Noah Put – Laat maar zitten (tweede plaats)

Noah Put (2005) studeert Wijsbegeerte aan de KU Leuven. Hij schrijft journalistiek en poëzie. Eerder was hij opinieredacteur bij Veto en verscheen zijn werk in Meander Magazine en De Standaard. Hij kent zijn lichaam van gezicht en dicht om er de naam van uit te spellen. In zijn teksten voelt hij na hoe verveling omslaat in vervreemding. 

Foto: Gwenaëlle Madile

mijn dijen liggen op de rand van het tafelblad,

mijn spataders splijten zwierig open

en volgen de nerven.

ik rinkel.

 

mijn guppy’s vragen om voedsel.

ik vraag alleen om een hemd

en vind de uitgestrekte

armen van mijn bureaustoel naakt en 

vermagerd.

 

op bed blinkt een gevlekte iris

met broodkruimels

in haar mondhoeken.

zij ronkt als een dronken cellospeler.

 

zij dringt mij binnen en wil

naar de stengels in mijn vingers reiken.

ik vraag haar wat er te breken valt.

 

ik rijg me vast aan de streling van haar staart

en zwiep. 

ik denk dat ik verlof ga vragen.

de guppy’s zeggen:

laat maar zitten.

 

2.

het bad loopt al een tijdje.

ik tel de tegels aan de overkant

en tel er zeventien, of achttien, opnieuw.

 

de kraan heeft een manier van druppelen

die op ademhalen lijkt.

 

ik kijk op. buiten hangen drie wolken stil

als loodgrijze keien, te zwaar

om op de grond te liggen.

ik tel ze alsnog.

 

ergens onder de vloer

slepen knoestige poten.

ik denk: kostganger.

ik denk: welkom.

het water is aan mijn lippen.

ik slik.

 

3.

de trein sjokt

en snerpt als een roestig orgel.

ik leg mijn wang tegen de wand

en voel een bries door het raam

mijn haren herschikken 

tot een versnipperde landkaart.

 

een stad ziet er netter uit als je ervan wegrijdt.

verlatenheid brengt orde aan in de dingen

omdat niemand zich nog in ze vergist.

 

het huis is een bewoner, ergens.

het staat op haar handen in de aarde

en laat de guppy’s aan de kat.