Emiel Roothooft
Johnnie Walker is een roman over een fles whisky, maar de fles is vooral de spiegel waarin Connie Palmen zichzelf bekijkt. Veertig jaar lang was ze voor de verteller een soort vervanggezelschap: een trouwe maat die nooit tegensprak. Maar wie aandachtig leest, ziet dat het eigenlijke onderwerp elders ligt: in haar monomanie, haar onbuigzaamheid en haar compromisloze houding in alles wat ze onderneemt. Dat zijn wellicht de typerende, radicale karaktertrekken van een verteller die we met schrijfster Connie Palmen mogen vereenzelvigen. In deze roman zet de laatste winnaar van de Constantijn Huygens-prijs haar studie naar zichzelf voort.
De verteller voert haar zelfonderzoek door naar haar jeugd terug te keren en zich alternatieve versies van haar persoonlijkheid voor te spiegelen. Dat zijn onder meer de anorectische Lies, met wie ze het verslaafd-zijn deelt; de ‘bekendste alcoholist uit het dorp’, bij wie ze verliefd wordt op de dronkenschap; filmmaker Rainer Werner Fassbinder, die haar leert dat alleen een leven dat je dreigt te verliezen, een leven is; journalist Truman Capote, wiens nauwe band met de moordenaar uit zijn klassieker In Cold Blood ze zelf evengoed had kunnen hebben; en schrijver Patricia Highsmith, van wie ze zoals van Capote ‘iets te goed begreep waarom ze iedereen wegjoegen die van hen probeerde te houden, vriendschappen tot het uiterste op de proef stelden, minnaars tergden, waarom niemand tegen hun liefde voor het verdwijnen was opgewassen’.
‘Schaduwzus’
Het meeste schrijft ze over Ulrike Meinhof, haar moorddadige ‘schaduwzus’ op wie tijdens haar verblijf in de grensstreek een klopjacht wordt gehouden. Via een familievriend die werkt voor de Duitse recherche (en de extreemlinkse terrorist onder zijn verre familie telt) komt ze veel over de vrouw te weten. Ze probeert Meinhofs radicale pad, van moeder van een tweeling en succesvolle journalist naar kopstuk van de Rote Armee Fraktion, te verklaren om een wrang gevoel van verwantschap in zichzelf te bedaren. Het lijkt ‘alsof ik erbij was toen ze opgroeide en machteloos toekeek hoe ze keer op keer het tegenovergestelde koos dan ik, wit riep als ik zwart zei, goed vond wat ik slecht noemde, toezong wat ik afkeurde’. Ze konden in hetzelfde huis grootgebracht zijn, maar de ene nam de voordeur, terwijl de andere de achterdeur nam – zo had Capote eerder hetzelfde gevoel beschreven.
Het zijn extreme zielsverwanten, maar ze helpen de verteller om haar conflicterende verlangens naar samenhorigheid en alleen-zijn te plaatsen. Zo voelt ze bij haar familie een ondraaglijk meeleven en in het schrijven een heroïsche eenzaamheid, maar ze wil ze allebei: de oxymorons van een gewilde eenling. Ze vertelt hoe ze zichzelf van een pantser voorziet, terwijl ze ook nood heeft aan een grote liefde. Wanneer haar gezin is uitgewaaierd naar verschillende plaatsen in Nederland, spreken ze af om op hetzelfde moment naar een Duits true-crime-programma te kijken; ze beschrijft het als ‘een gewijde samensmelting die onze eenzaamheid kortstondig ophief en versterkte’.
Roman of sociale psychologie?
Johnnie Walker leest als een uiteenzetting van fascinaties. Voor families, zelfmoord, misdaad, sektes, onderdanige mensen en de wereld in zijn geheel. De verteller waardeert het wanneer mensen zichzelf bestuderen en kan er zelf niet mee ophouden. Ze doet niets liever dan ‘als een detective het spoor volgen van een veelzeggend thema, vorsend van boek naar boek sluipen, op jacht naar een inzicht waarvan ik niet eerder wist er zo naar te hebben verlangd’. Het is niet verrassend dat ze naast literatuur ook filosofie studeert.
Wanneer ze tegen het einde nog eens haar kijk op het schrijven geeft, heeft ze het over verbeelding en denken, maar niet over voelen. En op het moment dat ze beseft bang te zijn geweest om zoals Ulrike Meinhof te worden, vermeldt ze amper hoe dat besef tot stand kwam. Het geldt voor bijna al haar gedachten: ze worden niet emotioneel voorbereid, krijgen geen affectieve bodem. Welk inzicht de verteller ook krijgt, het komt over als openbaring zonder voorafgaand proces. Ze begrijpt, beseft, ontdekt, ziet in, leert iets kennen of er wordt haar iets duidelijk, maar hoe is ze daartoe gekomen en wat doet dat gevoelsmatig met haar? Haar denken functioneert los van haar voelen. De momenten waarop ze dan toch iets voelt, beschrijft ze louter lichamelijk, als de spieren die zich rond haar hart samentrekken of haar huid die tintelt. Het laatste hoofdstuk, waar ze zich in de ambulance bij haar stervende moeder realiseert hoe alles – het schrijven, de alcoholverslaving, het verlangen om alleen te zijn… – met elkaar samenhangt, is de grote uitzondering.
Op het laatste hoofdstuk na wordt ze naar het einde toe steeds beschouwender. Iets te vaak herhaalt de verteller de lessen over propaganda die een mentor haar geeft. Conceptuele uitweidingen nemen de overhand of ze vlucht onder de mantel van haar artistieke schaduwfamilie. Dan begint Johnnie Walker te lezen als in romanvorm verpakte sociale psychologie. ‘Ik heb elke alinea bijna met angst en beven geschreven’, zei Palmen onlangs in De Morgen, maar daar voelt de lezer weinig van. Het is te slim, al te slim, alsof de verteller in plaats van in de afgrond te kijken genoegen neemt met anderen te observeren die dat wel doen.
‘Een maliënkolder van reflectie’
De vele stelregels, definities en axioma’s beginnen op den duur ook op conceptueel vlak te storen. Ze worden steeds talrijker, langer, drammeriger en minder origineel. Erger nog, ze bouwen niet alleen een pantser rond de hoofdpersoon, maar ook rond de roman zelf.
Een roman kan een zoektocht naar je binnenwereld op gang brengen, je laten ontdekken met welke ideeën en overtuigingen je naar jezelf en anderen kijkt, maar een echt gebeurd verhaal transformeert je blik op de buitenwereld.
Die definitie verraadt Connie Palmens intellectualisme: een roman draait voor de verteller niet om affecten, maar om concepten en percepties. In een latere uiteenzetting heeft ze het dan weer over ‘inzichten’, ‘denken’, ‘geboeid’ zijn, ‘vragen en problemen’. De epigraaf had het eigenlijk al aangekondigd: We shall not cease from exploration, las Palmen bij de Britse schrijver T.S. Eliot.
Wanneer de verteller de dagboeken uit haar jeugd opnieuw doorbladert, merkt ze het volgende op.
Jaar in, jaar uit vormde het proza een schild van kennis waarmee ik mezelf en de werkelijkheid aan het oog onttrok, uitgebreide analyses van denkbeelden over literatuur, kunst, filosofie en fysica, frenetieke pogingen greep te krijgen op het leven, me in een maliënkolder van reflectie overeind te houden, een weke krijger, tot aan de tanden gewapend met ideeën.
Het is verbazingwekkend dat ze tot dezelfde constatatie komt als wij, maar decennia later nog geen haarbreed richting kwetsbaarheid is opgeschoven.
Johnnie Walker bevat mooie, gevatte observaties: over de uitputtende manieren waarop familieleden over elkaars mentale toestand waken, over de verschillende soorten geluk waar stad en platteland gestalte aan geven of waarom het geheugen een slechte smaak heeft. In dit boek wordt goed geobserveerd hoe een emotioneel pantser werkt en eruit ziet, alleen niet hoe het voelt. ‘Gedachten zijn de schaduwen van onze gevoelens – altijd donkerder, leger, simpeler dan deze’, schreef Nietzsche in De vrolijke wetenschap. Na Johnnie Walker te lezen, zijn we het met hem eens.
Reactie plaatsen
Reacties