Liesbeth D'Hoker
Wat als je nog maar één ambitie hebt? Niet: een betere versie van jezelf worden, carrière maken, een prestigieus project binnenrijven, de volgende bouwmeester worden of een boek schrijven. Nee, gewoon: elke dag duizend meter zwemmen.
In Duizend meter onderzoekt Christophe Van Gerrewey wat er gebeurt wanneer een mens zich, althans tijdelijk, probeert terug te trekken uit de wereld van doelmatigheid, competitie en zelfverbetering. De hij-figuur wil elke dag duizend meter zwemmen en elke andere vorm van ambitie zoveel mogelijk achterwege laten.
Zijn voornemen is klein, amper ambitieus te noemen, maar precies daarin schuilt de ironie; want wie zich aan de greep van de prestatiemaatschappij wil onttrekken, moet daar blijkbaar bijzonder goed in zijn. Focus, daadkracht, flexibiliteit, initiatief – zelfs een vlucht uit de ambitie vereist ambitie.
Kansen moeten gecreëerd worden, terwijl het aangeraden blijkt flexibel te zijn, mocht er zich een uur aanbieden of mocht hij zich onverwachts om de hoek van een zwembad bevinden.
De verlangde ontsnapping moet kundig worden gepland. Dit brengt de hoofdpersoon in de meest uiteenlopende zwembaden, van een openluchtbad in Amsterdam, naar het universitair zwemcomplex, over een subtropisch zwemparadijs tot een ondergrondse kom in Parijs. Het zwembad is de plek waar de hoofdpersoon een uitzonderingstoestand probeert te creëren, het water een parallel universum waarin de eisen van het dagelijks leven tijdelijk worden opgeschort, elk zwemuurtje het bewijs dat onze manier van leven een keuze is die ook anders gemaakt kan worden. Uit de geplogenheden van alledag stappen en zwemmend ruimte voor afwijking creëren betekent loskomen van een systeem dat onzichtbaar maar allesbepalend is, en vaak als het enige werkelijke aanvoelt.
Niets is natuurlijk in het zwembad, alles in het water wordt omgelegd, de kop ingedrukt, gecontroleerd, gemeten, in bedwang gehouden – een ononderbroken massamoord op allerlei leven, die de vrije beweging van mensenlijven moet garanderen, het heen-en-weer, het trekken van baantjes, het sporten, het zwemmen, het alternatief voor de buitenwereld.
Veertig lengtes, veertig hoofdstukken, heen-en-weer. Terwijl het lichaam zijn werk doet, gaat het denken van de protagonist door: over zwembadplafonds, ontsmettingsmiddelen, het takenpakket en de doorgroeimogelijkheden van redders, het verloop van zwemlessen, zwembadgeluiden, onderwaterzicht en zwembrillen, en bovenal de anderen. De anderen die aandacht vragen, vertraging veroorzaken, ruzie zoeken, eten verlangen, teleurstellen, wensen te praten, commentaar willen geven, ‘telefonades plegen’. De opsomming lijkt geen einde te kennen; L’enfer, c’est les autres, ook in het bad blijkt de mens al te menselijk.
De ergernissen van de hoofdpersoon zijn zowel herkenbaar als grotesk. Als de omstandigheden juist zitten, kan hij om het even wie doodwensen. Van Gerrewey laat de gedachten van zijn hoofdpersonage soms heerlijk komisch ontsporen, en dat is een van de genoegens van dit boek. Zo fantaseert hij over een moord op een handvol mensen die hij onuitstaanbaar vindt maar steevast met minzame glimlach tegemoet treedt. Tussen droom en daad staan praktische bezwaren in de weg; grote gedachten botsen met kleine ongemakken, de uitgekiende moordfantasie die moet plaatsvinden tijdens een dinertje bij hem thuis legt het dan toch af tegen de praktische realiteit van ‘even mottige als hardnekkige vlekken’ op zijn parketvloer.
Ook door een treffende woordkeuze, talige spitsvondigheden en de verwantschap tussen de beelden brengt Van Gerrewey zuurstof in zijn vertelling; zo is de redder ‘in een poloshirt geharnast’ en zijn collega – een tint groener en vermoedelijk een sport hoger op de hiërarchische ladder – een toonbeeld van ‘ambtelijke onkreukbaarheid’. Van Gerrewey doet je nooit schaterlachen maar weet wel vaak glimlachjes tevoorschijn te toveren. Even gul strooit hij met intertekst: ‘Bijna bloot zijn ze, en dan beginnen ze eraan.’ De geest van het hoofdpersonage is gevuld met referenties aan Paul Van Ostaijen, maar ook Paul Snoek, Jeroen Brouwers, Jean-Paul Sartre, Kristien Hemmerechts, John Cheever, etc.
Tegen de stroom
De herhaling van iets heel gewoons verwordt tot iets bijzonders. Op de meest geslaagde momenten ervaart de hij het zwemgebeuren als ‘sociaal, gedeeld, collectief en communautair’ omdat iedereen op dezelfde en tegelijk hoogst individuele wijze in de weer is. Toch kan het hoofdpersonage tijdens het dagelijkse zwemuurtje niet om de weerbarstigheid van het leven heen. Hij zwemt met zijn gedachten tegen de neoliberale idee in, tegen de geruststelling dat alles mogelijk is, zolang je maar hard genoeg werkt, de juiste keuzes maakt en verantwoordelijkheid neemt. De keerzijde van die geruststelling is bekend: als alles mogelijk is, wordt elk falen persoonlijk. Niet gelukt? Dan heb jij iets verkeerd gedaan.
De roman laat zien hoe diep die veronderstelling zich in een mens kan nestelen. Wanneer een door zijn bureau in de wacht gesleept prestigieus architectuurproject voor een hedendaags museum zonder duidelijke reden wordt afgeblazen, is zijn eerste reflex niet woede op de wereld, maar onderzoek naar zichzelf. Wat heeft hij verkeerd gedaan? Ligt het aan zijn kunstopvatting? Aan zijn positionering? Is hij als witte cis-man van middelbare leeftijd gecanceld? Hij wil ‘bewezen zien dat hij vooral zelf de hand heeft in wat hem overkomt’.
Zijn zwemobsessie is ontstaan in de nasleep van deze vernederende ervaring, zwemmen is zijn verzet en dus veel meer dan een hobby. Duizend meter lijkt een tijdelijke opschorting te willen zijn van de vraag waartoe iets dient. In het water hoeft de protagonist niets te produceren, weet hij zich los te weken van het verlangen naar meer. Hij legt afstand af zonder ergens te arriveren. Heen-en-weer neemt hij ruimte in zonder daar een rechtvaardiging voor te hoeven geven, in het water is hij al de beste versie van zichzelf.
De aantrekkingskracht van het zwemmen ligt in die ogenschijnlijke nutteloosheid. Het leven wordt tijdens het zwemuurtje kortstondig teruggebracht tot de helderheid van cijfers: duizend meter, veertig lengtes, 365 dagen. Cijfers, jawel, maar niet telkens meer en beter, er hoeft niet veroverd te worden; wel inzetten op de herhaling, op het telkens opnieuw beginnen.
Toch schuilt zelfs in dit schijnbaar kleine een dubbelzinnigheid, want hoe vrij is zo’n uurtje zwemmen in feite? Hoeveel privilege schuilt er in de mogelijkheid om elke dag tijd vrij te maken voor een kilometer in het water? Het zwembad is een toevluchtsoord, maar wel één waarvoor tijd, geld, mobiliteit, planning en anderen nodig zijn. Zijn partner Trice neemt intussen de zorg voor dochter Stella op zich, wat dan weer toont hoe ook ouderschap concurrentie en onderhandeling met zich brengt. ‘Het weinige dat hij wenst is al te pretentieus en te geprivilegieerd.’ Zelfs de wens om even niets te moeten, is een luxe. En de momenten dat hij hiervan gebruikt en even ontsnapt uit zijn gezin gaan bijna automatisch vergezeld van schuldgevoelens.
Tijd voor jezelf nemen blijkt schuldbeladen, en het populaire thema van zelfzorg is al even dubieus. Want het is maar de vraag of zelfzorg werkelijk geldt als verzet tegen de prestatiemaatschappij of veeleer een onderdeel is van haar infrastructuur. Zwemmen, hardlopen, mediteren we niet massaal om beter en langer mee te kunnen draaien?
Van Gerrewey gaat ook hier niet voor een eenvoudig antwoord. Voor zijn personage helpt het zwemmen. Hij wordt weerbaarder, rustiger, misschien zelfs meer mens. Niet omdat hij efficiënter functioneert, wel omdat hij minder bereid is zich voortdurend aan te passen en tijdelijk uit het maakbaarheidskader stapt. Het gaat om een vorm van groei die losstaat van het vooruitgangsdenken, een groei in een bestaan dat zich niet permanent hoeft te bewijzen. Het gaat om iets kleins dat net daarin behoorlijk bijzonder is.
Baantjes
Duizend meter heeft ideeën genoeg, Van Gerrewey ontrafelt de oorzaken voor het niet-functioneren van zijn hoofdpersonage omstandig. Hij is naast architect dan ook een beproefd theoreticus en kritisch denker. Toch vroeg ik me tijdens het lezen soms af waarom hij het romangenre verkiest, zeker omdat hij me na verloop van tijd verhalend op mijn honger liet zitten. Nog een lengte vol redeneringen en analyses. Redeneringen die vaak de energie bezitten van een betoog en gesteld zijn in zinnen die in een essay niet zouden misstaan: ‘Als mens is hij een chemisch proces als elk ander, maar is die cyclus niet zijn eigen verantwoordelijkheid?’ of ‘De op hol geslagen eisen van het individu maken conventies in het water onmogelijk, en niemand lijkt zich nog weloverwogen te willen verzetten tegen de eenzijdige gerichtheid op de eigen zwembeurt.’ Scherp en intelligent, maar misschien ook nodeloos complex en iets te nadrukkelijk bewust van zijn eigen scherpte?
Mogelijk houdt dit gevoel verband met het perspectief, als lezer bevinden we ons namelijk onafgebroken in het hoofd van de hij-figuur. Alles wat we zien, horen en denken, passeert langs hem. Hij is het middelpunt van elke observatie en tegelijk de weg waarlangs de rest van de wereld ons bereikt. De andere personages bestaan voor zover zij iets in zijn denken veroorzaken. Dat geldt zelfs voor de mensen die het dichtst bij hem staan, zijn vrouw en zijn dochter worden wel genoemd, maar nauwelijks ingevuld. Ze blijven contouren aan de rand van zijn bewustzijn. Van Gerrewey schenkt ze geen volwaardige binnenwereld, geen eigen stem, ze worden nergens meer dan een aanwezigheid waarop de hoofdpersoon reageert. Net als de redder, de architectuur van het zwembad of de mottige vlekken op de vloer verworden ze tot materiaal voor zijn voortdurende beschouwen.
Dat is wellicht een bewuste keuze. De roman wil ons opsluiten in een bewustzijn dat moeilijk buiten zichzelf kan treden, een bewustzijn waarin voortdurend heen en weer gezwommen wordt. Treffend, maar die keuze heeft een prijs, omdat we zo dicht op de hij-figuur zitten, blijft de wereld om hem heen opvallend vlak. Het gevolg is een boek dat minder als een roman leest dan als een exposé in romanvorm. Er is nauwelijks intrige, amper handeling in de klassieke betekenis en weinig karakterontwikkeling. De hoofdpersoon denkt, zwemt, observeert en denkt opnieuw. Natuurlijk verandert er iets in hem, maar die verandering voltrekt zich minimaal, op het niveau van inzicht. De ‘les van het water’, hoe waardevol ook, wordt bovendien netjes in de slotregels van de roman gepresenteerd, wat voor mij dan weer niet had gehoeven. Liever had ik ze tastbaarder doorheen de vertelling zien verschijnen.
Van Gerreweys roman beweegt in cirkels. Op die manier spiegelt de vorm het onderwerp: zwemmen is herhaling, denken is herhaling, het dagelijkse leven bestaat uit patronen van herhaling waaruit de hoofdpersoon probeert te ontsnappen door precies hetzelfde ritueel elke dag opnieuw uit te voeren. Van Gerrewey heeft hierbij ook oog voor stilistische resonantie. Hij stapelt graag woorden op woorden, gedachten op gedachten. Op zijn beste momenten pakt dit inderdaad komisch en/of herkenbaar uit – aan bronnen van ergernis immers geen gebrek –, maar soms doet de tekst ook log en claustrofobisch aan. Duizend meter blijft een monoloog. Een intelligente, geestige monoloog van een ietwat nurks personage, geslaagd als concept en veelzeggend voor deze tijd, maar toch een monoloog en geen verhaal waar je als lezer mee ingetrokken wordt. Je blijft op het droge en mag luisteren naar ‘woorden, woorden, woorden’.
Golven
‘You have risked your life’, spreekt iemand het hoofdpersonage toe wanneer hij zich voor dag en dauw nogal diep in zee waagt. Zwemmen is niet zonder gevaar, zo blijkt ook wanneer hij tijdens een andere zwembeurt door een onverwachte golfslag een fikse gulp water binnenkrijgt, zich verslikt en kopje onder dreigt te gaan. Zelfs met zwemletsel dient de hoofdfiguur rekening te houden wanneer hij uit het niets een fikse stomp krijgt met teenverrekking tot gevolg. Door welke zwemmer in het andere baanvak werd de helse pijn veroorzaakt?
De oorzaak is onduidelijk, zelfs in het water ziet hij zich geconfronteerd met onwetendheid, met het feit dat niet alles zich laat verklaren en dat niet elke gebeurtenis terug te voeren is tot een keuze of een tekortkoming. Plannen mislukken, projecten worden afgeblazen. Dingen gebeuren, misschien is het vooral die gedachte waarmee de protagonist tijdens zijn dagelijkse duizend meter school- of rugslag in het reine moet komen. Misschien leert het obsessieve zwemmen hem dat het niet gaat om béter leven, dan wel te aanvaarden dat hij niet weet en nooit zal weten hoe te leven. De hij-figuur heeft werkelijk niets te klagen en toch is daar dat onvermogen tot geluk. Hij bevindt zich in een bevoorrechte positie, ogenschijnlijk is aan alle vinkjes voldaan, maar het eeuwige tekort knaagt. Hij zwemt dwangmatig duizend meter ‘op de vlucht voor de actieve bevolking’, hij wil zijn bestaan reduceren tot de eenvoud van het dagelijkse ritueel en zo min mogelijk geconfronteerd worden met de prestaties en successen van de ander.
‘Een mens zien is aanschouwen wat je zelf niet hebt.’ De sensatie voert terug naar een oud zeer. Als kind kon hij al niet wat de anderen leken te kunnen. Terwijl leeftijdgenoten en zelfs jongere kinderen vrolijk en vrij zwommen, lukte het hem hoogstens ‘met één hand de leuning los te laten’. Hij reikte wel naar het spel van de anderen, maar het kwam niet dichterbij. Hier raakt Van Gerrewey aan iets wezenlijks en krijgt naast ironie en theorie ook de existentiële pijn een plaats. De man die dagelijks duizend meter zwemt, is nog altijd het kind dat kijkt naar anderen die moeiteloos lijken te doen wat hem niet lukt. Zijn verlangen om bijzonder te zijn en zijn angst tekort te schieten blijken twee kanten van dezelfde beweging. Wie zijn bestaansrecht aan uitzonderlijkheid ontleent, blijft afhankelijk van de blik van anderen.
Is dat waar hij naar duikt, waar hij achteraan zwemt: een gevoel van eigenwaarde, op de vlucht voor het besef dat hij niet in staat is het aan zichzelf te verstrekken?
Het is de vraag waarop Duizend meter drijft. Opmerkelijk genoeg is de roman op zijn sterkst wanneer het beantwoorden van die vraag – en dus alle ideologische duiding –naar de achtergrond verdwijnt, namelijk wanneer de hoofdpersoon zich verslikt, een medezwemmer optreedt als ‘zelfverklaarde zwembadpolitie’, of wanneer een moordfantasie botst op een vlek in het parket, kortom: wanneer het leven zelf opspat in al zijn facetten.
Tijdens zijn dagelijkse zwemmoment beweegt het hoofdpersonage om een niet op te lossen paradox: hij ontsnapt niet aan de wereld, hij zwemt er elke dag duizend meter van weg en de volgende dag begint hij opnieuw. Niet om ergens te geraken, maar om even te ervaren wat een rijkdom er in een mens mag bestaan zonder vooruit te komen.
Reactie plaatsen
Reacties