Inschrijven nieuwsbrief

DW B 2014 2: Vangnet

Voorwoord
Vangnet

Vele postmoderne romans lijken een ‘vangnet’ te hebben: de auteur zorgt ervoor dat hij niet te pletter kan vallen door fundamentele kritiek, samen met de weerlegging ervan, al in zijn tekst in te weven. Het vangnet is een vrijgeleide voor vrijblijvendheid. Alleen de afwezigheid ervan kan recht doen aan de moeilijkheid van het leven, en in een tekst aan de kwaliteit van de literatuur. Zou het kunnen dat met het ‘vangnet’ een literaire notie is gemunt? Met dit nummer van DW B willen samenstellers Christophe van Gerrewey en Daniël Rovers een eenvoudige vraag stellen: hoe kan een auteur in een tekst springen zonder eerst een vangnet te installeren? En wat voor tekst ontstaat er in dat geval? Eerder dan de vraag theoretisch te beantwoorden, verzamelen ze voorbeelden van teksten met en zonder vangnet – en stellen zo een kleine catalogus op van vormen van literatuur waarin telkens een ander risico wordt genomen. In een niet eerder in boekvorm verschenen essay beschrijft Patricia de Martelaere hoe de uitvoerige ontboezemingen van Jean-Jacques Rousseau soms vermakelijk en soms vervelend zijn. Rokus Hofstede vertaalt dagboeknotities van Baudelaire. Christophe van Gerrewey levert een essay, waarin hij met behulp van gedachten, mogelijkheden, herinneringen en andere teksten nagaat of het klopt dat je vanaf een bepaalde leeftijd alle medemensen deerniswekkend vindt. Daniël Rovers bundelt notities die vertrekken vanuit het verlangen zich in en door de taal van het louter persoonlijke te bevrijden. De tekst ‘Vreugde’ van Zadie Smith sluit aan bij een meer minzame en Angelsaksische traditie waarin de auteur op persoonlijke wijze een menselijk fenomeen belicht, openlijk gebruikmakend van de eigen biografie en gevoelswereld. Van Daniël Robberechts verschijnt een vroege en onbekende tekst uit 1965 over stoppen met roken. Vangnet wordt besloten met een kortverhaal van David Foster Wallace, die als geen ander geworsteld heeft met het probleem van de ironische distantie.

        Ook in dit nummer: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers. De Jonge wolven discussiëren over oprechtheid en ironie bij De Jeugd van Tegenwoordig en in Sjeumig van Pepijn Lanen. In de ‘Boeken’ bespreekt Jeroen Dera de schoonheid van de destructie bij Martijn den Ouden en analyseert Marieke Winkler Astrid Lampes Rouw met diertjes.

 

In deze editie