Inleiding. Het leven als ontbloeseming.

Als ik het me goed herinner (maar zeker ben ik niet, ook ik word elke dag ouder) stelde Harry Mulisch ooit dat er maar één ding erger en tragischer is dan oud worden, en dat is niet oud worden. Aangezien de tragische aspecten van de condition humaine het primaire werkmateriaal vormen van schrijvers, en van kunstenaars in het algemeen, hoeft het niet te verwonderen dat ouderdom een dankbaar literair thema is. In het werk van Simone de Beauvoir is het bijvoorbeeld een opvallende rode draad – van haar vroege Een zachte dood tot haar laatste werken, zoals Het afscheid en De ouderdom. Steeds is daar die vraag: hoe moeten we omgaan met, en zingeven aan, het ouder worden en de vele vormen van verlies die er inherent aan zijn? Old age should burn and rave at close of day, zoals de memorabele versregel van Dylan Thomas luidt. Of moeten we juist berustend de slijtageslag van het leven ondergaan?

Ook in ons eigen taalgebied zijn de voorbije jaren opvallend veel boeken over de destructieve krachten van de ouderdom geschreven; in het bijzonder over het verlies van moeders en vaders die ten prooi vallen aan ouderdomsziekten. In dit themanummer buigen Vlaamse en Nederlandse auteurs, evenals enkele buitenlandse auteurs in exclusieve vertaling, zich op dichterlijke, essayistische en verhalende wijze over de universele vraag: wat doet de mens met ouderdom, en wat doet ouderdom met de mens?

Als ik een persoonlijke ontboezeming mag doen, beken ik graag dat ouderdom voor mij – al dan niet terecht – een uitgesproken positieve connotatie heeft. Ik kan er zelf haast reikhalzend naar uitkijken om op een dag een oude dag te hebben: om grootmoeder te zijn, om de jaren in mijn botten en gewrichten te voelen, om met de liefde van mijn leven samen elke dag wat meer voorovergebogen te lopen. Waarschijnlijk is het een ietwat geromantiseerd verwachtingspatroon dat niet helemaal met de werkelijkheid van de ouderdom strookt, maar ik zie vooral veel schoonheid in oud worden, oud zijn, oude mensen.

Wat uit de meeste bijdragen in dit themanummer echter blijkt, is dat de literaire verbeelding en inspiratie voornamelijk geprikkeld worden door de negatieve aspecten van de ouderdom. Misschien is dat ook illustratief voor hoe ouderdom beleefd wordt en hoe er in het algemeen naar gekeken wordt in onze maatschappij: ouderdom lijkt vooral een last; de winter van ons leven is een bar seizoen getekend door aftakeling, door onbegrip van en naar de wereld, door verlies en dood. In het tweede – en niet toevallig langste – deel van dit themanummer zijn de bijdragen gebundeld die inzoomen op precies die schaduwkanten van de ouderdom; die fenomenen eigen aan de ouderdom die er inderdaad een tragisch iets van maken.

Eén van die schaduwkanten die meermaals terugkomt, gaat over de plaats waar we die laatste winterdagen van ons leven doorbrengen: al dan niet in een rusthuis of woonzorgcentrum. In de vorm van verhalen en literaire reportages nemen Marieke De Maré, Anneleen Van Offel en Ann Peuteman ons daarnaar mee. De Maré voert ons naar residentie Puthof, waar Simone zit, waar een vogel tegen het raam vliegt, en waar een veel- zeggend ‘…’ de reactie is wanneer die residentie ‘thuis’ genoemd wordt. Het niet meer thuis zijn – in de wereld, in jezelf, op de plaats waar je leeft en slaapt – is een onmiskenbaar tragisch gegeven. Anneleen Van Offel heeft het over Instagrannies, over de gesprekken die ze voerde met ouderen in woonzorgcentra, en hoe ze in gesprek gaat met het gesprek: hoe ze blijft kauwen op wat haar verteld is, hoe ze woorden zoekt om een brug te bouwen tussen de generatie die verdwijnt en de wereld die achterblijft. De generatie die ‘uit het zicht verdwijnt’, zoals Ann Peuteman het in haar bijdrage noemt: mensen die haast onzichtbaar worden, en dat ligt niet aan hen, maar aan ons als maatschappij. We nemen de moeite niet om achterom te kijken, naar hen.

Achteruitkijken: dat is ook impliciet en expliciet het onderliggende thema van de gedichten die Peter Theunynck heeft geschreven en in de literaire refiectie van Erik Vlaminck. Oud zijn betekent dat je meer leven hebt om op terug te blikken dan om nog naar uit te kijken. In dat terugblikken dringen de breukpunten van ons leven zich onvermijdelijk aan ons op: soms met een wrange, bijtende nasmaak, soms met de mildheid van het besef dat alles voorbijgaat; de goede en de slechte dingen.

Wat ons allen te wachten staat, is dat er ons uiteindelijk steeds minder te wachten staat. Dat is ook de boodschap die naar voren komt, tegelijk uitdrukkelijk en subtiel, in de twee gedichten van Annemarie Estor. Maar misschien hoeft dat niet alleen maar somberte te betekenen; Estor verbindt ‘het donker van de leeftijd’ met vrijheidskreten, en misschien zal het water van de Styx inderdaad verrassend fris blijken te zijn.

De dood is ook een centraal thema in de ontroerende ‘Histoire’ van Lara Taveirne. Taveirne wekt twee grootmoeders tot leven; grootmoeders met het ‘laatste beetje leven’ dat hun sterven is. Het zijn twee heel verschillende vrouwen, wier lot toch wezenlijk met elkaar verbonden is. In enkele zinnen krijgen de contouren van hun karakters toch duidelijk vorm. En dat verbindt Taveirne met enkele belangrijke vragen over leven, spreken en herinnering. Hoe willen we herinnerd worden? Waarom vertellen we verhalen? Woorden wekken tot leven, maar moeten we dat wel willen? Laten we het verleden niet beter voor wat het is, of was? Soms moet je het verleden loslaten, ook en vooral wanneer het verleden ons niet wil loslaten.

Van de Britse arts, filosoof en dichter Raymond Tallis zijn twee gedichten voor het eerst naar het Nederlands vertaald. Oedeem en Een probleem van verwerking komen uit zijn cyclus Lecture Notes on Pathology, opgenomen in zijn dichtbundel Fathers and Sons uit 1993. De dichterlijke arts gebruikt de fysiologische aftakeling als metafoor voor de existentiële geworpenheid en ontworteling van de mens: uit zout zijt gij geboren en tot zout zult gij wederkeren.

De meest expliciete confrontatie met ouderdom als existentiële cesuur in het leven, als breukpunt in de reflectie over de zin van het bestaan en van ons bestaan, is een fragment uit de ‘Maandboeken’ van de Poolse homme de lettres Kazimierz Brandys. Wat is de zin van het leven als het moet eindigen met totale aftakeling? Is immanente onrechtvaardigheid inderdaad eigen aan het bestaan? Quo vadis? Wat is de bedoeling van het leven als een groei tot verval, als een ‘ontbloesemen’ om het met het neologisme van Raymond Tallis te zeggen?

In elk seizoen komen er echter planten tot bloei, ook in de winter van het leven. En dat de ouderdom ook zijn bloeiende aspecten kent, komt nadrukkelijker aan bod in het eerste deel van dit themanummer. Het zijn bijdragen waarin de lusten eerder dan de lasten van de ouderdom belicht worden. Mirjam van Hengel opent dit themanummer met een prachtige reflectie over Remco Campert, de oude dichter, de zin van het leven, over nooit uitverteld en nooit uitgedicht zijn, en over waarom er soms niet meer nodig is dan een stoel op een pleintje.

Dat er in de ouderdom nog een bruisende vitaliteit kan bestaan, ondanks de aftakeling, komt in vorm en inhoud ook mooi naar voren in de bijdragen van Jeroen Olyslaegers, Ellen Van Pelt en Valentijn Hoogenkamp. Er zit nog een tango in die ouder wordende vrouw, zo toont Van Pelt. We zijn voortdurend figuranten in elkaars leven, en Hoogenkamp laat ons beseffen dat er meer is dat een oudere vrouw en jonge meisjes bindt dan op het eerste gezicht misschien lijkt: laatbloeien is ook bloeien. En in Olyslaegers’ verhaal schuimt het leven tot de ouderdom stopt. Maar een Parsifal zat en zit voor altijd in die oude man, tot de laatste scène.

Het leven bestaat uit verschillende cycli, alles wat begint moet een einde kennen. Enkel in de Griekse mythologie is daar soms een ontsnappen aan mogelijk. Maar wat voor een ontsnappen is het, wanneer je alsmaar ouder en ouder wordt? Annelies Beck wekt op originele wijze de Sibylle van Cumae tot leven en geeft haar een eigen stem. De profetes heeft evenveel levensjaren als zandkorrels op een zandberg gekregen. Een vloek? Deels wel. Maar Beck toont ook een ander aspect van Sibylles lot, en naar Camus zouden we kunnen zeggen: Il faut imaginer Sibylle heureuse. Oud worden is een tragedie waarin de mens zich moet proberen te verheugen.

Er schuilt iets moois in het starten en sluiten van cycli, in de afwisseling van de wacht, in generaties die eerst nog met elkaar verbonden zijn en dan langzaam van elkaar wegglijden. Dat wordt op schijnbaar eenvou- dige, treffende wijze geëvoceerd door het laatste gedicht dat James Joyce schreef voor de geboorte van zijn kleinzoon, en dat voor dit themanum- mer vertaald werd door Paul Claes: Ecce Puer (Zie het kind).

 

Zie het kind. Maar zie ook de oudere!

Koester de lente.

En koester de ontbloeseming!


«