Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs

06/05/2014

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs voor beginnende auteurs van Vlaamse universiteiten en hogescholen werd dit jaar gewonnen door Tijl Nuyts (proza) en Astrid Dewaele (poëzie). Op 6 mei vond de prijsuitreiking plaats in de Universiteitshallen van de KU Leuven. De voorzitter van de jury was Dirk de Geest. In de jury zetelde ook hoofdredacteur Hugo Bousset.

De winnaars krijgen een abonnement op DW B, en hun teksten worden - na goedkeuring van de kernredactie - in de papieren DW B (2014 4) gepubliceerd.
DW B heeft een lange traditie van winnaars in de Interuniversitaire Literaire Prijs, die al zijn 37e editie kent: redacteuren en schrijvers als Erik Spinoy, Koen Peeters, Leen Huet, Paul Bogaert, Ortwin de Graef, Johan Reyniers, Sigrid Bousset, Saskia de Coster, Patrick Bassant, Christophe van Gerrewey ....
 

Hier plaatsen we de teksten van de zes genomineerden, drie per genre.

Proza

1e plaats: Tijl Nuyts, Kousan

2e plaats: Lise Delabie, De voorbereiding

3e plaats: Inès Eshun, Gebroken water (Het wedervaren van Esteban S.)


Poëzie

1e plaats: Astrid Dewaele

2e plaats: Tijl Nuyts

3e plaats: Kris Kil


Proza

1e plaats – Tijl Nuyts (KU Leuven, Taal- en Letterkunde)


Kousan

Op zijn gezicht staat getatoeëerd dat hij voor negentig procent uit woorden bestaat. Ik zie de inkt over zijn wangen dansen terwijl hij met een grimas het woord ‘blauw’ scandeert; om de een of andere reden is hij ervan overtuigd dat benoemen bewaren betekent. De Schotse vlag wordt voor zijn tollende ogen uitgesmeerd tot een dikke, vulkanische pasta, wit-blauw, als de tegeltjes in de keuken. Hij ligt op zijn rug naast de vijver en herhaalt het woord als een mantra, minutenlang. ‘Blauw, blauw, blauw, blauw, blauw –‘ De eenden en ik zijn de enige getuigen. 

Ik zie alles opnieuw. De roltrap brengt me met iedere seconde dichter bij de oppervlakte. Terwijl ik naar boven glijd, de trolley in de linker-, de kist in de rechterhand, zie ik het standbeeld beetje bij beetje verschijnen. Eerst de hoofden, dan de armen, de romp, de benen. Een man en een vrouw met reusachtige lichamen van diepbruin brons. De man draagt een maatpak en een koffertje, de vrouw een jurk en naaldhakken. Er hangt een stilte in hun blinde ogen, hun hoekige lippen raken elkaar net niet. Ik loop langs hen heen, het duo bekijkend vanuit kikkerperspectief; een bronzen rots in een zee van lawaai en leven. Man en vrouw negeren de treinen, de kakofonie van stemmen, de onophoudelijke mars van schoenen en wieltjes. Alles behalve de lippen wordt vergeten. Wordt het een welkomst– of een afscheidskus?

Wanneer ik de hal uitloop, voel ik hoe het de stad is die in me binnendringt en niet andersom. Ze grijpt mijn hoofd met beide handen beet en drukt een brandende kus op mijn brein. Ik kom tot stilstand op het voetpad en hoor hoe de straat me groet in de lach van de meeuwen, in de jassen van de zwervers, in de veeg kleuren van auto’s, taxi’s, bussen. Ik zet de kist neer en houd mijn rechterhand voor mijn ogen. Zonlicht vloeit door mijn vingers als een lek geprikte eierdooier; het licht likt en plakt, glipt mijn poriën binnen als een shot morfine. Ik open de kist. Het eerste wat ik moet doen is geld verdienen. Toch ten minste genoeg om een sandwich te kunnen kopen.

Hoewel ik het nooit heb zien gebeuren, kan ik me perfect voorstellen hoe Peter Harper aan de kinderachtig kanariegele keukentafel gaat zitten om verzen op te halen uit een put helder water. Het licht van het peertje schuin op zijn korrelige gezicht, hij gebogen over het schrift, jachtig schrijvend. Voor hem, naast de pennenzak en het pak printpapier, liggen de maanstenen die hij aan de meisjes op het plein verkoopt. Ik zie dat hij de balpen losjes vastheeft en lukraak kruit in het schrift schiet. Woord wordt vlees. Hij schrijft van een tijd toen er nog geen tijd was, van toen hij appelen at met de glazen herten. Nee, slecht. Trekt op niets. Dat staat op zijn gezicht te lezen. Ik zie hem ploeteren. Elke avond probeert Peter parels te stelen uit de modder maar het enige dat er na lang gehurkt met snuit en poten woelen uit tevoorschijn komt is stront, stront en meer stront. Ik kijk toe. Afgezien van het ritselen van het schrift is alles stil. De pen weekt pas los van het blad wanneer hij Ben dronken de gang hoort instommelen. Een meisjesgiechel, een deur en dan weer stilte. Peter drukt de balpen opnieuw door het blad, dieper de modder in.

Stromen voorbijgangers, reclameaffiches, het staccato van schoen op steen, schoen op steen. Ik voel weer hoe ik mijn kin op de viool leg, hoe de paardenharen strakker spannen naarmate ik de strijkstok aanschroef. Een jaar geleden speelde ik nog in het Armeens Filharmonisch Orkest voor het kruim van de bevolking, nu voor de voorbijgangers op de trappen van de metro. Ik neem alles opnieuw in me op. Vóór me de geopende kist, munten als volle manen op het velours, onder me het gedaver van duizenden mensenbenen in de buik van de stad. Ik begin. Goeie ouwe Prokokjev zingt van cherubijnenmessen en vrouwen met hennabloemen in hun haren. Een vrouw en een kind blijven luisteren. Een ouder echtpaar hapert op de trappen en stopt met praten. Niet ver van hen vandaan staat een jonge man tegen de muur aangeleund, de toppen van zijn schoenen naar elkaar gericht. Zijn hoofd doet me aan een hondenkop denken – komisch langwerpig, ongeschoren en dan die natbruine, grote ogen met lodderig blauwe wallen, knipperend.

Ook nu, staand in de woonkamer voor het raam, met de wodka als een bel winter tollend in het glas, zie ik hoe Peter zich losmaakt van de muur en, de voeten clownachtig naar elkaar gericht, naar me toe sloft terwijl ik de viool opberg en de munten in mijn jaszak giet. ‘Je speelt erg goed’ of iets dergelijks. Ik versta de woorden niet maar zie wat de roze mond plooit en toont: twee rijen scheef wandelende tanden, een tabakstong en zinnen in de verzonnen taal van de spoken. Ik glimlach, doe alsof ik begrijp wat hij zegt. Hij wijst op zijn borst. ‘Peter Harper.’ Ik houd mijn hoofd schuin, knik en antwoord: ‘Kousan Deyrmenjian.’ Hij zegt nog iets, lacht opnieuw en gidst me de mond van de metro uit. Hij neemt me mee naar een café waar hij me trakteert op brood met boter, bier, nog brood; tot ik niets meer op kan. En alle munten zitten nog in mijn jaszak.

Ik deel een klein appartementje met een Italiaan, een Duitser, een Zweed en een Belg. We slapen in kamertjes met een tapijt van een onbestemd groen en delen een lawaaierige keuken. Mijn kamer kijkt uit op het park. Bomen verdringen zich voor het raam terwijl ik bij het krijtwitte licht van de tl-lamp de gestolen partituren lees. Elke noot is een kus, een kogel, een knal, zoals ooit, in oude brieven over een verschroeiende zon, een slaapzak in een koud, houten huisje, het glimmen van de zee voorbij het kippengaas.

Wanneer Peter de broek van het meisje afstroopt ziet hij niet haar bleke dijen maar een pelikaan die zijn sneeuwwitte borst openhaalt aan zijn snavel, zich voorover buigt in het nest en zijn snaterende kuikens bloed te eten geeft. Geduldig diept hij druppel per druppel op uit de rode bloem van de wonde. Peter hoort geen woord van wat het meisje kreunt maar zakt weg in het donker van een langgeleden nacht met een Spaanse schizofrene non: lippenstift, roestkrullen, ijsblauwe ogen. Eerst wat plagerijen, gecroonde sonnetten van Quevedo, dat soort onzin; dan haar ademhaling van heel dichtbij en een withete kus die de kracht van haar knetterende hemisferen ontketent. Het meisje met de bleke dijen – Sarah, Jordan, Daisy? – vloekt, slaat hem vol in het gezicht en duwt hem de portiek uit. De pelikaan en de non zeilen weg. Ik beeld me in hoe ik vanop een afstand toekijk hoe Peter zijn broek ophijst en door het steegje wandelt, de hoofdstraat in. Ik zie hoe hij omhoog kijkt naar de hemel, zoals zijn vader, die, wanneer hij ’s nachts in Málaga op het balkon ging zitten zijn hoorapparaat uitzette en zich compleet verloor in het toonloze zoemen van de sterren, urenlang, terwijl onder hem het zwembad van azuur naar zwart verkleurde. Waarom? Misschien omdat het sterrenluisteren hem afleidde van de job, het zwart geld, of van de kanker die zich als een roos in zijn buik ontvouwde. Ik weet het niet.

Regen. De straat lijkt een kathedraal; de lantaarnpalen dragen sputterende vlammen. Over het zwarte wegdek schuift een processie van wachtende auto’s, het licht van de koplampen versplintert tot naalden. In gedachten volg ik Peter het hele eind langs het park naar het blok waar hij woont. Op het moment dat hij het kaartje voor het oog van de sensor houdt en de deuren openzwaaien, besluit Peter om morgen niet naar de les marketing te gaan. Geen tijd; om elf uur gaat hij naar het metrostation. Trap op, deur open, kamer in. Kleren vallen één voor één op het tapijt. Hij kruipt het bed in en valt onmiddellijk in slaap. In de zilveren diepten van de spiegel aan de muur staat een man met een viool, zijn ene oog toegeknepen, de viool op Peter gericht als een geweer.

Ik stem de do en neem nog een slok. Een jaar geleden heb ik, tot ongenoegen van Hélène, besloten geen dorst meer te verspillen aan wijn; als ik wil drinken, drink ik nu wodka. De do klinkt helder door de woonkamer. Mijn dochter slaat het fleece dekentje van zich af. ‘Je vais au lit. Je dois me lever très tôt demain matin.” Streepje tandvlees boven de tanden, grote, donkere ogen. ‘Bonne nuit’, ‘Bonne nuit’, ‘Bonne nuit’. Ze staat op, licht als een kat, en loopt de woonkamer uit. Ik kijk haar na, leg mijn viool op de salontafel en ga naast Hélène zitten. Gisteren heb ik Manons dansvoorstelling gezien. Ingekapseld in rood pluche keek ik toe hoe ze over het podium dook, viel, vloeide. Onwillekeurig deed haar manier van dansen me denken aan hoe het meisje dat ik twintig jaar geleden op de Magdalenabrug had ontmoet bewoog in het glas-in-lood licht van de discotheek. Blauw, rood, groen; slangen van kleur over haar armen, benen, rug. Hélène trekt me naar zich toe. Door het glimmende gordijn van de motregen zie ik mezelf door de straat wandelen. Langs huizen van zand, azuur, pistache, de hoek om, de straat over. In een smal rijhuis vol gefluisterd Italiaans wacht in een kamer een slapende panter met lippen van koraal. Gek hoe huid onthoudt; nu Hélène over mijn borst streelt, fluwelen woorden fluisterend in mijn oor, kan ik de bevende aanraking van de panter opnieuw voelen, alsof alles echt was. 

Daar zit hij weer, woorden uitzwetend. Ik kijk toe vanuit de kleerkast terwijl de zon op goed geluk over het blad likt, als een gouden hondentong, smeltend wanneer hij het blad aanraakt. Een eerste regel: ‘De dame op de duin mist het rode zand, zegt ze.’ Kak. Peter weet niet hoe hij moet afdalen in de kuil waar hij nooit is geweest. Hij schrijft niet over de klok in het klaslokaal, over de schrapende stoelen. Niet over de betonnen speelplaats, lam onder een deken van sneeuw, zo stil dat je er enkel de geur kan horen. Hij schrijft over alles behalve de schoolpoort, de auto, zijn zus op de achterbank. Loopt hij over de speelplaats, meegetrokken door een arm? Zit hij zwetend op de bureaustoel en ademt hij water, knipperend met blinde ogen? Misschien staat hij in een kamer en ziet hij de sterrenluisteraar liggen in het bed, doof, achter een sluier van slangetjes; spaghettislierten in snoepkleurtjes. Misschien ziet hij een gezicht wit als de vergelijkingen van krijt een uur geleden. Een mond van een misselijkmakend flessengroen als een schoolbord vol vegen. Peter kan niets aanraken, niets zeggen, alleen maar glimlachen. Hij schrijft geen zin, geen woord, geen letter. Niets. Het schrift gaapt hem aan, een witte kerker. Glurend door het verzonnen sleutelgat van de kast zie ik hoe Peter naar de lege lijnen kijkt. Achter hem, in het kader van het zonovergoten raam, snellen eekhoorns in wintertruien van as en roest over de takken. Peter eet een maansteen, drinkt een slok koffie en geeft zich over aan een onderhuids schaduwspel, aan de caleidoscoop van gedachten die onder zijn fontanel glibbert. Hij lacht, zijn tong een stuk leer in zijn mond. Wanneer hij na een eeuwigheid opkijkt, ziet hij hem in de deuropening staan, in een lange jas: Alfred Tennyson,. Aan zijn arm een jonge vrouw met kort, witblond haar met een streep ossenbloed erdoor. Tennyson kijkt naar een onbestemd punt even boven Peters oor; de vrouw kijkt recht in Peters ogen. Hij kan in haar blik lezen hoe ze hem zal noemen, later. Maanziek. Koekoeksjong. Even beweegt er niets, dan duwt Tennyson haar de kamer in. Peter kijkt bewegingloos toe hoe ze haar jas en trui uitdoet en op het bureau gaat zitten. Haar schaduw glipt met de koffie zijn keel in. Verboden nachtegaal, heiligentong.

Op de vraag in welke oorlog hij gevochten heeft antwoordt Peter niet. Hij kijkt weg door het raam, zijn blik gefocust op het licht dat zich als bleekwater door de bladeren vreet.  Hij verandert van onderwerp, zoals hij altijd doet, begint opnieuw over woorden terwijl ik het bier op mijn lippen proef – niets vergeleken bij de wodka die nu door mijn aderen raast. Hij is bang van enjambementen, zegt hij. Hij wil geen stops, geen breuken; hij verlangt naar één enkele regel die eeuwig doorloopt, als een Amerikaanse highway die tussen rode stenen voortsnelt, ononderbroken, het schuim van de Atlantische Oceaan induikt en zo de wereld rond, en opnieuw, en opnieuw en opnieuw, tot het einde der tijden; de slang die zich in de staart bijt. Ik begrijp er niets van maar glimlach, zoals altijd, en drink. Gek eigenlijk, Manon zei me gisteren iets over Rimbaud en hoe die omging met ‘la discordance entre les limites du vers et la syntaxe’, haar donkere ogen dansend over het aanrecht terwijl ze in de pasta met aubergine roerde. Over Franse literatuur weet ze alles, maar haar Armeense wortels snokt ze elke dag een centimetertje meer uit de grond. Ik probeerde haar zover te krijgen Armeens met me te praten maar ze weigerde, bleef stug verder roeren en antwoordde zoals altijd in de taal van haar moeder. In tegenstelling tot Noémie heeft Manon enkel losse woorden onthouden. De gapende ruimte tussen de enkele woorden die ze wel kent vult ze niet zelf in, zoals Peter gedaan zou hebben. Peters woorden. Als hij geblowd had kon Peter de woorden over straat zien lopen of tegen de gevels aan zien zitten, gekleed in tweed jasjes, met letters als wolken melk in hun door cataract aangevreten ogen. Op zulke momenten ging hij ondanks mijn protest met hen praten, hurkte hij naast hen neer op het voetpad en nam hun handen vast, sprak over brown en white, over zonsverduisteringen, over Avalon. Peter en zijn woorden. Ik zie zijn lelijke mond opnieuw, de zieke fonkel in zijn ogen, het schuim in zijn snor. En dan zie ik, helder, alsof het tafereel zich vlak voor mij op de salontafel afspeelt, de rat in het wiel. Deze hele avond, de wodka, de herinneringen en Hélènes kussen worden samengeperst in het fluweelzwarte rattenlijfje met pootjes in de kleur van mensenhanden. Het rent in het groene, plastieken rad dat door een ronkend motortje wordt aangedreven, vlokken zaagsel opschoppend, zijn hartje als een vederlicht mechaniekje zinderend onder zijn pels. Overmand door onmacht of uitputting dooft het licht in de gitzwarte oogjes uiteindelijk, zoals iedereen stiekem had zien aankomen. De twee onderzoekers staan op een afstand te kijken. ‘Wow. Dat is zielig’, zegt de linkse. De rechtse glimlacht, schudt zijn hoofd. ‘Nee. Zo zit het gewoon in mekaar.’

Ik sta opnieuw op het voetpad langs het Zuidpark, de zon tikkend achter mijn oogleden, mijn viool als een loop gericht op de wolken. Ik speel. Ik zie de man achter het raam met de typemachine, het hobbelpaard en de pop. Ik zie het meisje met de gele trui dat Duitse hemden strijkt in de keuken. Mijn ogen zijn open wonden. Wodkakristallen tussen mijn en haar tanden. Ik probeer het meisje te vangen in mijn spel, maar als een Houdini in pantervel ontsnapt ze telkens weer. Ik voel me bijna als Peter die, zeker weten, op dit eigenste moment woorden probeert te vangen met een vlindernet vol gaten. Ik speel en probeer te begrijpen hoe het licht hier danst, hoe de wind hier proeft. Ik faal natuurlijk, maar ik kan er beter mee om dan Peter. Denk ik. Hij is eindeloos voorzichtig, doodsbang dat de stad helemaal zal verkruimelen wanneer hij haar aanraakt in het schrift; haar inwoners, haar torens, de rivier, alles wordt papier. Is het de aantrekking tot een wereld van verzen die hem keer op keer verplicht tot proberen? Of is het de walging die hem ooit de aula uitdreef en hem brakend achterliet boven het glinsterende wit van de lavabo? Ik denk niet dat hij het zelf weet. Maar ik weet dat hij liegt.

Vijfentwintig oktober. Terwijl Peter zich dood schrijft aan de keukentafel speel ik. Ik probeer te spelen zoals ik dat die woensdagavond deed met Haik in de concerthal van Yerevan, voor de grote halve cirkel van het raam. Meer en meer voorbijgangers blijven staan, tot een kudde van meer dan dertig mensen de wijn van mijn gestolen partituren drinkt. Ik voel opnieuw hoe ik de viool het allemaal laat uitschreeuwen: losse flarden over granaatappels, over zwanenzangen, over machines waarin een hart klopt dat overloopt van sterrenhemelen zwanger met lichten en koortsige bliepjes. In de barensweeën van de snaren weerklinkt opnieuw Peters wroeten in de modder, op zoek naar onbestaande parels, de gezichten van Bill Evans en de ingebeelde hoertjes met een gruwelijk laag IQ. Ik zie het opnieuw in haar ogen: in het zalven en slaan van de sonate hoort het publiek de vuurrode verzen die op dit moment van Peters lippen vloeien, samen met het spuug en de slierten braaksel, bijna fosforescerend door de elektrische taal die erdoorheen knettert. Ik sta op uit de zetel (Hélène is in slaap gevallen), ga voor het raam staan en hoor hoe Peter lacht, schreeuwt, stikt in zijn schrijven. De mensen kijken toe, luisteren, genieten, hangen aan de lippen van de snaren, gaan blind mee in de dove oceaan van noten. O, stel je voor hoe je een hele stad lamlegt met een emissie van geluid, uit de buik, de brul van een prehistorisch zeedier, een satellietsignaal, een collectieve schreeuw van beelden op de laatavondtelevisie: van kristalheldere HD naar witgrijs, kakelend ruis.

Ik speel de laatste noot en terwijl ik buigend het applaus in ontvangst neem, zweetdruppels als parels op mijn voorhoofd,  beseft elke vezel van mijn lichaam wat er met Peter is gebeurd. Net te laat.

Ik loop door de schuifdeuren de beijzelde binnenplaats op. De ramen van de studentenflats volgen zwijgend mijn traject langs de vijver naar de deur. Mijn stappen echoën tegen de muur aan en vallen als geschoten spreeuwen in de lege bloembedden. Ik weet dat het te laat is, maar toch wil ik het honderd procent zeker weten. Daarom heb ik voor ik vertrok de twee boeken die ik nog terug wilde brengen in mijn rugzak gestopt: als excuus, een goedkope truc om mijn zingende kop rustig te houden terwijl ik de trap oploop en de eerste en de tweede deur open bonk. Ik loop over het tapijt naar binnen en vind niemand in de kamer, niemand in de keuken. Enkel wapperende gordijnen en op de gele tafel een thermos koffie, vijf pillen en een leeg schrift.

Ik weet dat ik mezelf niet hoef te overtuigen dat hij meegenomen is. Vorige week zei hij dat hij de avond voordien aangevallen en bestolen was – geld, fototoestel, laptop weg. Ik zie opnieuw hoe hij voor me zit, de handen weerloos op tafel. Zijn hoofd bleek, bijna transparant. Een huid die van binnenuit verlicht wordt. Het lijkt bijna alsof ik mijn vinger door zijn hoofd zou kunnen duwen, als door gelatine, door het vlees en de schedel, recht in de poëtische hersenen. Kortsluiting, en dan de violen van Stravinsky natuurlijk, aanzwellend in onderdrukte triomf. Ik loop naar buiten. Peter ligt niet meer naast de vijver, verwenst the fucking cosmos niet, huilt geen ‘blauw, blauw, blauw‘. De binnenplaats is volstrekt leeg, afgezien van de eenden en ikzelf. En de schim van de panter, natuurlijk, draaiend langs mijn benen. Ik staar door het raam naar de tuin en giet de laatste geut wodka naar binnen. Ik voel de adem niet meer in mijn nek dus ik doe alle lichten uit en ga slapen.


2e plaats – Lise Delabie (UGent, Vergelijkende Moderne Letterkunde)

De voorbereiding

Een volledige week lang heb ik zijn komst voorbereid. De logeerkamer, die bij gebrek aan logees een hobbykamer geworden was, heb ik volledig opgeruimd. Omdat ik wist dat Filip literatuur gestudeerd had, dacht ik dat hij een uitgebreide boekenverzameling zou appreciëren. Ik haalde alle boeken uit het rek, blies het laagje stof van de bovenzijde en plaatste ze alfabetisch terug, om ze daarna opnieuw uit te halen en in verschillende stapeltjes te sorteren. Wetenschappelijke werken mochten blijven, de stationsromannetjes en thrillers moesten naar mijn eigen kamer verhuizen, waar ik ze verborg tussen oude, witte onderhemdjes. De encyclopedieën, een erfenis van mijn moeder die ik onderaan in een rommelige kast opgeborgen had, haalde ik nu tevoorschijn om ze een prominente plaats te geven. Omdat de kast hierna verdacht leeg was, kocht ik in een tweedehands boekenwinkel wat boeken van Jean-Paul Sartre, Orhan Pamuk, Gabriel García Márquez en een dichtbundel van Yeats. Ik kende die werken niet, maar aangezien hun auteurs een Nobelprijs gewonnen hadden, vermoedde ik dat Filip ze wel zou waarderen. Quasinonchalant plaatste ik ze tussen de overige titels. Na de boekenkast ruimde ik ook de overige rekken op. In de kamer van Filip mocht geen rommel rondslingeren. De reservekledij, de reisgidsen, de fotoalbums, het sportgerief, alles stopte ik in aparte dozen, die ik in mijn slaapkamer plaatste. Op die manier zou hij voldoende ruimte hebben om zijn persoonlijke spullen en zijn lijvige cursussen uit te stallen. De kamer kreeg een uitgebreide poetsbeurt, het gebloemde dekbedovertrek haalde ik weg en verving ik door een smaakvol nachtblauw exemplaar. Ook kocht ik een beige hoeslaken en een bijpassend kussen dat ik aan het voeteinde legde. De ingekaderde foto’s haalde ik van de muur. Een voor een.

Na de logeerkamer nam ik de rest van het huis onder handen. Ik poetste, ruimde de keuken op, probeerde een zekere logica aan te brengen in de gestapelde potten en pannen. Ik schrobde de oprit en het stukje stoep voor onze deur, schrobde ook het terras en verwijderde de kleine plantjes die tussen de voegen groeiden. Dat was mijn manier om hem te laten weten dat hij welkom was, dat ik geen enkele moeite ontzien had om het hem naar zijn zin te maken, dat ik, ook zonder Jean, in staat was om iemand te verwelkomen, om eten te maken, om te zorgen.

‘Jij en Filip zullen het goed met elkaar kunnen vinden’, had Jean gezegd voor hij vertrok. ‘Maak je geen zorgen.’ Ik had geglimlacht en beloofd een goede gastvrouw te zijn. Op mijn tenen staand had ik over Jeans grijzende krullen gewreven. ‘Maak jij je maar geen zorgen over mijn zorgen’, had ik gezegd. Een kus. En toen was hij vertrokken. En toen begon ik schoon te maken.

Filip is pas vrijdagavond aangekomen. Telefonisch was er afgesproken dat hij er tegen de middag zou zijn. Ik had gekookt voor ons. Omdat ik niet wist wat Filip graag at, had ik verschillende gerechtjes voorzien. Er was kabeljauw met fijne groentjes en er was eend met honingsaus en tijm. Toen de maaltijd klaar was, dekte ik mijn kookpotten af en ging in de sofa wachten. Ik had door een tijdschrift gebladerd, de breipatronen bekeken. Bedacht dat dit boekje specifiek gericht was op vrouwen van middelbare leeftijd en daarom niet paste in het huis waar Filip zou komen logeren. Bij het oud papier had ik het gegooid, onder een stapel kranten. Daarna had ik de televisie opgezet, naar de nieuwsuitzending van dertien uur gekeken en het toestel weer gedoofd. Had dan de radio ingeschakeld, aan de afstelknop gedraaid tot ik een zender met klassieke muziek vond en met het volume gespeeld tot de muziek tot haar recht kwam zonder overheersend te worden. Daarna ging ik weer in de sofa wachten. Om veertien uur heb ik gegeten, alleen. In de namiddag wou ik gaan wandelen, maar omdat ik bang was dat Filip net dan zou aankomen, bleef ik zitten. Zelfs de tuin durfde ik niet in te gaan, uit angst dat ik de deurbel niet zou horen.

Maar Filip is pas vrijdagavond aangekomen. Onderweg had hij snel iets besteld bij het Thaise restaurant. Ik had geen eten moeten voorzien, zei hij. En dat hij moe was, voegde hij eraan toe. Dat hij lang zou slapen, ook morgen geen eten hoefde en dat hij ’s avonds wat zou gaan drinken in ’t Delirium.

Op de vierde dag kwam Filip plots de keuken binnen terwijl ik de groentjes voor de ratatouille aan het snijden was. Zonder enige aanleiding of groet vroeg hij me wat voor werk ik eigenlijk deed. Door de manier waarop hij me aankeek, gedesinteresseerd, met die groene, licht uitpuilende ogen van hem, wist ik dat Jean hem dat reeds verteld had. Waarom Filip de vraag dan alsnog stelde, is me een raadsel. Niet uit beleefdheid. En zeker niet vanuit een zekere behoefte tot communicatie. Maar dat hij het bewust deed, dat weet ik wel. Hij geeft me zo’n ongemakkelijk gevoel als hij me zulke vragen stelt, alsof hij me met mezelf wil confronteren, alsof hij daarmee wil zeggen dat hij dwars door me heen kijkt. Ik antwoordde neutraal en vertelde hem dat ik bij een redactie werkte. Dat ik instond voor het regionaal nieuws en daarvoor naar de opening van de controversiële seksshop moest, of dat ik de opdracht gekregen had de diaken te interviewen over het boek dat hij geschreven had en dat ik uit de hand gelopen burenruzies becommentarieerde, dat hoefde hij niet te weten. Hij stond daar en zei niets, met zijn armen gekruist, op zijn linkerbeen steunend, zoals hij altijd doet. Met zijn vier vingers streek hij langzaam een donkere krul van zijn voorhoofd weg. ‘Hou je van je werk?’ Nu keek hij naast me, niet naar me. ‘Natuurlijk’, zei ik, terwijl ik de opwellende tranen uit mijn prikkende ogen wreef en de uien verder klein kapte. ‘Het is heel gevarieerd. Ik mag dikwijls ter plaatse gaan, ik mag mensen opbellen om hun verhalen te horen. Ik mag schrijven.’ Hij knikte, eenmaal, kort. Blijkbaar was dit voor hem het teken dat het gesprek ten einde was, want hij wandelde hierna weg.

Tijdens het middageten zei hij me dat de ratatouille lekker was, waarna hij begon te vertellen over de verschillende ratatouilles die hij in het buitenland gegeten had. In Italië werd de ratatouille koud geserveerd, wat hem niet bevallen was, in de Provence was ze perfect gekruid, maar in Dubrovnik had hij de lekkerste versie gegeten, net iets pikanter. Zijn doordringende blik bleef op mij gevestigd. ‘Reis jij graag, Arianne?’ Zijn mondhoeken vertrokken in iets wat een glimlach moest voorstellen. Ik dacht aan de reizen die ik jaren geleden gemaakt had, voor ik Jean had leren kennen. Naar Peru, Cambodja, Sri Lanka, Zuid-Afrika. Maar nooit met Jean. Jean reist niet graag, hij heeft genoeg aan de vier muren van het huis, zelfs aan de vier muren van de slaapkamer – als daar een televisie zou staan. En net hij moet zes weken naar New York voor zijn werk. En net nu.

Op de achtste dag lag de logeerkamer die nu de kamer van Filip geworden is, er nog precies zo bij als ik ze voor hem voorbereid had. Hij had niets uitgepakt. Enkel zijn pyjama lag geplooid op zijn hoofdkussen. In het midden, op het tapijt, lag zijn koffer. Ik wou hem openen, wou zijn cursussen vastnemen en eens doorbladeren. Ik wou meer over hem te weten komen om gemakkelijker een gesprek te kunnen aanknopen. Ik wou dat hij me intelligent vond, dat hij ook met mij over zijn studies zou willen praten. De koffer bleek gesloten te zijn. Op het bureau stond zijn laptop, ook beveiligd met een code.

Filip is niet vaak thuis. Ondertussen had ik begrepen dat zijn doctoraatsonderzoek er bijna op zat – iets over de capaciteiten van lezers om verhalen te interpreteren of zo, hij wou tegenover mij niet in detail treden – en dat hij momenteel veel vrije tijd had. ’s Middags gaat hij wandelen, waarbij hij uren wegblijft en ’s avonds gaat hij al vroeg naar zijn kamer. Dan hoor ik hem rommelen in zijn koffer – niet in de boekenkast die ik voor hem rangschikte, nooit in de boekenkast.

Op de elfde dag kwam Filip naar beneden met een olijfkleurig hemd aan, dat hem als een tweede huid om het lijf zat. De stof rafelde aan de randjes, de naden kwamen los. De knoopjes waren donkerbruin en ongelijk. Sommige ervan waren nauwgezet opnieuw aangenaaid. In de kleine, gelijkmatige steken herkende ik Filips precisie. Ik vroeg hem waar hij het hemd vandaan had. Armenië, vertelde hij. Het mooiste land dat hij al bezocht had. ‘De rust die je daar in de bergkloosters vindt, is fantastisch. Ik zou er graag nog eens heen gaan.’ Bij die woorden had hij opnieuw in mijn ogen gekeken.

Die middag haal ik de oude fotoboeken uit de dozen die in onze slaapkamer opgestapeld zijn. Ik leg een aantal albums op bed. Er kleven stickers op, met de inhoud en het jaartal. Cambodja 2003. Rijstbouw en marktjes, tempels die overwoekerd zijn door brede takken, een wagen met laadbak waarin een onvoorstelbaar aantal mensen plaatsgenomen heeft, de monniken met oranje omslagdoeken in de buurt van Angkor Wat. Ik laat het spinnenweb-papier over mijn vingers glijden, sluit het album en mijn ogen. In 2003 was ik net dertig geworden.

Twee uur later bel ik Filip op. Ik wil hem vragen wat hij die avond wil eten, hem zeggen dat ik zin heb om uitgebreid te koken. Het duurt een tijdje vooraleer hij opneemt met een zachte ‘Dag Arianne’. Ik druk de hoorn harder tegen mijn oor. Ik hoor hoe de wind in zijn gsm blaast, stel me voor hoe hij zijn krullen op die gecontroleerde manier uit zijn gezicht houdt. Er zijn geen auto’s te horen op de achtergrond. Wel een ritmisch geklop dat ik niet meteen kan thuisbrengen. Filip zegt dat hij zin heeft in paprika. Of hij misschien graag iets buitenlands wil eten? Dat zou toepasselijk zijn. ‘Chili con carne’, zegt hij dan. Plots hoor ik een snuivend geluid op de achtergrond. En dan Filips fluisterende stem, niet voor mij bestemd. Ik houd mijn adem in. Het gesnuif wordt luider. En dan gehinnik. Filip hangt op. Ik moet inkopen doen. Paprika kopen. De manege ligt niet ver van de supermarkt.

In de verte zie ik Filip. Hij heeft enkel oog voor de donkerbruine merrie die aan zijn zijde staat. Hij klopt zachtjes op haar hals, lijkt woorden te fluisteren in haar oor. Zij heeft een dunne bles en witte sokjes. Hij heeft nog steeds zijn olijfkleurig hemd aan. Zij trappelt ongeduldig. Hij kijkt haar indringend aan. Zoals hij ook naar mij kijkt. Hij kalmeert haar. Hij kalmeert mij. Charmant en jong is hij. Hij lijkt op Jean. Zijn krullen en zijn groene ogen heeft hij van hem geërfd. Ook zijn rustige houding. De houding waarop ik twee jaar geleden verliefd geworden ben. Maar Filip is wijzer. Filip heeft nu al meer levenservaring. Hij bestijgt ondertussen de ongezadelde merrie, die nu rustig staat. Hij buigt zich voorover, omhelst de ranke hals en laat de merrie stapvoets wandelen. Hij controleert haar. 

Om tien voor zeven dek ik de tafel in de keuken. Filip komt meestal stipt om zeven uur thuis. De dampende pot chili con carne staat nog op het vuur. De geur van tijm en laurier vult de kamer. Aan de muur hangt een ingelijste zwart-witfoto van Jean en mij. Een meter breed en zeventig centimeter hoog. Het ik op de foto kijkt naar Jean, Jean kijkt recht naar het ik in de keuken. Om zeven voor zeven besluit ik dat het mooie servies beter bij deze gelegenheid zou passen en dat we beter in de woonkamer zouden eten. Ik haal de ovaalvormige borden en de kristallen glazen uit en controleer of er geen stof op ligt. Het zilveren servies heb ik twee weken geleden al opgeblonken. De vaas met lavendelkleurige tulpen verplaats ik van de dressoir naar de eettafel. Daarnaast leg ik de envelop. Ik ontkurk alvast een fles Turkse rode wijn (Armeense wijn was niet te vinden). Ik plooi de servetjes. En wacht. Ik denk aan de eerste dag waarop Filip hier aankwam. Aan zijn blik toen hij mij voor het eerst zag. Waardoor ik meteen wist hoe hij neerkeek op mijn huiselijkheid. Ik denk terug aan de moeizame gesprekken op de derde dag. Toen ik hem, een tikkeltje moederlijk, tijdens de lunch ondervraagd had over zijn liefdesleven. Had hij misschien een vriendin in het buitenland? Filip nam een grote hap van zijn pistolet. ‘Liefde,’ zei hij met volle mond, ‘liefde bestaat niet.’ Hij kauwde vluchtig en slikte. ‘Een mooie illusie is het, voor mensen die te zwak zijn om alleen te blijven. De enige realiteit is passie. Maar dat gaat voorbij.’ Na de maaltijd schreef ik die woorden op in mijn notitieboekje. Het onderwerp reizen, dat had iets losgemaakt bij Filip. En hij was er zelf over begonnen. Nog eenmaal controleer ik de inhoud van de envelop. Dan hoor ik de achterdeur opengaan. Ik zie mijn weerspiegeling in de sierschouw, strijk langzaam met mijn vier vingers over mijn froufrou. Filip ziet er een beetje bezweet uit. Zijn hemd kleeft aan zijn magere ribben. Hij heeft zich gehaast. ‘Zin in een glaasje rode wijn?’ vraag ik hem. ‘Het is Turkse wijn. Ik dacht dat je dat wel zou appreciëren. Eigenlijk zocht ik Armeense wijn, maar dat bleken ze niet te hebben. Alleen op bestelling. De reden daarvoor is dat Armenië blijkbaar meer bekend is voor brandy dan voor wijn. De wijnhandelaar heeft me trouwens ook verteld dat brandy eigenlijk een verzamelnaam is voor gedistilleerde wijn, zoals cognac. Maar cognac heeft zo’n, hoe heet dat, een naam waardoor bewezen wordt dat het product ook echt vanuit Cognac afkomstig is, zoals champagne. Daarna probeerde die verkoper trouwens om me nog een fles wijn uit Georgië aan te praten. Dat is het wijnland, zei hij. Niet Armenië. Ja mevrouw, vijfhonderd druivensoorten kweken ze daar. En die wijntraditie bestaat daar al zevenduizend jaar. Smaakvolle rode wijn, lang gerijpt in amforen, zei hij. Slechts drieëntwintig euro voor die fles.’ Ik ratel. Filip knikt alleen maar en steekt zijn glas omhoog. Ik giet geconcentreerd, houd de fles met één hand bij de onderkant vast, zoals ik dat kelners heb zien doen. Wanneer de glazen ingeschonken zijn, stel ik Filip voor om te klinken. ‘Waarop?’ vraagt hij. ‘Een afgerond doctoraat, lange reizen, veel levenservaring’, zeg ik. ‘En passie, want passie bij alle bezigheden is het belangrijkste in een mensenleven.’ Hij haalt zijn schouders op, maar steekt zijn glas toch in de hoogte. Kijkt me strak aan en wacht tot ik mijn glas naderbij breng. Ik zeg hem dat hij tijdens het klinken in de ogen moet kijken. Ik neem een slok, laat de wijn in mijn mond walsen en slik moeizaam. Eigenlijk lust ik geen rode wijn, maar dat hoeft Filip niet te weten. Ik wijs hem op de envelop. ‘Ik heb een verrassing’, meld ik hem. Terwijl ik die woorden zeg, word ik me ineens bewust van mijn sterke hartklop. Zo hoort het te zijn. Ik neem de envelop vast en leg ze als fragiele vlindervleugels in zijn uitgestoken handen. Met zijn lange, knokige vingers scheurt hij het papier open. Ik kom naast hem staan en leg een hand op zijn schouder. In de envelop, vier bladzijden. Hij neemt ze eruit, plooit ze open en laat zijn ogen over de letters gaan. Ik buig me voorover en kijk met hem mee. Naar de barcodes en de namen. Zijn naam en mijn naam. Naar de data. Twee weken gaan we erop uit. Naar Armenië, Filip en ik. Ik kijk naar Filip, probeer zijn blik te duiden. Verrassing, neem ik aan. Hij zegt niets. Ik glimlach. Hij staat recht. Ik kijk recht in zijn ogen. Geruststellend en liefdevol. Buig me naar hem toe. Net voor mijn lippen de zijne raken, treft zijn vlakke hand me vol in het gezicht.

‘Ben je niet blij?’ vraag ik. Filip kijkt naar zijn hand, dan naar de vloer, dan naar mij. Hij doet me denken aan een wandelaar die plots oog in oog komt te staan met een beer in de Kaukasus. Daarover had ik deze namiddag gelezen. Beter is het om daarbij in de handen te klappen, om lawaai te maken. Maar ik ben geen roofdier. Filip zegt nog steeds niets. Hij draait zich om. Met grote passen wandelt hij de woonkamer uit. Ik hoor de achterdeur open en dicht gaan.

Ik ga opnieuw aan tafel zitten. Langzaam schep ik de chili con carne op mijn bord. Ook in het zijne. Filip zal terugkeren. Dat weet ik. Over een kwartiertje zal hij hier zijn. Hij zal blij zijn, dankbaar. Hij zal me zeggen dat de chili con carne lekker is. Want Filip weet dat ik, ook zonder Jean, in staat ben om eten te maken, om te zorgen, om lief te hebben.


3e plaats – Inès Eshun (RITS, Audiovisuele Kunsten)

Gebroken water (Het wedervaren van Esteban S.)

1.

Esteban S. was paars ter wereld gekomen, net niet gestikt. Het vocht en de slijmen van zijn moeder die voor een vlotte exit hadden moeten zorgen, waren hem in de te nauwe doorgang van haar bekken bijna fataal geworden. 

Zijn kleur zou hem nog vaker parten spelen, een tint van hazelnoot en karamel, romig en zacht  zoals de ijsjes die meisjes zo graag lusten.

Op het ogenblik dat zijn moeder Elise het ziekenhuis binnenwandelde was zij negentien en alleen. Haar halflange blonde haren hadden een licht oranje schijn en haar gezicht was bleek, bijna doorzichtig, als in een middeleeuws schilderij. De taxichauffeur die ze in paniek had overtuigd haar gratis te vervoeren, was nog even uitgestapt om haar te ondersteunen naar de inkomhal maar had zich vlak voor het binnengaan bedacht, hij was tenslotte de vader niet.

Haar onbeholpen entree en onervaren blik hadden de dokter van dienst niet bepaald de indruk gegeven dat zij een veeleisende klant was. Elise werd in een rolstoel gezet en een eenvoudig verloskamertje ingeduwd waar zij mocht plaatsnemen in een maagdelijk wit ziekenhuisbed. De baby was onderweg werd haar verteld, alsof ze dat niet wist.

Uren verstreken. Esteban leek niet gehaast. Buiten was er dan ook niemand die op hem wachtte. De dokter en zijn verpleegsters waren druk in de weer en waren de jonge vrouw in het verloskamertje een tijdlang vergeten.  Elise zelf was intussen flauwgevallen.

Een spuit bracht Elise weer bij bewustzijn. De dokter sloeg haar enkele malen in het gezicht, zij moest wakker blijven en persen. Naarmate de minuten verstreken namen de paniek en de commotie toe. Eén verpleegster ging met haar knieën op de buik van Elise zitten om extra druk te geven. Elise huilde en schreeuwde en viel weer flauw. Traag, heel traag verscheen er een hoofdje. Vervolgens de rest. De dokter hield Esteban ondersteboven en gaf hem een klets op zijn poep. Toen dat niet hielp ging hij over tot reanimatie.

Na Esteban kwam het lichaam van zijn dode tweelingbroertje uit zijn moeders buik. Opgewacht door de verlatenheid van een veel te wijde wereld voelde Esteban traag zijn hart op gang komen. Elise werd wakker en een verpleegster legde het verfrommelde hoopje Esteban op haar jonge moederbuik. Ze fluisterde zijn naam.

2.

Elise  had toen ze twaalf was bij de echtscheiding van haar ouders moeten kiezen tussen haar vader en moeder. Haar moeder werkte als secretaresse bij een klein advocatenbureau en haar vader had zich weten op te werken binnen een biochemisch bedrijf. Beiden waren opgegroeid in een volkse wijk aan de dokken. De stank van de vismarkt en het mistroostige getoeter van de binnenvarende schepen hadden zij, zodra ze konden, verruild voor een lap grond buiten de stad.

Elizeke moest braaf zijn en niet wenen, want als zij later groot was zou zij mama en papa bedanken dat zij zo hard voor haar hadden gewerkt. Mama vraagt papa waar hij geweest is de nacht voordien. Elise mag van papa niet vertellen over de mevrouw die op bezoek is geweest. Mama gooit dingen stuk. Papa slaat mama. Mama ligt op de grond. Elise is onzichtbaar en telt zover ze kan. Een, twee, drie, vier. Mama zegt dat er in haar buik geen plek meer is voor een broertje of zusje.

Wanneer mama en papa ’s avonds na hun werk ruzie maakten, liep Elise weg en verstopte zich, soms de hele nacht, naast de coniferenhaag in de gracht langs het huis. De geur van natte aarde en bladeren bedwelmde haar, en als ze haar oren goed dicht deed kon ze het geschreeuw en gehuil dat tot buiten kwam bijna niet meer horen.

De rechter had na lang getouwtrek beslist dat diegene die de voogdij over het kind kreeg, ook in het huis mocht blijven wonen. Het huis. Een netjes geordend hoopje stenen, verloren in de grijze Vlaamse massa. Daar waar hun bloed, zweet, tranen en overuren in waren gekropen. Het omhulsel van hun puinhoop.

Elise koos voor haar vader. Al was die nooit veel thuis geweest, in het weekend had hij haar vaak verwend met een geschenk of uitstapje. Na de uitspraak sprak haar moeder anderhalf jaar niet meer met Elise. Omdat hij het druk had deed haar vader vaak beroep op tante Monique om op Elise te passen. Zij was haar meter en jongste zus van haar moeder. Het was tante Monique die ervoor zorgde dat Elise en haar moeder elkaar om de week weer zagen. Maar van een warme band was nooit meer sprake.


Elises vader kreeg een nieuwe vriendin, die voortaan met de leuke cadeautjes en de uitjes in het weekend ging lopen. Elise knipte haar haren, verfde ze rood en werd onhandelbaar genoemd. ’s Nachts liep ze nog steeds weg, maar nu liep ze voorbij de coniferenhaag en de gracht langs het huis, naar bars en discotheken.

Het was in een van die gelegenheden dat ze voor het eerst de vader van Esteban  tegenkwam,  een zwarte man uit Equatoriaal Guinea met wie zij na drie maanden van afspraakjes maken was gaan samenwonen in een armzalige studio over de taalgrens. Toen Tito hoorde dat er een baby op komst was, beloofde hij in zijn aandoenlijk gebroken-Frans-met-Spaans-en-Afrikaanse-accent plechtig voor het kind te zullen zorgen. Waarop hij grootse plannen kreeg over snel geld verdienen en als gevolg daarvan tegen de geboorte van Esteban in de gevangenis zat wegens drugssmokkel.


3.

Elise wilde dat het huilen zou ophouden. Een tijd lang had zij het gevoel gehad dat ze samen met haar baby onoverwinnelijk was. Met Esteban op haar arm had zij het gevoel dat ze iets verwezenlijkt had. Niemand kon haar nog vertellen wat zij wel en niet mocht doen, ze was haar eigen baas. Tot de sleur en de rekeningen kwamen.

Esteban is vier en voelt hoe zijn gezicht dieper de matras wordt ingeduwd. Hij kan tussen zijn snikkende uithalen in nog amper ademhalen en proeft in zijn mond de smaak van de oude matras vermengd met zijn eigen zoute tranen. Hoe meer hij tegenwringt of spartelt, hoe harder ze duwt. Het is niet de eerste keer. Esteban leert zijn adem inhouden.

De gedachte terug naar school te gaan kwam niet bij Elise op. Zij was een moeder, geen meisje meer dat op de schoolbanken van een middelbare school thuishoorde. Haar ouders hadden Elise toen ze vertrokken was als vermist opgegeven. Eén keer had de politie haar weten terug te halen, maar die hereniging was van korte duur geweest. Intussen was zij meerderjarig en had zij alle contact verbroken. Estebanneke moest braaf zijn en niet wenen.


4.

Elise besloot dat Esteban een vader nodig had, eentje die niet in de gevangenis zat. Daarbij hield zij ernstig rekening met het totaalplaatje, en zij vond dat ze er het beste aan deed iemand te vinden die paste bij de kleur van haar kind. 

Zo was het dat Mamadou in het leven van Esteban kwam, een ingeweken Senegalees die bij de spoorwegen werkte en daarnaast een handeltje had in nepleren riemen en handtassen. Elise had hem ontmoet aan de tramhalte onderweg naar huis. Hij had haar nummer gevraagd en had haar kaartje betaald. Aangekomen bij haar halte was hij mee uitgestapt en was met haar meegewandeld. Aan de voordeur had ze getwijfeld, maar tenslotte was ze toch ingegaan op zijn vraag mee naar boven te mogen komen.

Mamadou leerde Elise wassen, strijken en koken. Hij vroeg zich regelmatig af wat voor moeder Elise moest hebben gehad, dat zij haar dochter niet geleerd had hoe zij voor haar man moest zorgen. In de hoek van het eenkamerappartement dat ingericht was als kinderkamer lag nog steeds het matrasje van Esteban. Als hij braaf was kreeg hij een koekje of mocht hij tv kijken. Elise was tevreden met haar nieuwe leven en genoot van het maken van rijst met kip in palmolie, samen koken met haar vriend vond zij romantisch.

Elise ging aan de slag als receptioniste. Mamadou verloor zijn job. Elise bracht Esteban naar de kleuterklas, Mamadou haalde hem weer op. Wanneer Elise te laat thuis kwam van het werk sloeg Mamadou haar met zijn riem, die met het paarse krokodillenmotief,  maar nooit in het gezicht. Op de middagen dat Elise boodschappen deed was Esteban alleen met Mamadou. Dan keken zij naar voetbal of het sportkanaal. Niet lang voor hij weer uit hun leven vertrok had Mamadou een gesprek van man tot man met Esteban.

‘Ik weet dat jij weet dat ik je echte vader niet ben.’ Mamadou nam Esteban bij zijn schouder vast en keek hem in de ogen. Esteban wist dat inderdaad, maar hij was het vergeten. Hij voelde een pijnlijke prik in zijn buik. Tegelijkertijd voelde het aan als een soort van initiatie van Mamadou in het volwassen zijn. Esteban knikte plechtig en bevestigend. Ze zouden niets over dit gesprek zeggen tegen Elise. Daarna zette Mamadou Esteban bij zich op de kleine zetel en keken ze naar televisie. Esteban viel tegen Mamadous schouder in slaap.

De ruzies tussen Mamadou en Elise werden frequenter en Elise s gezicht werd niet altijd meer gespaard. Dan had ze een opgezwollen wang. In het beste geval. Esteban fantaseerde over de dag dat hij even groot zou zijn als Mamadou, en al zijn tanden en ogen eruit zou slaan.


5.

Soms ging Elise op bezoek bij tante Monique. Dan nam ze Esteban mee en trok hem zijn mooiste pakje aan. Tante Monique was in de veertig en had een voorkeur voor kleine keffers en rijke mannen. Bij het binnengaan van haar huis kneep Esteban zijn neus dicht voor de indringende geur van parfum vermengd met poetsmiddelen en sigarettenrook die hen tegemoetkwam.

In de grote hal moesten Elise en Esteban hun schoenen uitdoen want het parket was, telkens weer, net de week ervoor geolied of geboend. In de woonkamer zat tante Moniques vriend de krant te lezen met een glas whisky in de hand. Af en toe nipte hij van de sigaar die naast hem in de asbak lag. Op Esteban snelde een keffend hondje af dat wél zonder pantoffels over het gladde houten parket mocht rennen. De kleine zwarte hondennagels maakten een krabbend geluid, alsof er muizen onder de houten vloer zaten.

Tante Monique vroeg altijd of Esteban iets wilde drinken en er was steeds  eindeloos veel keuze. Hij dronk limonade en at zich ziek aan koekjes. Hij mocht op de bank zitten naast Elise maar moest wel stil zijn, tenzij hem iets gevraagd werd.  Esteban was toch niet geïnteresseerd in hun  gesprekken die in eindeloze cirkels heen en weer gingen, van koetjes naar kalfjes en terug.

Esteban droomde weg. Hij keek naar zijn rechterpink, die kleiner was dan zijn linkerpink. Mamadou had hem verteld dat hij uit een tweeling geboren was. Esteban dacht aan zijn rechteroog dat minder goed zag, zijn rechterbeen dat altijd wat stijver aanvoelde dan zijn linkerbeen, en bedacht dat dit de kant was in de baarmoeder waar zijn tweelingbroertje had gezeten. Er was eigenlijk geen plek geweest voor twee, dacht Esteban, en door het ruimtegebrek had zijn eigen rechterkant zich minder ontwikkeld. Ten slotte had zijn broertje het begeven. Natuurlijke selectie. Esteban was de sterkste geweest.

‘Kijk eens Esteban.’ Tante Monique was vorige maand op cruise geweest met haar vriend. De vorige keer was het een safari. Monique liet een foto zien waarop zij samen met haar vriend te zien was met de kapitein. ‘Tweeduizendzevenhonderd passagiers aan boord. En de kapitein is op de foto geweest met elk van hen, dat moet je toch maar kunnen!’ zei tante Monique. ‘En hij bleef glimlachen hé. Toffe man, die kapitein, echt.’ Vanachter de krant kwam een instemmend geluid.

Op het einde van het bezoek gaf Tante Monique meestal een envelopje mee aan Elise. Esteban mocht niet laten merken dat hij dat gezien had, dat waren zijn zaken niet.


6.

Op een dag had Esteban met Mamadou voor de televisie gezeten en hadden ze samen naar de Olympische Spelen in Sydney gekeken. Toen een bont trio zwemmers uit Nigeria, Tajikistan en Equatoriaal-Guinea aan de beurt was, vond er een opmerkelijk incident plaats. De eerste twee zwemmers werden wegens een valse start gediskwalificeerd. De overblijver, Eric Moussambani, sprong gedecideerd het water in en zwom vervolgens de traagste tijd ooit gemeten in een olympisch bad. Hij zwom zo onbeholpen dat de commentatoren zich luidop afvroegen of de man op de terugweg van de honderd meter de overkant van het zwembad wel zou halen.

Mamadou lachte tot de tranen van zijn wangen liepen. Eric Moussambani kreeg van de zeventigduizend bezoekers die in het stadion zaten het grootste applaus dat sinds de start van de Spelen had geklonken. De tweeëntwintigjarige jongeman, die pas een maand na zijn selectie voor de Olympische Spelen voor het eerst in een echt zwembad had gezwommen in plaats van in de rivier, glimlachte  breed voor de camera en dankte God en vaderland. ‘Jij en hij, hebben hetzelfde bloed’ zei Mamadou. ‘Begrijp je dat? Dezelfde voorouders. Niet vergeten.’ Esteban dacht na over het bloed in zijn lichaam en waar het vandaan kwam. Op school had hij geleerd dat mensen voor het grootste deel uit water bestonden.

Toen ze het gedaan had gemaakt met haar vriend omdat hij haar bedrogen had met de dochter van de kuisvrouw, stond tante Monique op een dag onverwacht  aan de deur van Elise en Esteban. Mamadou was niet thuis. Elise twijfelde of ze tante Monique zou binnenlaten maar vond dat ze weinig keuze had. Tante Monique keek naar de matras in de hoek waar Esteban sliep, vervolgens naar de plekken in Elises gezicht en besloot dat het genoeg was geweest. Nog voor Mamadou terug was hadden ze zijn spullen in een doos gepakt en de sloten veranderd.


7.

Na de breuk met Mamadou was Elise niet meer dezelfde. Ze trok zich terug achter een in zichzelf gekeerde blik en verwijderde zich van Esteban. De huishoudelijke taken die Mamadou haar had aangeleerd interesseerden haar minder en minder en Esteban nam die van haar over. Hij kon intussen alleen naar school en was ingewijd in het geheim van de envelopjes door tante Monique. Met de inhoud ervan ging hij boodschappen doen.

Elise kwam in het weekend soms niet thuis. Dan logeerde Esteban bij tante Monique. Ze toonde Esteban foto’s van toen Elise nog klein was en vertelde mooie verhalen, zoals over de eerste keer dat de kleine Elise buiten in de sneeuw had gewandeld. Op vrijdagavonden keek Esteban door de badkamerdeur naar hoe zijn moeder zich met een haast sacrale concentratie klaarmaakte terwijl ze in de spiegel keek. Zonder haar make-up vond Esteban dat ze er moe uitzag.  Vroeger had hij ondanks alles naar haar opgekeken maar intussen had hij medelijden met haar gekregen. Hij meed haar, zij vermeed hem, ze hadden een stilzwijgend pact.

Het waren zijn eerste jaren in de middelbare school. Er hing een flinterdun gordijn tussen Esteban en zijn leeftijdsgenoten in. Hoewel hij niet echt werd gepest was het contact onwennig. Wanneer de rest van zijn klasgenoten lachten met een grap zat de timing van Esteban steeds net een tikkeltje fout. Een seconde te vroeg, of een adempauze te laat. Vaak merkten de andere kinderen dingen op waarmee zij  Esteban konden uitlachen, maar waarvoor zij toch een zekere schroom voelden. Zoals die ene keer dat hij geen sokken aan had gehad op schoolreis.

Enkel in het schoolzwembad waar Esteban elke dag na vier uur op het einde van de schooldag baantjes mocht komen trekken, voelde hij zich thuis. De sportleraar kende Esteban reeds van in de lagere school en kon zich de gebeurtenis waardoor hun eerste ontmoeting gekenmerkt was nog levendig voor de geest halen.

Esteban had, anders dan de meeste leerlingen, lang geaarzeld om het water in te springen. Maar zodra hij onder luid gejoel van de anderen in de klas in het water was gedoken duurde het meer dan een minuut lang voor de jongen weer boven kwam. Onder water maakt hij sierlijke zwemslagen, en de rest van de klas werd muisstil van het uithoudingsvermogen en het sierlijke ballet dat Esteban onder water tentoonspreidde. Het leek wel of de jongen niet moest ademen, of hij zonder zuurstof kon. Pas na een hele tijd kwam hij ten slotte boven en zwom glijdend op zijn rug verder, af en toe als vanzelf met zijn benen trappelend. Niet eens buiten adem.

De sportleraar was Esteban beginnen inschrijven voor schoolwedstrijden en had Esteban zien openbloeien met elk brevet dat hij haalde en elke prijs die hij won. Ook Elise merkte een opgewektheid bij Esteban wanneer hij voortaan in het weekend met zijn sportzakje naar het zwembad trok. Elise wilde dat ze hem iets kon vertellen. Iets waardoor zij terug met mekaar in contact zouden staan. Maar zij wist niet hoe. Van zwemmen wist ze niets af. Misschien was het goed zo. Esteban leefde op zijn eigen wolk onder water. Er was turbulentie op komst. Een rimpeling over het wateroppervlak.

Elise kreeg een brief toegestuurd. Het handschrift van Tito leek op dat van een vrouw van in de negentig jaar die de oorlog nog had meegemaakt, maar dan met meer spelfouten. Tito schreef Elise dat hij na zijn vrijlating uit de gevangenis rechtstreeks was overgebracht naar een asielcentrum, waar men plannen maakte om hem terug te sturen naar Afrika. Hij vroeg Elise of zij een foto wilde opsturen van Esteban.


8.

Tito was altijd een idealist geweest. Hij geloofde dat de beste der mogelijke werelden eraan zat te komen. Op moeilijke momenten vond hij troost in reggaemuziek en God. In zijn thuisland Equatoriaal-Guinea, de vroegere Spaanse kolonie, was hij er na de dood van zijn moeder van jongs af aan alleen voor komen te staan. Dwalend door de bouwvallige straten van de mistige hoofdstad Malabo had hij net als velen leren overleven van het ene klusje naar het andere.

Een vriend met wie hij was opgegroeid had het intussen tot scheepsjongen geschopt op een van de grote cargoschepen die om de paar maanden aanmeerden in de haven van Bata. De vriend had hem verteld over alle steden die hij op zijn verre wereldreizen was tegengekomen. Hamburg, Le Havre, Marseille, Rotterdam, de namen klonken Tito als muziek in de oren. Het drinkwater was er schoon, de vrouwen waren er mooi en er was werk in overvloed.

Samen vatten ze het plan op om naar Europa te gaan en er te blijven. Ze zouden daar een nieuw leven opbouwen en geld verdienen om ten slotte als rijke, gerespecteerde mannen terug te keren naar het moederland. Binnenkort zou er een schip naar Spanje varen.  Tito kon ‘s nachts aan  boord van de mastodont  glippen en wist zich te verstoppen in de kajuit van zijn jeugdvriend. Gedurende de drie weken durende reis mocht Tito onder geen enkele voorwaarde buiten de kajuit opgemerkt worden. De kapitein en zijn bemanningsleden hadden geen genade voor verstekelingen, die de goede naam en reputatie van hun vrachtschip besmeurden.

In de smalle kajuit was een kleine wasbak maar geen toilet, laat staan dat er plek was voor twee personen. Zijn vriend nam zijn reiszak en kleren bij hem in bed zodat Tito op de plank kon liggen die was bedoeld als bagagedrager, en hij probeerde zo vaak hij kon water en eten mee naar hun slaapplek te smokkelen. Pas op het einde van de reis vroeg de vriend aan Tito wat hij eigenlijk had gedaan met zijn behoeften. Tito wees naar de wastafel en vervolgens naar de schoenlepel die de vriend elke ochtend gebruikte om in zijn uniformschoenen te schieten. In de lange uren die Tito alleen in de kajuit had doorgebracht had hij al zijn uitwerpselen zorgvuldig eerst vermalen met de schoenlepel en vervolgens doorgespoeld in de wastafel. 

In de gevangenis moest Tito soms denken aan de uren in de kajuit.  Elise was een enkele keer op bezoek gekomen en de cipiers hadden meewarig gekeken naar haar bolle buik. Tito wist dat ze niet meer zou terugkomen. Daarvoor duurde zijn tijd te lang en was zij te jong.  Hij wilde haar om een gunst vragen. Of ze het kind wilde vernoemen naar het schip dankzij wie hij in Europa was geraakt en zonder wie hij haar nooit had ontmoet. De San Esteban.


9.

Elise zat tegenover Esteban en kon bijna niet geloven dat haar zoon al vijftien jaar oud was. Tegelijkertijd vond ze, terwijl ze voorzichtig de trekken in zijn gelaat bestudeerde, dat hij er ouder uitzag dan de meeste jongens van zijn leeftijd. Ze schuifelde wat heen en weer op de rand van de zetel en leek naar woorden te zoeken. Elise schraapte haar keel. 

Esteban voelde wat Elise probeerde te vertellen, het maakte hem ongemakkelijk en gegeneerd. Maar hij wilde Elise geen teleurstelling bezorgen door haar te vertellen dat hij het al wist. Dat Mamadou het hem verteld had, lang geleden al.

Over Tito. Elise overhandigde Esteban de brief. Esteban nam de tijd om de woorden tot zich te laten doordringen. Een man, zijn vader, werd binnenkort het land uitgezet. Hij kende hem niet, nog niet. Hij beeldde zich in hoe hij, het daaropvolgende weekend, samen met Elise de trein zou nemen naar het asielcentrum. Hoe Elise buiten aan de poort zou blijven wachten, weigerachtig op elk verzoek om mee naar binnen te gaan.  Esteban zou begeleid door een man met een grote sleutelbos een lange weg langs gesloten deuren en muren afleggen, tot ze bij de recreatieruimte zouden aankomen.

Daar, te midden van andere gezinnen en spelende kinderen, zou Esteban Tito meteen herkennen. Alleen aan een tafeltje met voor zich een kop koffie, even zwart als zijn huid. Hij zou pas opkijken wanneer Esteban tegenover hem aan tafel stond. Ze zouden mekaar pas na enkele tellen van ongemakkelijke stilte de hand schudden. Nadat Esteban was gaan zitten zou Tito van wal steken. Over wat er allemaal gebeurd was. Zijn levensverhaal, hun levensverhaal. Waarom het zo was gelopen en niet anders. Dat hij blij was dat hij Esteban nu tenminste voor het te laat was een keer gezien had. Nog voor hij zijn laatste zin had uitgesproken zou de bewaker met de grote sleutelbos al een knikje hebben gegeven dat de tijd om was. Tito zou rechtstaan en de cipier volgen, nog een keer achterom kijkend naar Esteban.

Door het grote glazen raam van de recreatieruimte zou Esteban als in een film zien hoe Tito geboeid door twee mannen naar een vliegtuig zou worden geleid. Terwijl hij het vliegtuig tussen de wolken zou zien verdwijnen zou Esteban denken aan water. Het water van de oceaan dat Tito na al die jaren terug zou oversteken. Bijna al het water op aarde zit in de zeeën en oceanen. Twee procent is bevroren in sneeuw en ijs. Eén procent is onderweg.


10.

Het afscheid met Elise verliep anders dan Esteban verwacht had. Hij had gedacht dat ze opgelucht zou zijn. Onverwacht verlost van haar zorgen. Esteban had een uitnodiging voor het nationale zwemteam op zak en had een plaats aangeboden gekregen in de meest prestigieuze topsportschool van het land, waar hij twaalf lesuren per week zou mogen spenderen aan zwemmen op het allerhoogste niveau. Voor zij die van ver kwamen bood de school een internaat aan.

Tante Monique, die met de auto was gekomen om de weinige spullen van Esteban te verhuizen, probeerde Elises tranen  tot bedaren te brengen en drukte haar op het hart dat dit niet de laatste keer was dat ze haar zoon zou zien. Maar ook Moniques ogen werden vochtig. Esteban keek rond in zijn nieuwe kamertje. In de hoek stond zijn bed. Boven zijn karig ingerichte bureau hing  een foto van Eric ‘de Aal’ Moussambani, die met een grote glimlach naast het olympisch zwembad stond, de blije verliezer.

Esteban herinnerde zich hoe het was om baby te zijn. Niet in woorden of beelden maar in kleuren en gevoel. Herinneringen als de lijnen van de pastelkrijtjes op papier. Eerst een hard omlijnde tekening, vervolgens een uitgeveegde indruk. Zijn nieuwe leven kon elk moment gaan beginnen. Elk moment kon het gaan gebeuren. Elk moment. Nu.


Poëzie

1e plaats – Astrid Dewaele (KU Leuven, Taal- en Letterkunde)


damascus (revisited)

naast pantoffels vlijt de leeuw                       rugwaarts golft de kist een heuvel op en

neer, waadbaar ligt zijn schaduw                  terneergeslagen biedt ze onderdak

zich krimpend                                                   aan muurlozen een vergezicht

 

in plastiek verwordt hij                                    van onverbloemde doeken

overhandeld en gaat                                          verwikkeld in verlies

struinen

 

op pantoffels, pront

langs de leeuw die hij

was

 

Gedicht zonder titel

haar gezicht landt in verdriet
hij streelt zijn wimpers
tegen de palm van zijn hand probeert
haar tussen oogopslagen in te zien

ze buigt
neemt de hand dekt stil haar ogen toe
een donsdeken op haar winternacht

vruchteloos zoekt hij haar
wimpers misschien de herfst
of het uitblijven van lente

hij vond haar aanblik
uitgewoond achter haar ogen vertrokken
in de badkamer voor de spiegel
zichzelf en elkaar kijken ze aan


 

2e plaats – Tijl Nuyts (KU Leuven, Taal- en Letterkunde)

 

Oktober in Oxford


Hij loopt tussen deze bomen van zomerzee;
op de lippen van de stad niets dan de oude zandzoen en
de brullende dromen van de student, hoog
en wankel in een bloedblauwe bus,
de hele slingerende weg van Harcourt Hill naar Headington.

Vrouwen in zwaanwit naakt spelen op
uitgevonden instrumenten onder de eik,
lome zeepbellen zweven in kinderlijke tinkeling
tussen de takken; een privépicknick zonder Alice.

En hoewel wij praten en zingen, is er in dit
wonderland niets dan stamelende
zon en volstrekte stilte,
zwijgen en wijn, twijfel en eerbied

want in het gapende graf tussen natte bossen
klaver rust bleek de schrijver;
de briefpapieren ogen gesloten, zijn pen
als een zwaard uit het meer op zijn borst.


Een ei


De broer breekt een ei
terwijl op de tegelvloer zijn zus
buona notte.

Twee mensen op een balkon, het gordijn
een wit waas of een lelie.
Een telefoon rinkelt in het appartement.

Op het tapijt een wijnglas met vingers,
een ijskast halfopen.
Poedelnaakt op de brandtrap
kijken we in de mond van de betoging.
Op ons netvlies spelen breekbare dansers
langzaam een verdorven spel.

Hoor je dat?
Op de vierde verdieping speelt iemand Für Elise:
vlees en een boeket gedroogde bloemen.


 Club


En dan is daar opeens de nacht
en alles wat daarbij komt kijken:
de nieuwsgierige kattenogen van
de gekostumeerde man zonder gezicht,
de schaars geklede meisjes en onderhuids
dat doffe gedreun, de sissende slapen en
je handen die vertwijfeld zoeken tussen
de haren van iemand die je nooit aangeraakt hebt.

Het masker kleeft aan je gezicht met een
taaie laag wonderlijm; een roodgelipte glimlach
schittert en vlamt in poelen glas-in-lood-licht,
wodka glittert als glas tussen onze tanden en op de
rotsen slaat opnieuw een schip te pletter – ver weg
hoort je St.- Gertrude schreeuwen dat het gauw
gedaan mag zijn – je luistert niet en kust haar hand tot sterren
in witte bliksem en elektrisch mysterie.

Uiteindelijk draait alles om het spel,
zo is het altijd al geweest, de profeet met de schapentong
zei het al, orerend in de gietende regen op een bult in Wales.

Het spel. De regels klapperen in je hand als spreeuwen
in paniek – gespikkelde kelen vol worm en verwijt.
En dan: de geboorte van het brein in het heetst van de strijd;
een oceaan van lichamen; de zweep van het woord.

 

3e plaats – Kris Kil (KU Leuven, Taal- en Letterkunde)

Een Kleine Romance


‘Ik heb nog geen liefdesbrief gehad’
zei zij terwijl hij zijn broek losmaakte en zei of ja nee vroeg: ‘van wie waarom?’
‘I’m a sucker for romance’
en je weet hoe het is als je weet wat je wil en om het te krijgen moet je investeren.

Vrouwen betaal je in woorden en dan krijg je wat je wil
en dan is hij toch zo’n klootzak en dan leek hij anders maar zijn alle mannen helemaal hetzelfde en voor je het weet herval
je in feminisme, sta je op de barricaden roep je een slogan als ‘we are women’ en val je voorover op je gezicht.

Maar toch niet want een knappe agent heeft je in sterke armen gevangen,
neemt je ruw mee en sluit je voor eeuwig op.
Je houdt wel van wat ruws, zijn baard scheurt je wang open als hij je kust.

‘Ik weet niet wat het is maar ik vind het weerzinwekkend en ik hou ervan.’

 

 Polyptiek


‘Have you ever ...’
zei de buurvrouw toen m’n ongeboren zoon een scheet liet lekker hard
die zich dan ook maar voortplantte in de natte neus van haar ongeschoren hond.
Zijn ruwe baard stond in schril contrast met de blote billen van de kleine man.
Hij viel voorover de broek op de knieën schaterlachend met de neus in het gras.

Water groeit op en daalt neder in een oneindige stroom van vettig regenwater.
‘Op die manier plas je op jezelf’ zei de wijsneus van de klas, dubbele beglazing.
Is goed tegen de wind, isoleert beter. Wie heeft er modern schuim nodig als er hooi is?
Echte mannen scheren zich nog met een echt mes, geen elektrische brol zoals mijn vader,
werktuiglijk gaat hij dagelijks te werken en vindt hij dat alle mannen nichten worden.
‘De stoerste mannen ter wereld’, zegt zij, ‘dragen rokken en verder niets.’

‘Nonsens’
zei de briljante geleerde tegen het aapachtige onderzoeksonderwerp c.q. proefkonijn,
‘je ballen zijn nog even glad als toen de wind voor het eerst Adams tuin betrad
en de deur weer dicht ging achter zijn gat.’ - fuck you kutrijm -

Tijd om de muren te denken en na te vullen over wat er nog rest.
Anders moet je met komma werken
en dat is niet simpel als je acht jaar oud bent en leert delen als Euclides.
We zijn vandaag maar met drie want Davy is ziek zegt zijn mama en Ivo verliest tanden
dus krijgt iedereen nu zeven snoepjes en twee chocolaatjes.

‘Goed zo’
zegt juffrouw Monique want dan hebben de arme kindjes in Afrika ook nog wat
de rest is 2 van 23 en 1 van 7. We sturen het morgen wel op want vandaag is te vroeg.
en de rest wordt keurig naar binnen gespeeld op de leraarskamer.

De kinderen spelen buiten en vermoeden niets.
‘Tot morgen juffrouw.’


Gedicht zonder titel


Fier als een gieter stond hij daar in zijn recht en blafte
terwijl zij hem tussen de ribben stak en zei:
‘Sinister, dat is de juiste kant van je gezicht.’
Hij goot zijn bloed aan haar voeten en kuchte.

Toen hij verdronken was, zonk hij neer en dreef.
Zij smaakte zijn bloed en kneep het fijn
om het te bewaren, om het te koesteren
maar het sijpelde als in een zandloper door haar tanden heen.

‘Vaarwel’ zei ze, en duwde het kalf op zee.

 

Foto's (© Karolien Wilmots en Luc Dewaele)


Foto Karolien Wilmots


Foto Karolien Wilmots


De laureaten. Foto Luc Dewaele