Anne Louïse van den Dool
Het is bijna onmogelijk Lucas Rijnevelds poëzie los te lezen van alle publieke kennis over de dichter: de zoektocht naar diens genderidentiteit kan niemand zijn ontgaan. Het maakt de lezing van zijn nieuwe bundel Als zee uit hond tot een ambigue ervaring: wat zit in deze gedichten zelf verscholen en welke bespiegelingen voegen wij eraan toe?
In tijden waarin poëzie – zoals ongeveer alle andere tekstvormen – net zo makkelijk door een mens als door een machine lijkt te kunnen worden geproduceerd, zijn onze ogen er steeds vaker op gericht woorden te ontmaskeren: was hier daadwerkelijk een mens aan het werk, of is er een AI-tool aan het schrijven gezet? Het maakt mij soms onprettig alert op te soepel lopende zinnen, lange streepjes en overmatig gebruik van emoji’s.
Ik vind het een ongezellige manier van lezen, die zoektocht naar te weinig spelfouten en overdreven consistentie. Toch denk ik soms dat die houding inmiddels zo diep tot mij is doorgedrongen dat ik die ongewild niet alleen hanteer bij het scannen van zakelijke teksten, maar ook bij poëzie.
Religieuze taal
Zo betrapte ik mezelf op een soortgelijke leeshouding terwijl ik Als zee uit hond, de nieuwste bundel van Lucas Rijneveld (1991), tot me nam. Direct in het openingsgedicht dacht ik een veelheid aan standaard-Rijnveld-elementen te bespeuren, die me stuk voor stuk deden denken aan het openingsgedicht van zijn allereerste bundel Kalfsvlies (2015). In ‘Het Hagellot’ trof ik opnieuw lijdende dieren aan als symbool voor de geestelijke problemen van het lyrisch subject (‘ik ben een haas op de vlucht voor het schot’), vergelijkbaar met het overreden schaap in de openingsstrofe van ‘Als het je overkomt’. Ook herkende ik, net als in de rest van de bundel, de neologismen (met name in de titels: ‘Hermelijnkoorts’, ‘Nevelmaand’, ‘Dwaalster’, ‘Zwijggoud’), de aaneenrijging van metaforen en de onafgemaakte zinnen, waarbij Rijneveld steevast het werkwoord weglaat.
Vanaf het eerste gedicht is het duidelijk: Als zee uit hond is een typische Rijneveld. Zijn derde bundel barst opnieuw van de religieuze taal die we ook van diens fictiewerk kennen: de kont wordt tegen de geboortekrib gesmeten, men wordt ter aarde besteld en de tien geboden worden aangehaald. Ook wordt geregeld hulp gevraagd bij God als Almachtige Schepper – een beladen gesprek, aangezien de gendertransitie die Rijneveld onderging zou kunnen worden gezien als een ondermijning van Zijn macht.
Biografische lezing
Hoewel: is zo’n biografische lezing wel eerlijk? Die vraag overviel me meermaals toen ik Als zee uit hond las. Zeker sinds hij de International Booker Prize in 2020 won is Rijneveld een regelrechte beroemdheid, en hebben we een stuk meer kennis over hem dan over de gemiddelde dichter. We kennen de religieuze boerenjeugd en kunnen zo alle poëtische verwijzingen naar platteland en religie verklaren; we weten welk proces Rijneveld in zijn zoektocht naar zijn eigen identiteit doormaakte, en zijn zodoende in staat om Als zee uit hond te lezen als een bundel die verhaalt over dat moeizame proces.
Al die achtergrondinformatie maakt het echter lastig de gedichten als opzichzelfstaande teksten te lezen. Ze geven de poëzie een thematische diepte die ik aan het werk van andere dichters niet zou kunnen toekennen. De paratekst zit me, kortom, in de weg.
Want als ik heel eerlijk ben, vind ik de gedichten van Rijneveld van een opvallende gelijksoortigheid. Bijna ieder gedicht in Als zee uit hond verhaalt over een diepe onzekerheid over het zelf (‘Vaak gedacht dat ik te veel ruimte innam / in dit twijfelaarsbestaan’, ‘Al vroeg werd gezegd: Dat is een nestverlater’). We worden meegenomen in de hartgrondige onzekerheden van het lyrisch subject, vaak gevat in dierlijke termen (‘Toch dromen over andere vogelsoorten/ over hoger kunnen vliegen’). Soms eindigt een gedicht met een optimistische noot (‘wie ik ook ga worden, ik zal schitteren’).
Door die soortgelijke opbouw mis ik de ontwikkeling in de bundel: hier wordt geen verhaal verteld, maar continu dezelfde plaat opgezet – hoe knap en kunstig die plaat vaak genoeg ook is. De nummers verschillen bovendien niet wezenlijk van Rijnevelds eerdere bundels, met toevoeging van meer maatschappelijk ingestoken gedichten, die eerder onder meer verschenen in Trouw, De Groene Amsterdammer en de Volkskrant. Daarin krijgen zorgen over oorlog en klimaatverandering een plek, met name in de vorm van een oproep om vooral niet te denken dat hun dreiging een ver-van-ons-bed-show is.
Opbeurende wijsheden
Tijdens het lezen van de bundel vroeg ik me af waarin voor zovelen de grote aantrekkingskracht van Rijnevelds werk schuilt. Ik denk dat die deels zit in de toegankelijkheid: hoeveel metaforen ook aaneengeregen worden, altijd blijft de thematiek van het onzekere zelf helder overeind staan. Daarnaast is er dus die kwetsbaarheid: eindelijk iemand die eerlijk durft te zijn over de fundamentele zelfkritiek die we geneigd zijn over onszelf uit te storten. En dan zijn er nog de opbeurende wijsheden, vaak gevat in kleine, bijna kinderlijke situaties (een papiertje in je broekzak laten verpulveren in de wasmachine, een wens mogen doen, bang zijn in het donker): we mogen fouten maken, we mogen hopen, we mogen soms naïef zijn. Soms dacht ik zelfs een moderne variatie op een preek te lezen, maar dan trap ik opnieuw in die biografische valkuil.
Blijkbaar is dat de taal waaraan we vandaag de dag collectief behoefte hebben: die van een Charlie Mackesy-achtige simpelheid (u weet wel, van De jongen, de mol, de vos en het paard). Uiteraard biedt Rijnevelds poëzie een stuk meer ruimte voor bespiegelingen. Subtiel keren bijvoorbeeld steeds taalverwarringen terug waarin een ander de betekenis van woorden steeds beter onder de knie blijkt te hebben, maar treffen we ook regelmatig zegswijzen die naar de eigen hand worden gezet (‘één soldaat maakt nog geen oorlog’).
Welke mening zou ik zijn toegedaan als dit mijn eerste kennismaking met Rijneveld en diens werk was geweest, vrij van alle wetenswaardigheden uit interviews en eerder fictiewerk? Dan had ik vermoedelijk een bundel in mijn handen gehad die getuigt van veel taalvernuft, maar die me ook wat te repetitief zou voorkomen. Anderzijds is de winst van zo’n publiekelijk bekende dichter en dito oeuvre dat diens werk voor de lezer meer diepgang krijgt, en dat valt alleen maar winst te noemen.
Reactie plaatsen
Reacties