Op Jezus

Auteur: Marlies Smeenge

Eerste laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017.

 

Mannen met benen vol spataderen zitten op de rotsen te vissen. Tussen de huisjes aan de weg waar ik sta en de zee is lang geleden beton gestort. Meeuwen pikken schelpjes en broodkruimels tussen de barsten uit. In mijn herinnering zag het er hier heel anders uit. Ik vraag me af of dat ook echt zo is, of dat ik toen zoveel gedronken had dat ik de gaten achteraf heb ingevuld met mooie herinneringen en fantastische mensen die hier nooit geweest zijn.

Tijdens mijn zesendertig uur durende treinreis zat ik naast drie godsdienstwaanzinnige dames die me zelfs in mijn slaap nog probeerden te bekeren met de Jezusafbeeldingen op hun bladwijzers, boekenkaften en portemonnees. Dus nu zal ik verdomme van de Kroatische kust genieten ook.

De vorige keer dat ik hier toekwam, stond er om tien uur 's ochtends een boomlange Rus voor mijn neus die me een sapje aanbood. Vier sapjes later was ik mijn eigen naam vergeten en herkende ik de willekeurige jongen met wie ik mijn zonnebril had geruild alleen aan de illuminati-tatoeage op zijn borstkas.

Nu is de deur van het hostel op slot. Er kleeft een briefje aan de ruit. Ring at upstairs. Hun Engels is er niet veel beter op geworden.

Het meisje dat de deur opent heeft een grote wrat naast haar neus. Ze vertelt me dat ik de enige gast ben vannacht. Dat het seizoen nog niet echt begonnen is.

Ik wil vragen of ze die al lang heeft, die wrat, maar ik zeg: 'Komen er nog andere mensen?' Ze haalt haar schouders op. 'Je weet nooit wat het getij meebrengt.' Ik wil met mijn ogen rollen maar die neiging onderdruk ik. Als je eruitziet als zij, moet je wel geloven in een hogere macht, anders geef je het leven op. 'Dan zal ik maar op ze gaan zitten wachten’, zeg ik.

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.