Erwin Jans & Arnoud van Adrichem
Volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk is de vraag naar ons waar misschien wel zinvoller dan die naar ons wat. Want inderdaad: waar wonen we eigenlijk wanneer we eenmaal inzien dat we op een ronddraaiende bol door het heelal bewegen – en die vreemde, onmetelijke ruimte moeten bewonen? De mens is bovenal een bouwer van sferen, luidt Sloterdijks antwoord, met een verwijzing naar Ptolemaeus' kosmologie. Die sferen (een kamer, een huis, een lap grond, een natiestaat,…) bieden niet alleen bescherming tegen de wereld, maar maken het ook mogelijk die wereld in het klein na te bootsen. Zo kan de mens vorm geven aan de onmetelijkheid die hem omringt.
Misschien zou je de woorden 'ik ben' eigenlijk moeten vervangen door 'ik ben er'. Je bestaat immers altijd ergens. Nooit in het luchtledige, abstracte of universele. Nee, je bestaat en leeft heel precies op geografisch bepaalde plekken en die plekken zijn allesbepalend voor je bestaan als mens. Geen toeval dus dat de mens zijn leefwereld al snel, met veel zorg en detail, in kaart heeft gebracht. Kaarten en plattegronden getuigen van de menselijke wil om greep te krijgen op de wereld, toen en nu, dichtbij en ver weg.
Niet voor niets typeerde de Britse filmmaker en beeldend kunstenaar Peter Greenaway kaarten als een palimpsest met verschillende ruimtelijke en temporele lagen. Een kaart toont waar je vandaan komt, waar je je bevindt en waar je naartoe kunt gaan – en zelfs waar je had kunnen zijn. Ondanks hun neutrale uitstraling sturen kaarten je haast ongemerkt een bepaalde kant op. Het zijn instrumenten van kennis en macht. Kaarten drukken een verlangen uit om de wereld te ordenen en te bezitten. Cartografie ging van oudsher hand in hand met handel en ontdekking, waarbij kaartenmakers vaak evenzeer vertrouwden op hun kennis als op hun verbeelding. Die vermenging maakt de kaart soms interessanter dan het gebied zelf.
De aantrekkingskracht van kaarten vormt mede de basis van dit nummer, dat tot stand kwam in samenwerking met The Phoebus Foundation. Deze Antwerpse kunststichting bezit een indrukwekkende verzameling van meer dan vierhonderd kaarten, atlassen en stadsgezichten uit de zestiende tot de negentiende eeuw. Tot de hoogtepunten behoren zeldzame uitgaven van Gerard Mercator, Abraham Ortelius en Petrus Kaerius. De collectie bevat zelfs de volledig met de hand ingekleurde Atlas Maior van Joan Blaeu, een elfdelige reeks met bijna zeshonderd kaarten, destijds de duurste publicatie van de zeventiende eeuw.
Wij vroegen schrijver en beeldend kunstenaar Maarten Inghels om deze historische pracht te vertalen naar een nummer over cartografie. Als leidraad koos hij Georges Perecs Ruimten rondom (1974), dat de auteur zelf omschreef als 'het dagboek van een ruimtegebruiker': een meditatief, speels onderzoek naar de ruimten waarin wij leven en bewegen, van de bladzijde tot het heelal. Die keuze voor Perec is geen toeval, maar raakt aan een van de fundamenten van DW B. Als tijdschrift dat het vormexperiment niet schuwt en het ludieke koestert, vindt DW B in Perec zowat de ultieme gids. Waar de cartograaf de wereld ordent in lijnen en rasters, doet Perec dat met taal. Schrijven betekent voor hem: 'pijnlijk nauwgezet proberen iets vast te houden, iets te laten voortbestaan'. Zijn methodische, bijna wiskundige blik dwingt ons om anders naar de alledaagse werkelijkheid en de dingen om ons heen te kijken. Zo kunnen speelruimten ontstaan die tegelijk denkruimten zijn. Dat geldt al even sterk voor zijn postuum gepubliceerde project Lieux (2022), waarin hij twaalf Parijse plekken twaalf jaar lang telkens opnieuw beschreef – een eigen, literaire cartografie van tijd en herinnering.
Vanuit deze Pereciaanse geest nodigde Inghels Vlaamse en Nederlandse auteurs uit om Ruimten rondom te (her)lezen, en zich daarbij af te vragen: hoe gebruiken wij onze ruimte vandaag? Wat vertelt een kaart of plattegrond over de binnenkant van een ruimte, en wat zegt ze over de binnenkant van onszelf? Is de vraag naar ons waar inderdaad zinvoller dan die naar ons wat?
Zijn uitnodiging levert een waaier aan teksten op over onder meer handlijnen, tegendraadse groeiringen, cellen, een kuil in een matras, een landhuis met verschuivende kamers, horrorramen, al dan niet gecultiveerde tuinen, vogelvluchten, een werkend Babel, kavels en plassen, polderblues en de kosmos,… Om een ordening aan te brengen werkt Inghels van klein naar groot, net als Perec in Ruimten rondom.
Bij elke bijdrage zocht hij een passende kaart uit de deelcollectie van The Phoebus Foundation. De auteurs voegden ook eigen kaarten, plattegronden en blauwdrukken toe, waardoor dit nummer iets weg heeft van een tegendraadse, literaire atlas. In termen van de Franse filosofen Gilles Deleuze en Félix Guattari zou je misschien kunnen zeggen dat zij 'deterritorialiseren' en 'reterritorialiseren': ze verleggen grenzen en veranderen paden om de wereld vervolgens op eigen voorwaarden opnieuw in kaart te brengen. Wij wensen de lezer een behouden reis – en voorlopig geen aankomst.
Dit nummer kwam mede tot stand dankzij een financiële bijdrage van The Phoebus Foundation; daarvoor onze warme dank.