Dax De Decker – De Regenboogforel (tweede plaats)

Dax De Decker (2004) schrijft vanuit het schuldgevoel van het niet-schrijven. In fragmentarisch en ontwrichtend proza zoekt zijn werk houvast in schoonheid, kunst en de natuur. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman, waarin hij de raakvlakken tussen beeldende kunst, menselijke intimiteit en verloren herinneringen onderzoekt.

Foto: Per De Decker

Het nieuws kwam zonder geluid. Ik wachtte. Er kwam niets. De rouw die niet komt, voelt als verraad aan mijn jeugd. De woorden bleven in de lucht hangen. Hij is dood. De nare nasmaak van verlies. Hij die mij de dood liet zien, heeft hem nu recht in de ogen gekeken. De wandelaars die hem in zijn hut aantroffen, roken de stank van zijn rottende lichaam al vanaf de dennenboom aan het begin van het pad.

Mijn bier is half op en ik probeer mijn aandacht te vernauwen tot de kou van het glas in mijn hand. Naast mij zitten mannen te lachen. Ze dragen nette pakken en hebben hun mouwen zo opgestroopt dat hun horloge net zichtbaar is. Ik zie hun buiken, hun tanden, hun makkelijke vreugde. Het treft me opnieuw dat met de jaren de middelmatigheid aan terrein wint. Opa was tenminste eerlijk in zijn dood.

Buiten glijdt het licht van auto’s over de natte straat. Een man stapt al bukkend een taxi in om zich tot het laatste moment tegen de regen te beschermen. De mensen daarbeneden, zo noemde opa degenen die in de stad woonden. Altijd gehaast, altijd ergens anders naartoe, dat riep hij de mensen na.

Ik was net tien geworden toen ik hem tot last kwam. Sindsdien ben ik nergens meer geweest waar het er zo uitzag als bij hem, alleen in steden waar de stilte zich schuilhoudt in liften en achter betonnen muren. Nachten in cafés, dronken, waar de ochtend een probleem van morgen is. Vreemde hotelkamers met alleen een wazig beeld van mijn handen als bewijs dat ik besta. Ervan overtuigd dat dit alles is. Om het je dan vreselijk aan te trekken dat dit alles is en in een roes in slaap te vallen. Ik ben nergens meer geweest waar het gras nat is van de dauw. Waar er zonder hout geen warmte is en waar de seizoenen vast te pakken zijn. Plaatsen waar het water helder is zodat je vissen kunt zien zwemmen en waar de mensen je vriendelijk begroeten met het afnemen van hun pet.

Mijn bier is op. Morgen zal ik weer glimlachen, handen schudden, cijfers bespreken. Hij zou op mij vloeken moest hij me hierbeneden zien zitten.

Mijn taak was om het vuur brandende te houden. Er lag een stapel achter de hut, van daar moest ik het hout naar binnen slepen. Voor de splinters gaf hij me een mes, daarmee moest ik ze zelf uit mijn hand snijden. Hij zat aan de tafel en keek toe hoe ik met de punt van het lemmet onder mijn huid peuterde. Hij zei niets. In de avond dronk hij en bond hij vliegjes om mee te vissen. Ik zat bij de kachel en keek toe hoe zijn vingers stukken draad rond een haak bonden. De lamp die naast hem stond, wierp zijn schaduw tot bij mij.

In de ochtend was de hut ijskoud. De nachtlucht sloop naar binnen en liet een kille leegte achter. Hij zei niets over de as die op de houten vloer lag. Hij keek ernaar terwijl hij vliegjes uitzocht en ze in een doosje stopte. Ik nam het vuilblik en veegde de as op. Vanaf de stoel voor de kachel zag ik de omringende bergkammen en hoe diep het dal was. Hier zou niemand mij horen. Bundels zonnestralen glinsterden langs de bergkam op het natte gras.

Kom, zei hij. Het was geen vraag. Hij pakte de hengels van de muur en schoof het doosje in zijn borstzak. We gaan vissen.

In zijn groene overall stond hij recht aan de tafel. Hij schuifelde naar de muur en nam een kleinere stok die op twee nagels tegen de muur hing. Hier, nergens tegen tikken en niet laten vallen.

De hoge planten hielden de vochtigheid vast die de ochtenddauw had achtergelaten. We daalden af langs de rivier die door het gesteente leek te snijden. Hij liep voor mij uit zonder te kijken of ik nog volgde. Het hoge gras sneed tussen mijn plastieken laarzen en mijn korte broek die vuil mocht worden. Ik kreeg een kramp in mijn schouder door het hooghouden van de stok. Voor ons stroomde de vallei tussen twee bergketens in. Een enkel wolkje zweefde tussen de toppen en leek de uitweg niet te vinden, gevangen tussen de bergen. Koeienbellen galmden door de vallei. Op de flank aan de overkant stonden bruine melkkoeien te grazen onder begeleiding van een kleine oude man met een stok in de hand. Opa stak zijn hand omhoog. De oude man haalde zijn pet van zijn hoofd en zwaaide daarmee terug.

Daar, zei opa. Daar laat Piero druiven groeien, hij maakt er wijn van.

Bruine wortels reikten als armen uit de ruwe aarde zonder houvast te vinden. Voor ons leverden de bomen een mooie strijd tot de rotsen het landschap van hen overnamen. Opa legde zijn stok neer en keek naar mijn trillende knieën boven de rots waar ik niet durfde af te springen. Met een michelangeloësk gebaar greep hij mijn pols en trok me met een korte, nijdige ruk naar beneden. Ik landde hard op mijn hielen. De schok dreunde door tot in mijn tanden. Hij had mijn hand alweer losgelaten voordat ik goed en wel rechtstond. Het landschap begon zich achter de bomen te verstoppen. Het was koeler in de toenemende schaduwen van de bomen en ik trok de trui die ik om mijn middel had gebonden weer aan.

Hier, zei hij uiteindelijk. We stonden op een open stuk vlak bij een bocht in het riviertje waar het water zich breed uitstrekte en vertraagde.                             Daar zwemmen ze graag, zei opa. Hij hurkte en liet zijn hand door het water gaan. Hij haalde een bruin vliegje uit het doosje in zijn borstzak en knoopte dat aan het uiteinde van de lijn. Tijdens het vissen werd hij stil. De stilte viel als een dekbed over de vallei. Alleen het zachte geklots van het water, het gezoem van insecten, het gebrom van verre koeien bleef. Hij stond naast mij, torende boven mij uit en hield zijn blik strak op het water. Zijn lijn zweefde als een zweep door de lucht en met een korte beweging liet hij het vliegje rustig op het water landen. Hij wierp zijn lijn steeds wat verder, liet het even drijven, haalde in en gooide opnieuw.

De vissen die hij ving, haalde hij behendig het water uit. De spartelende forellen hingen even dansend boven het water. Hij haalde de haak uit hun mond en deed hen terug het water inglijden. In een s-beweging streek het vliegje dan terug neer op het oppervlak. Ik viste met een dobber en stukjes brood, dat was makkelijker. De lichtstralen glinsterden rond mijn dobber. Even ging mijn dobber onder. Ik trok snel aan mijn stok en zag hoe mijn stukje brood het water uit kwam vliegen. Te snel, geduld hebben.                                                                                    Even later gebeurde hetzelfde. Mijn lijn hing strak uit het water. Deze keer had ik wel goed beet. Het water rilde in nerveuze cirkels. Opa sloot zijn handen om de mijne en trok het gewicht van de stok op. Het oppervlak spatte open. De regenboogforel schoot omhoog in een boog van glinstering en nattigheid, zijn kleuren fonkelend.

Opa sleurde met een krachtige ruk de vis uit zijn element. Hij landde in het gras. Hij spartelde. Het licht brak in alle kleuren op zijn schubben. Hij wachtte niet op een antwoord. Met zijn eeltige hand greep hij de forel vast. De vliegensvlugge vinnen sloegen machteloos tegen zijn pols.

Hier, hij stak mij de vis toe. Pak vast.

De glibberige vis bewoog hevig in mijn koude handen. Ik was bang om hem met mijn greep pijn te doen en liet hem vallen.

Als hij spartelt, moet je harder knijpen.

Opa nam de vis met één hand vast en volgde de lijn die in zijn bewegende mondje verdween. De haak zat te diep. Hij was gulzig geweest.

Pak een stok! Beval hij me.

Daar, wees hij, net achter de nek moet je slaan.

Mijn handen trilden. Ik hief de stok boven mijn hoofd en draaide mijn gezicht weg zodat opa een traan die in mijn ooghoek opkwam niet zou zien. Het zou zo gedaan zijn. Hij zou geen pijn meer hebben. Ik liet de stok neerkomen en zag hoe met een laatste trilling het leven wegvloeide. Het was de laatste keer dat ik viste.

Opa ving zijn laatste vangst drie dagen geleden. Hij was het zelf die spartelend in de ijle lucht naast de koude kachel hing. Hij was het die de kruk wegtrapte en zijn eigen lijn straktrok.