Paul Wildvlees helderziende I

Paul Wildvlees zat op een stoel in een kubiekelijk-huiselijk achter een tafeltje met een tafellaken, dat tot aan de vloer reikte. Tegen een van de wanden stond een metallieke kast naast een lege canapé. Hij droeg een grijs pak, witrood dashemd, zwartgallige, hoogbollige en zwaarbehakte schoeisels. Wanneer gevraagd, gaf hij zich uit voor een  bevleesd persoon, die af en aan en toe uit zijn belichaming sloop om zich in het bovenhoekerig van zijn kubiekelijk als een zweverik te vermeien. Hij benadrukte dat hij gebeurtenissen kon waarnemen alvooreer ze hun plaatserig in het groot bestel hadden ingenomen. Tevens dat hij godeheer ondienstig was op vele onbestemde manieren en geloofde dat godeheer een dobbelaar was. Ook voelde hij zich onthecht op een paar zakelijkheden na. Derhalve experimenteerde hij met hallucinogenen en construeerde of rekruteerde hij persoonsgebonden menselijkheden.
       In de schuttingbuurt vlak bij zijn woning (een gelijkvloers, opgetrokken in stevig rood steengebak met oerdegelijk plafond) hoorde hij soms schraperige hongerlui ronddolen en terreurgestommel van furroristen, maar hij voelde zich volkomen veilig. Een smalle voordeur vol liederlijke graffiti, taalverwar en heimelijke toespelingen gaf rechtstreeks toegang tot zijn woonkamer. Op de buitenmuur, tussen deur en raampje, had hij een bord bevestigd met onder zijn naam HELDERZIENDE in felle tekstiele tekens. Dit was niet alleen een middel om klanten te lokken, doch iets waar hij vreemd genoeg sceptisch tegenaan keek, iets wat hij grondig verafschuwde en gelijkschakelde met de arrogantie van kerks gehaspel. Hierdoor kwam zijn helderziendheid neer op het ontwerpen van scenario’s onder het mom van profetieën die hij al dan niet nauwkeurig liet uitkomen naargelang van de bewuste of onderbestaanbare wensen van zijn klanten of uiteraard van hemzelf en dit met alle middelen waarover hij beschikte. Daar zwoer en leefde hij bij en wou hij op het geschikte moment voor sterven.
       Wat Paul Wildvlees onder furroristen verstond, waren personen, die zich reeds in de nabijheid van zijn stadsgedeelte ophielden en hun lustmoordig de vrije loop lieten wegens hun ethische, etnische en religieuze onwaarheden en onwaardigheden. Daar hijzelf geen moer gaf om enige blaam in geval van moord en slagdood, stoorde hij zich geenszins aan hun staalhartig bedrijvig, noch aan het bloederig krakeel, dat er onophoudelijk bleef uit voortvloeien in een vitriool kader. Dergelijke aangelegenheden waren volgens Wildvlees veel te feestelijk om ze ook maar een schijn van een vaste grondslag te verlenen.
       Doorgaans had hij andere zaken om het hoofd, maar met matige aandrang wou hij dit nog wel kwijt: als rijkdom niet langer in staat blijkt zichzelf te creëren, kruipen de wettelijk geüniformeerde en de niet zo aangeklede ratten uit de riolen en beginnen aan je lijf te vreten. De toename van dit schimmig ongedierte was volgens hem iets wat zich innig in het tijdsbestel had genesteld en op passende momenten als heetmaker fungeerde, temeer wanneer de volkomenheid van dit gebeuren hem als een passievolle entiteit voorkwam, de hoogste graad van iedere realiteit, een teken van macht en tomeloos geweld. De deur van zijn kamer stond voor iedere tikketiktikkerd wijd open. En hij had een bloeiende praktijk, meestal gericht op depressieve dompelaars met poen die naar de laatste interpretaties van beruchte sterrenwichelaars kwamen informeren of dachten dat er in hun brein een spook huisde dat ze geest noemden. Kortewieg, burgerpatiënten of werkschamelheden die hij als anaverbalistische metanarratievelingen beschouwde, groene nulwattisten, testikulaire onaniestiekemerds, overbejaarde impulsievisten van het neojansenistische en figuristische slag, naturelle ongeletterden, kantoorpersonen en pastichemensen.


Lees meer in hij zal door alles heen groeien.