Bent Delbeke (2003) groeide op in een klein dorp op het West-Vlaamse platteland. Dat inspireert hem tot een ontleding van de rurale en burgerlijke moraal. Thema’s als geslotenheid, immobilisme en ruimtelijkheid komen geregeld in zijn werk voor. Hij schrijft over de momenten waarop de grenzen tussen onszelf en onze omgeving vervagen. Vormelijk is zijn werk experimenteel, fragmentarisch, associatief en sterk beïnvloed door de (neo)avant-garde van de twintigste eeuw.
De nachtwaker waakt over de velden, zo zegt men, al jarenlang, wordt gewoonlijk verdwaasd en verward bij valavond wakker, zet z’n chemische doorloopkoffie, drinkt zijn eerste tas thuis en vult met de rest zijn thermos, maakt zijn eerste ronde tegen zeven, stapt kalm en precies de velden af op zoek naar vreemde gebeurtenissen, merkwaardige figuren, of andere ongeregeldheden, noteert elk voorval in z’n notitieboek, neemt akte van elk beestje dat de struiken doet ruisen, zij het konijn, egel of marter, hij is stil, extreem stil, stoort nooit het reilen en zeilen van het dorp, praat nooit tegen bewoners, noteert hun levensverhaal indien nodig, zonder een woord te lossen, draagt zijn uniform met trots, grijze stofjas met zwarte rolkraag eronder, grijze kostuumbroek, groene rubberen botten, zwarte pet met klep, roestige lantaarn (warm gelig licht stoomt in de avondlucht, vermengt zich met mist), wandelt in cirkels, meerdere malen, meestal is het stil, maar de saaiheid is hij gewoon geworden, komt elke avond de heer bakker tegen, de enige die nog wakker is, een sigaret aan het roken aan de garagedeur achteraan de bakkerij, denkt het is toch een vies mannetje: vuilzilveren krullen, gele tanden (grote brokken af, als kind gevallen), doorzichtige huid, steeds boos en verontwaardigd over complottheorieën aan het mompelen, luid voor zich uit aan het klagen over overheidsmisstanden, dat kan een nachtwaker niet verstaan, maar hij begroet hem toch steeds met een stille knik, hoort even de bakker z’n klaagzang aan, haalt z’n schouders op, de bakker keert zich snel weer naar z’n oven toe, zweet hevig, zingt eeuwenoude Ierse zeemansliederen om zichzelf op te beuren, ook de nachtwaker moet weg, dat snappen ze beiden, kunnen niet lang stilstaan, plicht roept, het gezeur van de bakker noteert de nachtwaker wel niet, want het is noch vreemd noch merkwaardig, gewoon herhaling en die bakker doet toch geen vlieg kwaad, en iedereen kent hem, de nachtwaker hecht geen belang aan waan, heeft al veel ergere zaken gezien, boeren opgehangen aan lantaarnpalen, dode dieren langs de weg, de nachtwaker rilt kort bij de herinnering, gedachten even donker als de nacht, want elke vierkante centimeter van dit land heeft hij al afgetast en elke verdwaalde reiziger heeft hij al weer op het rechte pad geholpen, steeds zonder geluid, maar zelfmoorden, daar kan de nachtwaker niets aan doen, kan zelfs niet schreeuwen, gewoon ’s morgens de politie notifiëren, want nacht vraagt om stilte, nacht vraagt om rust, hoe donker de gedachten ook, ach ja, het is een eenzaam bestaan, maar hij is graag eenzaam, en dus is hij geknipt voor deze baan.
Hij, een krom geslagen nagel, een deeg niet-meer-te-kneden, een verharde homp brood in de kille nacht bevroren, gescheiden van elk nog vloeibaar vocht, schouderbladen gespannen, hongerig, want eten zou oneerbiedig zijn, aangezien er geen middag meer is om een maal te nuttigen, het enige dat hij kent is werk, werk dat eigenlijk geen werk is, aangezien het werk een werk van wachten is, alleen wachten, stil wachten, oplettend wachten, denkend wachten, overleggend met de gedachten van de nacht, hoe moeilijk, dat dagvolk dat verstaat me niet, zegt hij, maar het is een bezigheid als een ander: de zen-passie van het wachten, de meditatie van het registreren, het genot van de herhaling, de liefde voor controle en de ambacht van het zo afwezig mogelijk aanwezig blijven, herhaaldelijk, de controle houden, de omgeving verkennen, het banale als het hoogste goed, verstrijken van tijd als enige overgebleven doel in deze uitgestrekte velden, koeien als schaduwmonsters, en hij daar alleen, tragisch alleen, badend in melancholie, masochistisch genieten van eenzaamheid zijn meesterwerk, onzichtbaar doch uiterst nuttig, langzaam verdwalend in interne stemmen, om dan ten langen leste, als de zon eindelijk zijn ijzig bleke gezicht verwarmt, aan te kunnen komen bij het gemeentehuis, notities in de hand en het goede nieuws in de mond dat hij het land weer veiliger zal achterlaten dan voorheen, in de kennis dat, moest er overdag toch iets mislopen, hij terugkomen zal, om het op te lossen, elke nacht opnieuw.
Zon onder (18.55 u.), 13 oktober, de nachtwaker denkt dat zijn linkeroog ontstoken is, vertelt zichzelf dat hij niet mag klagen, zere onderrug, zit op z’n bed, draait zichzelf bruusk naar rechts, kraakbeen kraakt, draait zichzelf bruusk naar links, idem, stoffige zolderkamer, wankele houten trap, blote voeten koude tegels, ouderwetse keuken, dampkamp hard plastiek, knoppen al maanden onbewogen, lelijk, geelwit, wankel tafeltje, plastieken tafellaken koffievlekken kleur vervaagd, hij struikelt, geeuwt, denkt dat er iets mis is met de trillingen van het universum, voelt die vage dreiging, drinkt een glas water van de verkalkte keukenkraan, elke winter wordt het water kouder, zet koffie, houdt zijn gezicht boven het kokende water dat in de filter gepompt wordt, laat de stoom zijn huid bevochtigen, denkt eindelijk warmte, merkt op dat zijn kaken gespannen staan, schenkt een kop koffie, probeert zijn mond te openen, kaakspieren staalachtig vast, denkt in zichzelf valt nog wel mee, mag niet klagen, maar geeft al snel aan zichzelf toe dat het wel wat pijn doet, in die koude oktoberlucht, denkt roest, zet zijn waterkoker op, gaat met de kan kokend water naar zijn slecht verlichte badkamer, zelfde koude tegels, tocht, giet het hete water in zijn wit-groenig bevlekte lavabo, wacht even, dopt een washandje in het water, brengt het aan op zijn beide kaken, eerst rechts, dan links, herhaalt dit meerdere malen, zijn puddingachtige huid ontspant, probeert zijn kaakspieren te bewegen, merkt hoe laat het is, doet zijn uniform aan, botten gaan wat moeilijk aan, schoenlepel, merkt een wonde op aan zijn rechterhand, vorige week gevallen, verharde pus, groen ontstoken, geen zin om naar de dokter te gaan, zelfde verhaal als linkeroog, negeert dit alles, wandelt verder het dorp uit de velden in.
En dit alles op een mistige nacht, tussen vochtige muren en nat gras, vreemde avond denkt hij, zet zijn koers op noorden, platteland inwaarts, waar bijna niemand woont behalve boeren en landlopers, loopt tot vlak aan de grens, plots licht ter velde, mist zo dik dat hij nauwelijks twee meter voor zich uit kan zien, louter licht, het blijkt al snel een schijnwerper van een tractor, nachtwaker denkt iets grondig mis, een boer die in het najaar zo laat nog op z’n veld werkt is goed zot, komt dichter, tractor briesend, het vermoeden dat er een boer verdwenen is, ziet toch niets, motor tractor draait nog, er is iets grondig mis, maakt een toertje rond de tractor, de ploeg nog vast in het veld, was nog aan het omwoelen, bijna heel het land geploegd, nog maar een klein stuk te gaan, nachtwaker klimt de cabine in, vindt geen boer terug, of toch niets dat erop lijkt, vindt een homp vlees, een membraan, waar leven uit schijnt maar geen mensenleven, louter mensvormig, vlezige stompen waar benen horen te zijn, geen voeten geen knieën niet echt dijen ook niet, worstachtige uitsteeksels, wel armen, te korte vingers, drie links, twee rechts, huid over ogen gegroeid, nachtwaker ziet nog licht schijnen onder al dat overgroeide weefsel, dim licht, wenend wezen, kleine mormelgeluidjes, nachtwaker legt hand op vreemd wezen, warm, leven, zwak leven, hij vraagt zich af waarom dit wezen nog verder moet pulseren, wie zijn lot heeft beslecht, hij probeert het politiekantoor te bellen, iedereen slaapt al, loopt uit schrik weg.
De velden stinken als lijken, doelloos dwaalt de nachtwaker rond op zoek naar hulp, roept om aanwezigheid, breekt zijn eed, stilte niet meer, komt enkele boerderijen tegen, belt aan, niemand doet open, heel het dorp lijkt verlaten, nog meer mist nu, hij voelt een rare tinteling in z’n polsen, het stoot door tot in z’n duimen, drukt op z’n wonden, op z’n ontstoken hoofd, er is iets mis met de kosmos, loopt het lokale bos in, op zoek naar de boswachter, die is toch nog altijd wakker nu, groot bos is het niet, wat loofbomen aan de rand van het dorp met een zandbak en een speeltuin, ernaast ligt een cafetaria waar de nachtwaker vroeger als kind pannenkoeken ging eten met z’n grootouders, zodat hij wat kon spelen, een perfecte namiddag, hij kreeg een chocomelk en zij slurpten koffie, er werkten daar mensen die hevig konden staren, ze werden begeleid, door een instituut, waren trots op hun werk, het was een tijd van begroet worden met wederzijds respect en verstaan, hij, een kind opgevoed door heel het dorp, nu, hier alleen achtergelaten in een nacht vol lijkgeur en misvorming, goede tijden allang vergeten, het kantoor van de boswachter aan de rand van het bos evengoed verlaten, het bos stil, alle dieren allang gaan slapen, boswachter dringt verder het bos binnen, het klein bosje lijkt te groeien.
Hij verstomt bij een grasveldje in het midden van het bos, het is een verloren kale plek, bewoners noemen het een heksenkring, meer mist nog meer mist, en een gat, een scheur, plots verschenen in het midden van het veld, het natte gras gescheiden, de grond als een steekwonde opengereten: een sleutelgat, een bonzende inham, een kloppende leegte als het enige dat nog voorvallen kan; een schokkend sleutelgat, vlezig sleutelgat, donkerrood bloedend sleutelgat, moordend void dood en verdorven pulserend open operatie-gat, klauwend sleutelgat, opslorpend sleutelgat: het inzakken van een dorp, collectief bewustzijn opengesperd, godsanus: ingang tot de darmen van de wereldgeest, vlees paarse vlekken, mistig sleutelgat, verstikkende-wurgspieren-sleutelgat, etterende wonde, engeleningang, het lichtend pad, het verkeerde spoor, een scheur in de monade, stromen en doorkruisende lijnen en werkelijkheid weg verloren, sleutelgat zonder sleutel, het mysterie van de geest, het enige laatste vraagstuk, dit is wat overblijft, na al het waken, na alle nachten, na alle contemplatie, na al het zwijgen, na al het zuchten, niemand nog om hierover te praten, het laatste vraagteken, en z’n enige overgebleven bezigheid: gapen naar een gat dat alleen teruggapen kan, niets meer te doen, geen acties meer om nog te ondernemen anders dan bevriezen in een kil en vochtig veld, de nachtwaker eet zelfs niet meer, en het zou je verbazen hoe makkelijk het is te stoppen met eten wanneer je kan focussen op leegte, gapend naar dat jeukende grondsleutelgat, af en toe koude koffie slurpend, ogen trillend, hoofd knikkend maar hij kan niet slapen mag niet slapen moet blijven waken bij het gat want het is zijn plicht; hij wordt grimmiger en grimmiger en herhaalt vloekwoorden want hij kan dit niet meer aan wordt boos op het gras, wordt boos op het bos, wordt boos op het dorp, wordt boos op het sleutelgat, wordt boos op zijn lot, barst bijna van de hopeloze verweesde weerbarstigheid, tot hij beseft dat hij gewoon te moe is om nog helder na te denken, de nachtwaker valt in slaap, hij laat het dorp los, al zijn sleutels allang kwijt.
Tot, klein kind, dorpsplein verlaten, gezicht vers (wit en zwart) geschminkt, weken later: 31 oktober, op zoek naar snoepgoed, moeder verdwenen met de mist, klein rieten mandje, doodskopkindje, scoutsuniform aan, beige hemd, donkergroene broek, herhaalt nogmaals de aankondigingen van het einde, niemand meer om nog te waarschuwen, sleept zijn voeten over de asfaltbanen, blaast op een speelgoedharmonica, tranen rollen over zijn kaken, traag vervaagt schmink, hoofdje te groot voor z’n zwakke nek, zwakke schouders, hurkt even tegen de kerk, voeten aan de afgrond, haalt een sleutel uit zijn broekzak, bergt hem weer veilig op, hijst zichzelf weer op, dankt de heer voor spijs en drank en waagt zijn baan, verder, door de mist.