Feuilles Volantes
Hoe gaan we met de woonhuizen van overleden schrijvers om? Moeten ze na de laatste ademstoot van de auteur in ere worden gehouden als een schrijversschrijn, zonder dat er ook maar een inktpot van plaats verandert? Dient het publiek met een rood koord op afstand te worden gehouden? Of moet een eigentijds schrijversmuseum de 21e eeuw binnentreden en plaatsmaken voor publieksbeleving, participatie, interactie en een kunstenaarsdialoog tussen oud en nieuw? Af en toe staan...
De Papieren Man
- Audubons 'Birds of America' onder de hamer
- MatchBoox-collectie breidt razendsnel uit
- Nederland volgend jaar gastland op boekenbeurs van Beijing
- Alberto Manguel haalt zwaar uit naar grote uitgeefconcerns
- Brieven reisschrijver Bruce Chatwin gebundeld
- Resten Anne Frankboom naar musea
- Houellebecq, Nothomb en Despentes op koers voor Prix Goncourt
- 'Het huis van de moskee' van Kader Abdolah krijgt verfilming
- Shortlist Man Booker Prize bekendgemaakt
- Peter Carey nog op shortlist Man Booker Prize
de Reactor
De glans 5: Brief aan Bernard Dewulf uit Oostende, Wilgenlaan
Dag Bernard,
Als er een stad bestaat die trots is op haar verminking, is het Oostende. De stad heet niet langer ‘Koningin der badsteden’, maar droog en modern ‘Stad aan zee’. Er komen steeds meer luxeappartementen, parkeerterreinen.
Ik zit hier in de logeerkamer aan het bureautje van mijn schoonvader. Vorige maand brachten we hier nog een weekend door, we maakten de kachel aan en ik grasduinde in Verzamelde verhalen van Heinrich Böll, in een kommerloze Wodehouse, If I Were You. Ik bladerde in een oud dossier ‘Oorlogsschade’, vol formulieren en correspondentie. Ik viel haast in slaap bij de kachel. Mijn vrouw maakte foto's van de schemering in het huis. Ze wilde vastleggen hoe hier de avond viel in het huis en de straat. Dit was het moment, zo zei ze, dat in Oostende de stratennaaier langskwam, de man die ’s avonds de straten dichtnaait zodat iedereen kan gaan slapen. En alle kinderen moeten in hun bed liggen, want anders zijn ze verplicht de hele nacht buiten te blijven.
Daarna gingen we slapen.
’s Nachts raakte ik in gesprek met mijn schoonmoeder. Ze toonde me haar oude foto’s, en ik maakte foto’s van haar foto’s, met gekartelde randen, met haar hand erbij en het blauwgebloemde tafellaken met de koffievlekken, Petit Gervais, de kruimels van madeleinekoekjes en het brood van de bakker op de Nieuwpoortsesteenweg. Ze haalde spullen uit haar kasten, een aquarel van de zee van Jan Declercq, die ze ooit cadeau kreeg. Ze gaf me een kladje van een opzegbriefje: Lea, de zus van mijn schoonmoeder, schreef het aan de zus van Leon Spilliaert, toen ze in diens kousenwinkel werkte. Het was gericht aan mevrouw Schriewer-Spilliaert, 57 Wittenonnenstraat in Oostende, en ze verkochten nylonkousen uit Engeland of Amerika.
‘Hierbij’, zo schreef de zus van mijn schoonmoeder op 16 maart 1956, ‘laat ik u weten dat ik alle verbintenissen waaruit ons gesproken contract bestond verbreek en mij aan uw dienst onttrek van heden af. Indien u mij van de verplichte termijn van bij u te werken ontslaat, gelieve mij dat schriftelijk te bevestigen. Ik zou een antwoord daarop willen. Lea.’
Op de keerzijde stonden optelsommetjes. Waren dit loonafrekeningen? Haar spaargeld?
Mijn schoonmoeder toonde me de schetsjes van haar broer, die als student René Magritte gezichten hielp schilderen in het Casino van Knokke. Al wat haar broer daar schilderde, heeft Magritte gesigneerd.
Ze vertelde me hoe ze als verpleegster James Ensor had verzorgd: een morsige oude vent die bij het raam zat in de Vlaanderenstraat. Hij gedroeg zich knorrig tegen het jonge verpleegstertje. Niets was hem naar de zin.
‘Oostende is een stad van de kunst’, zei ik haar.
‘Oostende was het’, verbeterde ze me.
Soms stijgt uit banale voorwerpen het aura, de glans op van grote kunst, wil ik maar zeggen. Het kleine roept het grote op. Heeft kunst iets te maken met gesprekken met kunstenaars? Met voorwerpen die op een magische manier verwijzen naar hen? Wat denk jij?
Koen


