum, maar het huis met de vele unieke memorabilia is in een deplorabele staat. Sinds 2005 werkt ’s winters de verwarming niet, het dak lekt en de fundamenten zijn onstabiel geworden. Een deel van het museum is afgesloten voor het publiek. Oorzaak is dat Oekraïne niet langer wil betalen voor het huis van een Rus, en dat Rusland niet wil betalen voor een museum in Oekraïne.
Maar meestal vormen gewoon desinteresse en geldgebrek het probleem. De Société des amis de Colette lanceerde bijvoorbeeld een onlinepetitie om te voorkomen dat het geboortehuis van de flamboyante Franse schrijfster in Saint-Sauveur-en-Puisaye (vlak bij Auxerre) zou worden verkocht aan particulieren. De burgemeester van het stadje wilde graag dat de leegstaande woning intact zou blijven en ‘een schrijversresidentie zou kunnen worden voor het brede publiek, dat aansluit bij het Musée Colette’. De bewonderaars van Colette drongen erop aan dat de Franse staat de woning klasseerde en de residentie aankocht. De Conseil général de l’Yonne toonde op zijn beurt de bereidheid om het huis om te vormen tot een studiecentrum. De Société des amis de Colette wees op het belang van het huis én herinnerde eraan hoe veelvuldig het gefigureerd heeft in haar boeken. Colette bracht er haar kinderjaren door en zei later: ‘J’appartiens à un pays que j’ai quitté.’
Ook in Nederland spelen deze problemen. De Nederlandse econoom en publicist Arnold Heertje richtte een actiecomité op dat zich ervoor beijverde om het vroegere woonhuis van Louis Couperus een culturele functie te bezorgen. Het huis in de Haagse Surinamestraat, waar Couperus opgroeide, stond ettelijke maanden te koop. Couperus schreef er in 1887 onder meer zijn beroemde roman Eline Vere. Sinds het nieuws bekend raakte, waren er nogal wat Couperusfans die zich zorgen maakten over de bestemming van het pand. Het Couperusmuseum vlakbij bundelde de reacties en zocht een projectontwikkelaar om het huis een bestemming te geven die ‘gelieerd is aan de Nederlandse schrijver’. Maar met het terugschroeven van de culturele budgetten bij overheid en sponsors bleek dat een onhaalbare kaart. De Stichting Couperushuis Surinamestraat werd opgeheven.
Daarom nemen sommige schrijversmusea alternatieve maatregelen om centen te genereren. Neem nu het Hemingwaymuseum in Florida. Daar kun je in het schrijvershuis een bruiloft, gouden jubileum of vrijgezellenavond organiseren, als je maar genoeg betaalt. In Swansea in Wales werd het geboortehuis van drinkebroer-bard Dylan Thomas volledig gerestaureerd. De eigenaars bieden het te huur aan als ‘een thema-ervaring’ rond de nog steeds immens populaire dichter. De fans kunnen verblijven in de kamers waar hij ter wereld kwam, lange tijd woonde en zijn eerste gedichten schreef, vaak geïnspireerd door de ‘ugly lovely’ atmosfeer van het stadje. Leunend tegen een verwarmingsketel boven in het huis schreef Thomas zijn eerste gedichten. De eigenaars werkten drie jaar aan de zorgvuldige restauratie, tot de fonograaf in de voorste kamer toe, en herstelden de situatie van 1914. De volledige Dylan Thomas experience kost 1.500 pond, waarvoor je zelfs een krant uit dat jaar ontvangt.
Geheugenplaatsen
De kommer en kwel enerzijds en de commercialisering anderzijds mogen niet doen vergeten dat er wel degelijk recente voorbeelden zijn van geslaagde en levende schrijversmusea. Het Knut Hamsunmuseum in het Noorse Hamarøy is er daar een van, ook al duurde het tientallen jaren om het er te krijgen. Het museum is een prachtig ontwerp van de Deense toparchitect Steven Holl. De directeur zegt uitdrukkelijk dat hij ‘alle aspecten’ van de Nobelprijswinnaar wil belichten, en refereert daarmee aan het dubieuze oorlogsverleden van de schrijver. Hamsun beleed openlijk zijn sympathie voor het collaborerende regime van Quisling. In 1943 stuurde hij zijn Nobelprijsmedaille naar Joseph Goebbels.
De kwestie houdt veel Noren nog erg bezig, en was ook de reden dat er voor het museum in oprichting niet genoeg fondsen konden worden gevonden, volgens directeur Bordil Borset. ‘How can one of the world's finest writers, someone who writes with such sensitivity about love, nature and the human psyche, take such a political stance as a person? I can't answer that. It's one of those contradictions of Knut Hamsun. Yes, he was one of the world's greatest authors, and yes, he supported the terrible Nazi regime, which we have absolutely no sympathy for.’ Het zijn allemaal bekende feiten, die het Hamsunsenteret dus niet wil en kan verdonkeremanen.
De Franse historicus en lid van de Académie française Pierre Nora lanceerde in de jaren 1980 het begrip ‘lieu de mémoire’ voor zijn meerdelige overzicht van de Franse geschiedenis. Een ‘lieu de mémoire’ – te vertalen als ‘geheugenplaats’ – hoeft niet noodzakelijk een aanwijsbare plek te zijn. Het kan ook een mythe, een gebeurtenis, een opera, een ritueel, een natie of een boek zijn. In Plaatsen van herinnering, het Nederlandse pendant van Nora’s Les lieux de mémoire, is bijvoorbeeld de Jozef Israëlskade 116-I in Amsterdam opgenomen. Daar werkte Gerard Reve aan De avonden, het boek dat zo treffend de generatie van vlak na de bevrijding beschreef.
Het verleden bestuderen en inschatten waarom het voor ons nog belangrijk is, kan slechts aan de hand van deze geheugenplaatsen, zo betoogt Nora. Het verleden is onherroepelijk voor ons verloren, maar we kunnen het geheugen opnieuw ‘vullen’. Een lieu de mémoire is een intentie tot herinneren, meestal vastgelegd in een materieel artefact. Zo bekeken is ook het in ontvangst nemen van de Prijs der Nederlandse letteren een geheugenplaats, zoals het jaarlijkse Boekenbal, een signeersessie op de Boekenbeurs of een lezing van een geliefde auteur dat kunnen zijn.
Wat we met schrijvershuizen doen, hoe we ze bewaren (of niet), hoe we ze inrichten (of niet), hoe we ze naar onze tijd proberen te halen, heeft te maken met de canondiscussie en het nationale (of regionale) besef, met de collectieve herinnering. Dat is dus voorwerp van een veel ruimere literair-historische discussie. Maar één ding staat vast: een hedendaags schrijversmuseum moet inderdaad een lieu de mémoire zijn waar een complex en gefaseerd verhaal kan worden verteld, een verhaal over de samenleving waarin de schrijver leefde en werkte …
Dat het precies daarom veel meer moet zijn dan alleen maar het materiële aspect – de gebouwen, de manuscripten, de brillendozen … – moge ook duidelijk zijn. Volgens de gedachtegang van Nora kun je zeer benieuwd zijn naar wat er van Het Lijsternest, het huis van Stijn Streuvels in Ingooigem, zal worden. Het is immers momenteel gesloten voor renovatie en herinrichting. Kan daar ook plaats zijn voor de naziverfilming van De Vlaschaard uit 1943, waarvoor Streuvels na de oorlog van collaboratie werd beschuldigd? Als dat zou kunnen, dan mag er best een Verschaevemuseum zijn, maar dan wel een waarin die onbehaaglijk stemmende aspecten worden belicht, waarbij bijvoorbeeld ook bepaalde boeken van Hugo Claus worden afgezet tegen de collaboratieachtergrond, samen met bijvoorbeeld de uitzendingen van Maurice de Wilde, de sociologische werken van Luc Huyse, de verhalen van de Vlamingen aan het oostfront, de ontvoogdingsstrijd van de Vlaamse literatuur en ga zo maar door. Zo’n museum zal dus op een breed terrein moeten samenwerken met andere musea en erfgoedinstellingen. Makkelijk zal dat niet worden. Maar het is de enige manier om een nieuw publiek aan te spreken én om een nieuwe bestaansreden voor het schrijversmuseum te vinden. Enkel zo kun je ook de literaire geschiedenis recht in de ogen kijken.






