Feuilles Volantes
‘Waarom willen we negativiteit lezen? […] Ik wil weten waar het goed, leuk, prettig, mooi en lekker is. En natuurlijk is dat subjectief. Maar dat vergeten we vaak, in ieder geval bij negatieve recensies. Als het slecht is, is het slecht. Dat moet toch anders kunnen. Te beginnen met boekrecensies. Stel je een verzameling van recensies voor, met alleen maar lyrische verhalen. Enthousiasme en emotie, blijdschap en gevoel stralen ervan af. En ja, soms ook liefde. Mooi toch. Zo is Why I Love This Book begonnen. Een website met alleen maar mooie verhalen.’...
De dood van God in de Kempen
De eerste weken was de kleine René zelfs gelukkig. Hij kreeg een grijze stofjas bovenop zijn zwarte pak en zwarte kousen, en hij verdween in het legertje van honderd kostschoolkinderen. Een jezuïet of een redemptorist, met een groot kruis om zijn nek, geoefend in de kunst van sermoenen, keek toe terwijl René zijn brief naar huis schreef. De professor knikte goedkeurend, rookte een cigarillo en genoot. Op het plafond boven hen werd nuttige wetenschap gepredikt: Bos suetus aratro, de os is aan de ploeg gewend. Of: Labor improbus omnia vincit, de rusteloze arbeid overwint alles. Als het Kruisdagen waren, zongen de kostschoolkinderen Latijnse teksten in de dreef, onder de kastanjebomen met witte kaarsen. Als een traag karrenwiel draaiden ze over de speelkoer. Altijd in groepjes van drieën, want numquam duo, semper tres. De jongsten speelden met knikkers, en sommigen breiden vogelnetten, of voetbalden met een sponsen bal.
Maar op een avond werd René overvallen door niet te stelpen heimwee. In zijn alkoof snikte hij geluidloos, hij luisterde tot alles rond hem stil werd en ging rechtop zitten om niet in slaap te vallen. Hij telde tot tweeduizend, zei Franse en Latijnse woordjes op, liep in gedachten door alle straten die hij kende. Dan kleedde hij zich aan en liep de trappen af. Hij sloop over de speelplaats, en ook de laatste deur was niet op slot. Te voet stapte hij naar huis, voorbij de strafkolonie van Merksplas, langs de zwarte putten van de steenbakkerijen van Beerse. Het was een bange tocht van meer dan twintig kilometer, door een donker, Kempens landschap. Onderweg zag René opgezet rundvee, slapende zigeuners, lege graven en boven de bossen een lijn van melk. Om half zes in de ochtend kwam hij toe in Gierle, hij kon amper nog uit zijn ogen kijken. Zijn vader Louis stond buiten voor het huis en laadde grote bakken met eieren in de bestelwagen. Hij zette de bak neer en vroeg verbaasd: ‘Wat komt gij hier doen?’
‘Ik ben ginder niet graag’, zei het zoontje.
‘Ga maar in de auto zitten’, zei de vader.
Dat deed René het liefst van al. Gewoon in de auto meerijden naar Antwerpen, waar zijn vader boter en eieren verkocht aan particulieren en bakkers. René was doodmoe, maar in de auto voelde hij zich veilig. De vader laadde de auto verder in en ze vertrokken. In Beerse, waar Louis gewoonlijk links afsloeg naar Antwerpen, merkte René het direct. Zijn vader reed rechtdoor, via Merksplas, terug naar het pensionaat. Zij wisselden geen woord.
Die stilte heerste vanaf dan tussen hen. Zij zwegen uit voorzichtigheid, uit plichtsbesef, misschien vanwege aflossingsangst of zelfs afgunst. Alle woorden tussen die twee werden voortaan op een weegschaal gelegd en gewogen: vaders zijn doorgaans te genereus met hun ambities. De vader zette zijn zoon af aan de poort van het pensionaat.
‘En doe dat nooit meer’, zei hij.
De buitendeur van de school was nog altijd open en onbewaakt. René liep over de speelplaats, de trappen op en ging naar zijn alkoof. Een halfuur later werd hij gewekt.
Lees meer in De bloemen.





