Sanne Lolkema (2002) studeert en schrijft. Huidig werk richt zich op een steeds vreemder wordende wereld. Ze schreef voor Hard//Hoofd, Kluger Hans en seizoenszine. In 2025 werd ze geselecteerd voor de schrijfresidentie van deBuren. Op dit moment werkt ze aan een audiodocumentaire over zorg.
Foto: Marianne Hommer
I.
broer bouwt een bus. zijn dunne handen snijden ramen uit de zijkanten. hij
heeft een zelfgemaakte ribbenkast een geërfde vlakte in de
nerven zitten. jarenlang onderzocht ik hem op vlagen
van bezieling. ik vond: de oneindigheid past precies in zijn
mannenlijf. hij neuriet een liedje en weet altijd wat
er nog gebeuren moet. broer is niet van zijn stuk te brengen. zijn bicepsen spannen
zich richting een bestuurdersstoel
onheilswolken strak getrokken
de versnellingspook is aan de beurt. broer masseert het zachte leren vlees
hier mag hij plaatsnemen
broer krijgt bericht van zijn ex. hij gaat over tot een espresso.
broer hoeft nooit meer gevonden te worden. aan een leegte kan je wennen zegt hij
aan een leegte doe je niets meer een leegte komt in je liggen en noemt je gecontroleerd
gepantserd een leegte zegt
bouw een bus. wees als broer. heb een voertuig in een loods
aan de andere kant van de stad waar je onder kan liggen als onder een
warmtelamp. je schaal hoeft nooit te breken.
broer lakt de zijkanten krasloos. vervangt het achterlicht
II.
in schattiger tijden plamuurden we iglo’s wit. de tuin was nog beschikbaar
van alle takken sprong iets vochtigs in zijn nek plaatste ik het waterijs
gamma-emmers vullen het tuinhuis een fort. broer hangerig kleiner twee
warme wanten aan een lijn door zijn bovenlijf geregen
kirrend wezen: broer
altijd mocht hij me afstoten. we hadden zoveel opgebouwd de noodzakelijkheden als
steden op zolder. trossen vreugde een gezicht glimmend rode opwinding
de herinnering aan broers schitterende elfenhaar op alle foto’s kwijlt hij nog
vijvers van ogen twinkelende treur
ik zink er terug
broer zet een lieveheersbeestje op mijn vinger en snijdt bloemen fijn voor soep drie stokken moeders laken een tipitent. het insect laat geel achter broer schatert
het heeft gepoept. we redden een zoetgemiste hommel rennen even zoemend
de achtertuin behuist een voetbal. broer scoort door mijn benen
in het buikstuk van zijn shirt stopt hij zijn voorhoofd. een mollige
zomer
waarin we een skelter wensen. kippen in onze kleuterhanden houden het
gras van de zijkanten weg. we wachten tot het bladblazen begint
en we in de kooi mogen liggen. zijn zachte arm in de mijne geslagen
broer besluit tot afscheid. strategisch net nu de zaken aan het vloeien waren
III.
vlak voor broer geslagen werd kwam ik ter zake. als magneten klonterden we
in de schoolkantine. ik had een rol gekregen alle handen hield ik van hem
dat schamelkind. de verpakking van een lichaam aan een kapstok
slap en van de wereld gemaakt broer
wordt steeds groter. vader noemt hem kerel zijn kuiten groeien stekelig
er vangt een beddenwissel aan. hij ruilt zijn zitzak in
een boel komt uit dat lijf gekropen. een korrelig opgroeien
broer ontkent. hij wordt leider van een imaginair voetbalteam
er beginnen mensen sigaretten te roken in het fietsenhok wodka wordt ontdekt broer
blijft thuis ritst een vest dicht. zijn kin begint te verharen de spelers bewegen zich in
zijn formatie over het veld. de legoauto’s zien het met lede ogen aan
broer hult zichzelf in spieren. het is een strak gezwollen bestaan
de kwark afwegen. elke dag schuift hij zijn lichaam dat verhaal in. opnieuw wordt hij geboren te midden van stugge jongens plukt hij aan zijn oorlellen
de tijd is al lang niet meer in beeld. het is op
uitbarsting wachten de waakvlam is fragiel
broer zwijgt. hij zal snel op reis gaan