Ella Meyvisch is 24 jaar en komt uit Leuven. Ze schrijft van jongs af aan kortverhalen en poëzie. In haar teksten verkent ze graag existentiële thema's zoals ouderdom, lichamelijkheid, rouw, kindertijd, en de band tussen mens en natuur. Vanuit haar achtergrond in klassieke studies verweeft ze ook antieke genres en mythologie in haar schrijven.
Mijn grootoom heeft al zijn dagen aan de tijd overgelaten. Dat is vaak zo bij boeren, die meer dan anderen beseffen dat leven geduld vergt. In april begroef Louis de aardappelknollen onder de grond. Daar lagen ze beschermd tegen licht en nachtvorst. Hij moest er maar op vertrouwen dat de aarde zorg voor hen zou dragen. Gelukkig kon hij na enkele weken loof op de velden zien. Het groeide hemelwaarts uit de blinde knollenogen. Zo waren de aardappelen toch nog met de buitenlucht verbonden. De planten zonden levenslicht naar hun wortels, waar de knollen alsmaar dikker werden. Toen ik deze zomer aankwam op hun erf, was het loof al geel. Het leek alsof de oogst was binnengehaald, alsof het onkruid was dat nu in alle traagheid mocht verwelken, zonder dat iemand er iets om gaf. Maar de knollen zaten nog steeds diep in de aarde verankerd. De boer laat het loof juist afsterven om de aardappelen te doen geloven dat ze rijp zijn voor ontworteling. Vanaf dan moeten ze op zichzelf leven. Ze harden hun schil tegen de onbestendige wereld.
Bij ons weerzien in juli kreeg ik van Anna een kus die mijn wang net niet raakte. Ze inspecteerde mijn gezicht. Het leek alsof mijn groottante er bekenden in wilde herkennen, tot ze doorhad dat ook hun gezichten intussen vervaagd waren. Haar dankbare kinderogen verraadden dat ze nog steeds niet kon geloven dat ik de moeite had genomen om naar hun erf te komen. Ze leek zich niet te kunnen inbeelden dat ik me zo kon bekommeren om mensenlevens die mijlenver weg lagen van het mijne. Anna had zich altijd meer aan de natuur gehecht dan aan mensen. Daarom kreeg ze het ook niet over haar hart om hun laatste perceel te verkopen, dat als een tuin aan hun huis grensde. Mijn oma had me gewaarschuwd dat haar zus in een bescheiden schuur woonde. Al jaren was mijn oma er niet meer geweest, en de tijd zou de woning weinig deugd hebben gedaan. Zelf zag ik Anna voor het laatst toen ik twaalf was, op mijn plechtige communie. Ze was een kleine vrouw, wist ik nog. Misschien omdat ze haar leven gebukt doorbracht, dicht bij de grond. Ik herinnerde mij dat Anna veel vroeger dan de anderen vertrok. Als afscheid had ze enkel minzaam in mijn schouder geknepen. Daarna keek ik even of haar vingers geen zwarte sporen op mijn witte communiekleed hadden achtergelaten.
Tegen de gevel van hun huis zag ik twee stoelen staan. Daar brachten Anna en Louis de meeste uren door. Op hun leeftijd hielden ze nog steeds van het buitenleven. Mijn oma heeft nooit geweten wat die schuur voor haar zus betekende. De omliggende velden beschouwde Anna evengoed als haar huis. Binnen en buiten liepen in elkaar over. Ze sliepen enkel onder het regentikkende dak omdat het moest, omdat ze mensen waren en kou leden. Maar als Anna en Louis konden kiezen, zou het altijd dag zijn, of ochtend liefst, wanneer de wolken nog vochtig zijn en de grond mals. Ze lieten hun gewassen niet graag alleen met de nacht.
Ik mocht in hun oude kamer slapen. De trappen waren te gevaarlijk voor hem geworden, dus Anna en Louis sliepen beneden. Het voelde intiem om in een bed te liggen dat ooit van hen was geweest, een bed dat kraakte omdat het zowel doorleefd als verwaarloosd was. In dit dorp woonden vooral boeren. Ze spraken weinig met elkaar: de band met hun grond en vee bleek toch de meest duurzame. Maar doorheen het slaapkamerraam drong een dierlijke geur naar binnen die alle geïsoleerde akkers alsnog verenigde. Het was een bedwelmende lucht, ze viel zwaar op ieders oogleden. Inslapen duurde nooit lang, maar mijn dromen dreven niet weg van het aardappelveld. Ik werkte mij in het zweet tot het weer ochtend werd en een koortsige zon de kamer binnengleed.
‘De aardappelen moeten er dringend uit’, had Anna meermaals gezegd. Ze gaf mij een spitvork en handschoenen. Onder Anna’s huid liepen volle aders die zich over de rug van haar hand vertakten als wortels. Bij de uitleg over de oogst benadrukte ze dat ik de spitvork ver genoeg van het loof in de bodem moest duwen, om de knollen niet te beschadigen. De tanden zouden dan achteloos in dezelfde moederlijke aarde prikken die de aardappelen maandenlang geborgen had gehouden. Daarna moest ik de steel schuin naar mij toebuigen, zodat de grond loskwam en ik de duistere oogst eindelijk aan de bovengrondse helderheid kon tonen. Anna’s knoken waren te stijf geworden om op haar knieën te zoeken naar de knollen die aan de spitvork waren ontsnapt. Als een dier zou ik nu de bodem moeten omwoelen die voor mij altijd zo ondoordringbaar was geweest. Ik stond er steeds op zonder naar beneden te kijken, wandelde er zomaar overheen, liet mij dragen.
Anna had mij erop voorbereid dat mijn grootoom het rooiproces zou aanschouwen vanuit zijn tuinstoel. De seizoenen waren mee in zijn lichaam gekropen, waardoor het zicht van die al te herkenbare oogst hem een moment van troost gaf dat geen enkel menselijk gebaar kon teweegbrengen. Ik heb mij vaak afgevraagd wat hem precies zo geruststelde. Misschien wilde Louis kunnen waarnemen hoe iemand zijn grond nog eens aanraakte. Of wie weet draaide het vooral om het moment waarop de doodgewaande aardappelen naar het licht werden gehesen en mijn grootoom ze eindelijk kon vasthouden, zodat hij zeker wist dat ze echt waren. Doorheen de nauwe deuropening ondersteunde Anna haar man terwijl ze gearmd naar buiten kwamen. Moeizaam zakte hij neer in zijn trouwe stoel, naast die van Anna. Ik kon vanwaar ik stond zien hoe de verblindende zomer in zijn slaapdronken ogen scheen.
Anna en Louis waren zo verknocht aan hun gewoontes dat ze niet meer beseften dat het gewoontes waren, alsof dit nu eenmaal het enige mogelijke leven was. Ouderdom dwong hen om toegevingen te doen, maar daardoor grepen ze zich des te harder vast aan wat wel hetzelfde bleef. Dagelijks aten ze aardappelen. Zoals anderen eeuwig wilden voortleven via hun kroost, voelden zij zich gesterkt wanneer ze dankzij de getijden en arbeid opnieuw een heel jaar van hun oogst konden eten. In alle ernst schilden Anna en ik de aardappelen, waaronder het blinkende goud verscholen zat. Tijdens het koken sneed mijn groottante zich dikwijls. Zonder aarzelen zoog ze dan het nerveuze bloed uit haar vinger. Wanneer ze de weerzin op mijn gezicht zag, zei ze met haar lage stem: ‘Jij hebt duidelijk nooit moeten werken, meisje.’
Mijn groottante gaf Louis als een kind te eten door de vork geduldig naar zijn mond te brengen. Het kon Anna weinig schelen dat haar eigen bord koud werd: eten ging toch vooral over levensonderhoud. Pas wanneer haar man voldaan was, wilde Anna met mij praten. Ik vermoed dat ze zweeg uit een soort respect voor hem. Alsof ze weigerde om dit vernederende tafereel als een alledaagsheid te beschouwen, zelfs al besefte mijn grootoom het zelf niet meer. Het was een stilzwijgende overeenkomst tussen Anna en mij dat we samen wachtten tot zijn maaltijd op was. Daarna aten we onze koude patatten alsof er niets was gebeurd. Maar zolang wij ons bord leegaten, bleef Louis aan tafel zitten. Onze gesprekken vlogen heimelijk langs zijn oren heen als stuifmeel. Soms sluimerde hij in, maar meestal staarde hij gewoon door het open raam naar buiten. Zo keek hij elke avond toe hoe de onbaatzuchtige zon haar laatste warmte over het land verspreidde. Tot zo ver hij kon zien, veranderden de velden in een noodlottig okergeel. En wij hoopten allebei dat hij die verre akkers, die intussen aan andere boeren toebehoorden, in zijn verwarde gedachten nog steeds de zijne waande.
In enkele dagen had ik hun laatste stuk grond helemaal omgewoeld. Anna vroeg mij om de oogst in kisten te stoppen en ze in de kelder op te bergen. Aardappelen moeten in het donker bewaard worden omdat ze niet in het lichtrijk thuishoren. Te veel blootstelling maakt hen groen en giftig. De kelder van Anna en Louis lag nog vol met opeengestapelde kisten uit vorige levens, sommige ouder dan andere. Blijkbaar verkochten ze hun oogst al even niet meer. De meeste aardappelen uit eerdere seizoenen waren aan het ontspruiten: doorheen hun verrimpelde vel kwamen langs alle kanten witte scheuten tevoorschijn. Ook in deze kelderlucht zochten ze wanhopig naar aarde om zich aan vast te hechten. Een akelige overlevingsdrang. Ik realiseerde mij nogmaals dat het organismen waren die zomaar groeiden en vergingen, en juist die bewustwording wekte afschuw in mij op. Anna en Louis hadden de knollen eerst ontworteld om ze dan in deze ondergrondse kerker weg te stoppen. Zo konden ze de kisten tellen als een soort tastbaar bewijs van jaren die ze hadden doorstaan. Er moest iets overblijven. Haastig stapelde ik de verse lading kisten, waarvan de meerderheid nooit zou worden aangeroerd. Ik knipte het lampje uit en de duisternis herstelde zich onmiddellijk.
Het leek alsof de akkers zich als nooit tevoren voor mij openden toen ik uit de kelder naar boven kwam. Er stond een felle wind die dag. Stilaan begon ik te begrijpen waarom Anna en Louis zo naar deze eenzaamheid hadden verlangd. Voor mijn vertrek besloot ik nog een korte wandeling te maken. In de uitgestrektheid van het landschap voelde ik mij zowel bekeken als onzichtbaar: het buitenleven maakte een mens groots en nietig tegelijkertijd. Zwemen van wolken hingen broos aan de lucht. Af en toe keek ik achterom terwijl ik steeds verder en verder van het huis wegliep. Anna zwaaide telkens van achter het keukenraam. Ook Louis, die in zijn tuinstoel verwaaide, wendde zijn blik de hele wandeling niet van mij af. Het moest pijnlijk zijn voor hem om te erkennen dat zijn benen nooit meer zouden raken tot waar ik nu stond. Vreemd genoeg begonnen de open velden beklemmend aan te voelen. Ze hadden mijn grootoom steeds dichter aan zijn gevel vastgehecht.
Toen we afscheid namen, wist Anna niet wat ze tegen mij moest zeggen. Daarom hielden we allebei de schijn hoog dat we elkaar in de toekomst wel weer zouden ontmoeten. Voor mijn eigen gemoedsrust ging ik ook een laatste keer naar Louis toe, die nog steeds tegen de gevel zat en zoals altijd weinig merkte van mijn aanwezigheid. Hij bleef maar gapen naar zijn ontheemde land. Sinds de oogst sprak er geweld uit hun laatste troostgrond, die ik zelf met mijn spitvork had verwoest om de buit binnen te halen. Een soort slagveld. Maar ik wilde graag vermoeden dat mijn grootoom bij die leegte vooral vrede voelde. Zo zou hij zich eindelijk met zijn aarde kunnen verzoenen. Zijn onuitputtelijke aarde.