Het Zingende Nijlpaard ten derden male verliteratuurd

Verschenen in: De ontwikkeling

O waarom weten zij niet wat er gaat gebeuren! O, waarom weten zij minder dan wij! Waarom ontsnapt het inzicht aan hun ongeloof? Het ongeluk is nooit zo erg of het kan nog erger, en zo gauw je denkt: ik heb een auto-ongeluk gehad, dus het ergste heb ik nou wel achter de rug en de kiezen en zoiets zal me niet licht nog een keer overkomen, statistisch gesproken, wees er dan van overtuigd dat de goden zullen samenspannen en alles zullen doen wat in hun almacht ligt om u te wijzen op de nietigheid van uw bestaan. Smak! zei de zwartgepantserde Citroën van Lambik tegen de boom. Noord! zei zijn stem toen Wiske hem vroeg nog iets te zeggen. De profeterende wondendokter, in wie alleen onder de mensen de waarheid woont, want zijn naam was Pistoors, hetgeen in het West-Sanskriet betekent ‘luistert!’, kwam, zag en waarschuwde voor wrede dingen die zouden kunnen gebeuren, als de patiënt ’s nachts alleen gelaten zou worden. En als een uil in de donkerte die ons met zijn oehoe wekt en opwiekt op jacht naar muizen die nietsvermoedend hem niet kunnen ontlopen, als de mens zijn noodlot – oei oei! ai ai! oi oi! – zo ontvouwde het drama zich als, zo gauw de deur dichtvalt achter de dokter, Wiske als de wiedeweerga langs de trapleuning naar beneden komt suizen, slechts gekleed in haar pyjama en Teen Spirit No. 9, een kruising tussen kaarswalm en verbrand vlees met een zweem van rotte viooltjes in een bedje van lepreus afgevallen duiventenen.
      
– Awel, tante? Wat heeft de dokter gezegd?
      
O vraag toch niet, onschuldig wicht met uw beminnelijke strikje op het eierhoofd! Wees stil. Wees lijdzaam. Wees wijs. Waartoe die vragen naar de bekende weg? Waartoe die nieuwsgierigheid? Heeft uw leven niet aan menig zijden draadje gehangen? Is uw nieuwsgierigheid niet genoeg bestraft of bevredigd geworden? Is het niet veel fijner om die kelk aan u voorbij te laten gaan en eens lekker thuis te blijven zitten en een avontuur van niks mee te maken, of niks van een avontuur? Een huiselijk avontuur als het ware, gewoon zoals het er in de meeste gezinnen toegaat? Opstaan, ontbijten, naar school, aan het werk, aan het huishouden, spelen in de onmiddellijke nabijheid van het ouderlijke/voogdelijke huis, avondeten, teevee, boekje lezen en dan naar bed? Waartoe die hang, die drang naar vreemde verre gevaren, die golven omklotste geheimenissen die des mensen ogen beter verborgen bleven? Weet dat onder elk deksel een beerput ligt en achter elk verlangen de spijt op de loer. Gelijk elke voorkant een achterkant heeft en de kameel niet alleen twee bulten maar ook vier poten, zo zullen woorden tot daden leiden en daden tot woorden en zo verder in een eindeloze band van Möbius waarop men zichzelf nooit meer zal tegenkomen. O Wiske! Zwijg! Versluit uw muil met zeven sleutelen en verspreid die sleutelen over de vier windhoeken der aarde! Elk woord zal er een zijn op de verkeerde plek, opwekkend daden uit hun sluimering die liever bleven slapen, zo erg. Wij liggen hier, zeg maar, op de pijnbank van de twijfel en de angst, het ergste vrezend, niet wetend van welke kant het komt, links of rechts, met zijn moordglans van zwartblauwe drakenblik. En waar haalt u trouwens de tijd vandaan? Moet u niet eens naar school? Iets nuttigs leren? Boodschappen doen voor bejaarden desnoods? Oei oei! O o o o!
      
En gij, tantetje-lief, antwoord niet, maar doe iets! Grijp in en zorg dat uw ingrijpen juist niet het averechtse effect heeft. Laat uw handen sturen door voorzienigheid van de oppermachtige! Billenkoek! Driewerf billenkoek! Hebt gij nog niet genoeg ervaren in uw halsbrekende noodlottartende capriolen tot nu toe? Hebt gij nog niet genoeg het lid op uw fors uitgevallen langwerpige reukorgaan gekregen? Heeft deze Lambik over wie u zo moederlijk waakt u niet genoeg de afgebeten nagels onder het bloed vandaan gehaald? Denk aan alle pijn en alle leed die Roekeloosheid u reeds bracht! Gedenk het wolfijzer in Chocowakije – au au! oei oei! Gedenk de haakbuskloppen op Amoras – au au! oei oei! Gedenk de knots van de mottenvanger, de stort van de rotsen en de klap tegen de boom! – au au! oei oei! Gedenk de zwerm der duiven in uw aangezicht op Amoras! Gedenk ook de honger op datzelfde Amoras, de martelkelder van de Zwarte Madam en de klap met de kolf van Savantas – au au! oei oei! Moeten wij u nog meer pijnlijke zijnservaringen in herinnering roepen? De slag met de plu die Lambik u gaf, later op nog immer datzelfde Amoras, weet u die nog? Uw vernielde mingvaas en uw gebombardeerde goudvissen, weet u die nog? De keer dat u onder een stoere eikenboom door een reusachtige bliksem werd getroffen en in zijn magnetische veld werd meegesleurd doorheen de grijze nevelen der voorbije eeuwen naar het jaartal 54 voor Christus, om daar te worden geveld door een amfoor op het achterhoofd tijdens een bruut zwaardgevecht met de Eburonen en later met een bierpul op uw facie? Weet u nog, de zweterige berenhuid waarin u moest rondwaren om Lambik en uw bloedjes van kozijnen te redden? De botsing met de muur op de rug van Arthur de tsjip-tsjipbroer van Lambik? Uw voet in de vleesmolen toen de bokkenrijders voor de deur stonden? O en meer nog, alle zenuwen en zorgen als de ganse familie weg was, het verleden in of achter vliegende apen aan, of witte uilen, bibbergoudmijnen en prinsesjes van zagemeel – en u zat thuis, onmachtig en onwetend! Hebt gij dit alles niet aan den spillen lijve geleden? En niet alleen om uwen Sus en uwen Wis, nee, ook maar al te vaak om hém, om hem die gij nu met ontferming en erbarmen zit te bemoederen en te beredderen, deze aartsdwaas, deze zevenslotenloper, deze pintelierder van zevenenzeventig plagen. Is hij het waard? Vraag het u in kalme gemoede af. Werp de schellen van uw ogen en zie hem zoals hij is. Een snijboon noemde hij u, een valse tik. Maar u bleef hem met engelengeduld en onbegrijpelijke zelfopoffering beschermen en redden uit de nood, waar en wanneer die zich voordeed en dat was overal en altijd.


Lees meer in De ontwikkeling