Nieuw talent

DW B zet in op jong talent.  Al jaren zijn we trotse partner van de Interuniversitaire Literaire Prijs van Babylon.  De lijst winnaars van deze literaire prijs is indrukwekkend: Anne Provoost, Koen Peeters, Saskia de Coster, Patrick Bassant, Erik Spinoy, Leen Huet, Paul Bogaert, Paul Demets, Hans Depelchin, ...  Elk jaar publiceren we de teksten van de winnaars op onze website. Ontdek samen met ons de schrijvers van morgen! 

Daarnaast vindt u in deze rubriek ook de winnaars van Het Rode Oor, een erotische schrijfwedstrijd van deBuren en Stichting Nieuwe Helden.

Occasioneel plaatsen we ook proza en poëzie van ander jong talent.


Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2021

Proza


Poëzie

'Nachtkalf' door Hannah Boekestijn (winnaar)

Hannah Boekestijn (1993) komt uit Leiden. In 2018 behaalde ze haar bachelor Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool Leiden. Daarna ging ze aan de slag als junior onderzoeker bij het lectoraat Inclusive Education op de Haagse Hogeschool. Momenteel volgt ze de master Klinische Psychologie aan de Universiteit Leiden. In 2021 won ze de Peter van Straaten psychologieprijs met haar essay over de bijdrage van literatuur aan het klinisch werkveld. Ook is zij tweedejaarsstudent poëzie en essay aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.

Lees meer »

Gedichten - Anne van den Dool


Het Rode Oor 2021

'Liefde voor de natuur' door Monica Boschman (jurywinnaar)

Liefde voor de natuur won de juryprijs van de erotische schrijfwedstrijd Het Rode Oor van deBuren en Stichting Nieuwe Helden. De jury bestond uit Eva Berghmans (journaliste bij De Standaard), Elsbeth Etty (literair critica, columniste en voormalig bijzonder hoogleraar literaire kritiek), Hind Fraihi (onderzoeksjournaliste), Abdelkader Benali (schrijver), Tobi Lakmaker (schrijver), Debbie Marbus (oprichter Rode Oor) en Mariëlle de Goede (Stichting Nieuwe Helden).

Lees meer »

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2021

Poëzie

'Heim' door Ella Bronder (Winnaar)

In de FurReal Friends-knuffeldieren van de andere meisjes van de klaszag ik dat je dingen kan missen die niet echt zijnde warme schoot van Sinterklaas ende ingeslikte appelpit als boom in mijn maagze maakten een wachtkamer in mijn buik

Lees meer »

'Koolmijnkanarie' door Sixtine Bérard (tweede laureaat)

terwijl je je haar kamt ontknopen we kapitalisme,het is 10 uur, er is koffie en die viel net op de krant waaropwordt aangekondigd, iets te luid, iets te veel hoofdletters, iets te veel kop,nieuwe trend: vleesminimalisme.door jarenlang roken en roepen, betogen, in een wereldstad wonen,buldert je lach als een ontstemde radio,een contrabas met gesprongen snaren,het schoppen tegen blikjes op de stoep,zie de fanta steeds verder geraken onder soepele stappen van voetblikkende passanten!

Lees meer »

Proza

'Op de markt' door Arseny Pogorilyak (tweede laureaat)

Ik ben een beetje beschaamd voor wat ik ga vertellen, ook al vond het incident in kwestie vele jaren geleden plaats, toen ik nog te jong was om te beseffen dat wat ik deed verkeerd was. Het was denk ik in 2001 of 2002, dus ik was vijf of zes.           Het was een erg warme zomer, zoals iedere Russische zomer die ik me kan herinneren. Mama en ik liepen vaak de hele dag buiten rond en aten dan alleen maar ijs omdat we geen honger hadden door de hitte. Ik kan me niet herinneren wat we precies allemaal deden, wel weet ik nog dat mama soms papierwerk af te handelen had en dat soort dingen, waarvoor we dan uren in de rij moesten staan aan een of ander overheidsgebouw. Wat ik ook nog weet, is dat het van de buurt waar wij woonden naar het stadsdeel dat we gewoonweg ‘de stad’ noemden een halfuur rijden was, niet in een echte bus, maar in zo’n klein ding waar een man of twintig in kan, en over wegen waar putten in zaten diep genoeg om er een voetbad in te kunnen nemen. Iedere keer stapten we misselijk en bezweet af om meteen verblind te worden door in eerste instantie de blakende zon en vervolgens een plotse zand- en stofwolk, waardoor je de eerste minuten in het centrum bijna altijd spendeerde aan het uitwrijven van je pijnlijke ogen.

Lees meer »

'Zweet en melk en tranen' door Ellen D'Hoore (derde laureaat)

Onder de takken van de hazelaar zat Louis. Hij droeg een muts. Onder die muts zaten twee paar wollen sokken geklemd. Ze bedekten zijn oren. Het was 24 graden. Hij kauwde op een stengel rabarber terwijl hij met een mes zijn naam kerfde in takken. Takken van de kersenboom die hij eerder die dag vond. De takken leken op wapens. Katapulten, sabels, geweren. Normaal zou hij op school zitten. Normaal was het nu speeltijd. Dan at hij zijn rabarber tijdens het voetballen. Dan stond hij in de goal. Sinds vorige week was die school een militair hospitaal. Toen Louis zijn spullen ging ophalen zag hij hoe er in plaats van banken bedden stonden. Op de bedden witte lakens. Onder de bedden bedpannen. Nog leeg. Een zuster schreef de uurregeling op het bord waar zijn meester vorige week nog maaltafels noteerde. Een man zonder oor liet bloed achter in de refter. De plek onder Louis’ sokken deed pijn als hij eraan dacht.           Louis’ moeder, Gemma, duwde de achterdeur open en kwam op het muurtje van de koer zitten. Thelma lag in haar armen. Ze huilde. Ze huilde altijd. Louis duwde met zijn twee handen tegen de sokken onder zijn muts. De rabarber geklemd tussen zijn tanden. Louis’ zussen speelden wat verderop in het gras. Ze keken naar Louis. Ze vonden dat hij overdreef. Ze vonden dat hij altijd overdreef. De zussen speelden schooltje. Ze leerden bundeltjes samengebonden stro tellen tot tien. Eentje wilde naar huis. ‘Straks komt mama’, zei de oudste zus. ‘Niet huilen hoor’, zei de jongste. Ze gaven het stro een snoepje. Een steentje. Wanneer het stro het snoepje op had, gooide de oudste zus het over haar schouder het gras in. ‘Als je flink bent, krijg je er straks nog eentje.’

Lees meer »

Editio Debutantenprijs 2020 voor fictie

'De Winter' door Annika van Veen (winnaar)

De wind gierde door de liftschacht naar binnen, de gang op. Hij baande zich fluitend een weg langs de sponningen van de deur en door het sleutelgat. Buiten was het donker. De grijze flat stond als een blok pokdalig graniet aan de weg, flikkerend op het ritme van de actiefilms en sportjournaals. De Winter was de wind gevolgd en deed de deur van zijn flat achter zich dicht. Op zijn raam trokken druppels grillige lijntjes van licht tegen het zwart en grijs. De Winter trok zijn sjaal over zijn hoofd, veegde er zijn wenkbrauwen mee droog en liep naar de stoel voor zijn bureau. Daar stond de telefoon met draaischijf.

Hij had het echt gedaan. Het kaartje met zijn nummer. In een opwelling had De Winter een blauw kaartje voorzien van zijn nummer en het op het bord gehangen. Toen was hij boodschappen gaan doen. Volgend jaar zouden er geen papieren  telefoonboeken meer zijn, had de nieuwslezer gezegd. Het bericht trok in flarden door zijn hoofd: papierbesparing. Digitaal tijdperk. De supermarkt verkocht geen adresboeken.

Bij de kaas had hij beseft dat nu iedereen hem zou kunnen bellen. Snel had hij een stuk vacuümgetrokken jong belegen kaas gepakt en twee appels, hij had afgerekend en zijn nummer uit het rek gegrist. Even had hij daar gestaan, het kaartje in zijn linkerhand, in een fel oranje windjack en in elke zak een appel. Zijn andere hand droeg de kaas. Hij was naar huis gelopen, zijn hoofd naar beneden tegen de druppels. Haastig zoals iedereen

 

De kaas hing zwaar in zijn hand. De Winter legde hem op zijn bureau, de appels ernaast. Hij scheurde het kaartje tweemaal doormidden, liet de snippers vallen. Trok naast zijn bureau de stekker uit het stopcontact. Onder de bureaulamp bekeek De Winter zijn vingers. Hij bedacht dat sinds de klok stilstond, ook zijn handen niet ouder geworden waren. Zijn vingers speelden met de draaischijf van de telefoon, draaiden een nul en lieten het wieltje rustig terug ratelen. En nog eens. En nog eens. Het plastic wieltje spon. Toen het voor de vijfde maal afliep, nam De Winter een hap van een appel.

 

Nul-zeven-nul, drie-acht-twee-vier-drie-acht-vier. Het klokhuis lag naast de telefoon, half op een snipper, en De Winter belde naar huis. Nul-drie-vier-vier, vijf-negen-zes-zeven-zeven-nul. Hij belde nu zijn vader. Nul-drie-vier-drie, zeven-acht-vier-zes-zeven-zes, zijn moeder. De hoorn bleef op de haak, zijn vinger kende nog de nummers, draaide de bekende rondjes. De school, alsof hij zich nog eens ziek wilde melden. Elisa, die inmiddels wel twee kinderen zou hebben en een kat. Het nummer van Erik, die verhuisd was. En na een blik op de kerstkaart het nummer van mevrouw Beniers, die hem soms soep bracht. Tot slot het nummer van de consumentenservice. Dat stond op de pakken sap en op de blikken soep.

 

Op de gang klonken voetstappen en stemmen van anderen. Zij waren onderweg en bijna thuis. De Winter was nooit onderweg en nooit thuis; hij stapte steeds de weg onder zich door naar tussenstations, en had altijd de stad in zijn oren. Heen en weer tussen de winkels en zijn telefoon, als een oranje ijsbeer. Anderen hadden dopjes in hun oren, mensen die hen riepen, en het brandende gewicht van de tijd op hun mobieltjes in hun zakken. Niemand zag hem.

 

Hij had eens bedacht zijn toevlucht te nemen tot flessenpost. Overal zou hij boodschappen achterlaten, en af en toe zou hij een antwoord vinden. Aan de muur had hij de antwoorden verzameld die hij vond, nog voor hij vragen had verstuurd. Een geel plakbriefje dat zei dat alles goed was. Een boodschappenlijstje met de zin: ‘Ik weet het nog niet, laat maar.’ Een kopie van een artikel, met op de achterkant: ‘Mooie kop heeft die man.’ Een punaise behoedde de zinnen voor het vervluchtigen waar ze voor waren opgeschreven.

 

De Winter had zelf ook antwoorden gemaakt, op oude kassabonnen. Hij was met een ‘Ja’ en een ‘Nee’ begonnen, maar schreef al snel ‘Glas is het mooiste’, ‘Ik heb altijd van rozen gehouden, en me er altijd voor geschaamd’, en ‘Is iedereen anders of lijken we meer op elkaar dan ooit?’ Daarna besloot hij de mensen achter de ramen in de andere flats een stem te geven. ‘Vanavond eten we lasagne, schat’, schreef hij voor het stel met rode gordijnen op de vierde. ‘Gezellig, vanavond komen opa en oma!’, voor de kinderen die elke dag de trappen op en af renden. ‘Ik mis je.’, voor de man die alleen op de bovenste verdieping woonde. ‘Waarom ben je zo laat?’, voor het meisje van de drukke moeder. Toen hij probeerde de briefjes op zijn raam te plakken, ieder op de juiste hoogte, maakte de condens het raam te glad voor plakband, maar bleven de briefjes plakken in het nat. De teksten spraken hem in spiegelbeeld toe.

 

De Winter liep naar de kast en nam er het pakje kerstchocolaatjes uit. Samen tegen verspilling. Hij at een hulstblaadje met rode besjes. Liep weer naar de deur. Bedacht zich. Zette de kerstchocolaatjes terug en nam een pen mee in zijn jas. Trok de deur dicht. Meende iemand te horen, en rende weer naar binnen. Er was niemand. De Winter vertrok. Op straat stak hij zijn handen in zijn zakken, en bedacht zich dat de winkel inmiddels gesloten zou zijn. Even stond hij besluiteloos onder een lantaarn. Er hing rag aan, maar zonder spin erin. Hij liep terug de trap op naar boven.

 

Op zijn kamer ging hij weer in zijn stoel zitten. Zijn vinger ging als vanzelf weer naar de draaischijf. De lantaarn maakte zijn gezicht glimmend oranje. Hij trok zijn hand terug en bekeek zijn vingers in de gloed, liet zijn nagels glimmen. Hij liet zijn ene hand de andere schudden, de linkerduim de verkeerde kant op, naar beneden. ‘Goed je te zien’, dacht hij. De handen wisselden. Hij zette zijn vingertoppen tegen elkaar en plaatste zijn gezicht tussen zijn duimen en wijsvingers. Toen zijn voorhoofd op zijn vuisten, zoals zijn vader deed. Zijn wang op de rug van zijn hand, zoals Elisa. Het nylon van zijn jas maakte schurende geluiden bij elke beweging.

 

Zijn duim tegen het heft sneed hij een stuk kaas af. In de bovenkant sneed hij een helling als een telefoonlijn. Hij legde de kaas naast de telefoon, tussen de stukken van het verscheurde kaartje. Nam de hoorn op en hoorde ruis. De zee, grapte zijn ene hersenhelft tegen de ander. Hij bliepte zachtjes een gesprekstoon op zijn hartslag. Probeert u het later nog eens opnieuw.

 

Op de erwtensoep bekeek hij het nummer van de klantenservice. Hij zette een kom op een placemat, een lepel ernaast. Een onderzetter voor de pan. Vanaf het hoofd van de tafel kon hij de telefoon zien staan, vergeeld beige. Hij hief zijn lepel en begon zijn soep te eten. Erwtensoep was altijd voor na sneeuw en ijs, na ruimen of schaatsen. De Winter wilde de wind niet alleen horen ruisen: hij zette zijn raam open, sleepte zijn stoel ervoor en ging zitten. De kou was als mint in zijn neus, hij voelde de vlagen striemen op zijn wangen. Hij haalde diep adem.

 

Vanachter zijn soep zag De Winter hoe de briefjes aan de muur bewogen, aan hun punaises trokken. Ze wilden weg – De Winter zag het. Hij zag hoe ze wilden dwarrelen als herfstblaadjes, dansen met de plastic zakjes in de bomen, verwaaien als zomerse pluizen en vlinders, en dan sterven als het afval op straat na oudejaarsavond. De trilling trok door de oude paperassen in hun stapel op de grond. Naast de telefoon verschoof zelfs het verscheurde blauwe kaartje. De Winter at zijn soep en keek toe.

 

Een snipper blauw viel op de grond. De Winter stond op en bekeek het stukje met vijf-acht-drie. Toen nam hij een grote tas en gooide de vier snippers erin. Verscheurde de briefjes aan de muur. Hurkte bij de stapel op de grond en zag de stekker van de telefoon. Glimmende ijzertjes in dof plastic. Het regende naar binnen, en De Winter, met druppels in zijn haar, zijn jas nog altijd aan, stopte de stekker in het stopcontact. Huiverend keek hij omhoog naar de wolken.

 

De stapel paperassen verdween in de tas: De Winter nam zijn appartement, zijn vroegere banen, zijn uitkeringen, zijn aankopen, zijn rekeningen, zijn contracten, nam alle documenten die zijn leven waren en niet waren, en scheurde ze in kleine witte stukjes boven de grote tas. Als laatste diepte hij het kassabonnetje van de kaas en de appels op uit zijn broekzak en snipperde dat extra fijn. Met de tas in zijn hand gooide hij het raam wijd open, en liet het sneeuwen in de regen, dwarrelen en dansen en verwaaien, tot de natte sneeuw zou sterven op straat.

 

Er werd gebeld.

Lees meer »

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2020

Poëzie

Proza

'Je bent een schavuit' door Arthur Hendrikx (tweede laureaat)

Je bent een schavuit. Je geeft er eigenlijk helemaal niets om, het kan je allemaal gestolen worden, zolang je je pakje Gauloises maar hebt en je platenspeler en je gitaar, zolang je de mogelijkheid hebt weg te vluchten zodra iemand de andere kant op kijkt, ruimte om weg te manoeuvreren, soms voor een poosje, soms voor jaren, soms voor altijd, zoals nu. Ik weet niet waarom ik je in de tegenwoordige tijd aanspreek. Ook die laatste vlucht deed je zonder aankondiging, zonder afscheid te nemen, zonder met iemand rekening te houden; je bent een Icarus die niet neerstortte omdat je te dicht bij de zon vloog (nee, dat zou niet gebeuren, om de een of andere reden zouden de zonnestralen voor jou onschadelijk zijn, zonder dat je daar iets voor hoefde te doen, zoals altijd, je hoefde nooit iets te doen om te winnen, om mensen goedgunstig te maken, om de blik van de meisjes naar je toe te trekken, om donkere wolken te doen verdwijnen; en je leek je van dat door god gezonden geluk, als dat het woord is, nooit bewust, – schavuit), maar omdat je, het vliegen eventjes beu geraakt (want je had altijd elders interessantere dingen te doen), over een volgende activiteit nadacht en door die onoplettendheid je evenwicht verloor en neerviel, per ongeluk sierlijk tollend als een gevallen engel. Ook op momenten waarop je op je knieën zat aan de verliezende kant, wanneer je schaakmat stond en iedereen het wist, zweefde je een eindje boven de grond uit, boven ons, met die eeuwige jongensachtige grijns van je, die vanaf je veertiende nooit veranderd is, met die lichtjes in je ogen, je speels rollende ogen die alle momenten die ook maar in de verte naar ernst en plechtstatigheid roken door elkaar schudden en nieuw leven inbliezen; en als je rollende ogen en clownsgezichten niet werkten, als de anderen onverstoorbaar hun saaie burgermansgesprek voortzetten, gooide je je hele lichaam en je machtige stemgeluid in de strijd, zoals die keer dat we voor het huis aan de waterkant stonden met een groepje in maatpak gestoken heren die met papa aan het praten waren over financiën en aandelen en de banken en de volatiliteit van de beurs en je eerst ons, de drie kinderen die er een beetje beteuterd bij stonden omdat we niet tijdig waren weggeraakt en te laat beseften wat voor saaie richting het gesprek uitging, had zitten vermaken met je gekke bekken, daar staande te midden van de monotoon brommende heertjes, als enige in hemdsmouwen met de bovenste knoopjes open zodat een stukje van je begeerlijke borstkas te zien was (je was altijd de knapste, vooral omdat het een verwilderde, langharige schoonheid was, waarover je nonchalant deed alsof je er geen belang aan hechtte, maar wij wisten beter), en daarna was je plotseling, midden in het relaas van papa, beginnen te joelen als een indiaan, waarna je je omdraaide, de houten steiger oprende en het ijskoude water in dook met al je kleren aan, terug naar boven komend als een blije zeehond, het triomfantelijk uitproestend, lachend, naar ons kijkend vol trots alsof je een daad van het grootste gewicht had volbracht. De burgermannetjes keken verdwaasd naar het eigenaardige sujet in het water, alsof ze hem nu pas opmerkten; maar even later hervatten ze hun gesprek alsof er niets gebeurd was, zonder je nog aandacht te schenken. Ook jouw luidste paukenslagen konden de wereld maar enkele seconden doen verstommen, daarna draaide hij alweer apodictisch rond, en jij zag daar de symboliek van in, de prelude op wat er komen ging, het ongehinderd verder draaien na jouw passage onder ons; maar in plaats van daar larmoyant over te doen, je ogen ten hemel te richten en te jammeren, zwaarmoedig en zwijgzaam te worden, haalde je je schouders op en grijnsde je alsof het een waarheid was die je petje te boven ging. Ik denk niet dat iemand van ons je ooit op een verdrietig moment heeft kunnen betrappen. Die kant van je bleef verborgen, ik weet niet eens of je hem aan je vriendinnen toonde, ik heb het nog niet durven vragen, want er wordt maar weinig over je gepraat, de meesten schijnen een soort van boosheid of rancune mee te torsen als een slakkenhuisje dat hun pas vertraagt en hun blik versombert, ze hebben je nog niet vergeven, zowel het loutere feit dat je bent heengegaan als de manier waarop zijn nog niet verteerd, als iemand een anekdote bovenhaalt waarin jij als een kruising tussen Odysseus en Falstaff de protagonistenrol op je neemt, sluw en grappig, uiteindelijk winnend, ook als je verloor want je had ook dan de laatste lach, dan wordt er in eerste instantie gelachen en geknikt maar al snel verandert dat in een donkere blik en een hoofdschuddende zwijgzaamheid, en dan keert iedereen zich in zichzelf terug.

Lees meer »

'Onderste-van-de-stapel-bed' door Robbe Michielsen (derde laureaat)

Hij lag in een bijzondere, maar niet bijzonder comfortabel uitziende houding op een onderste-van-de-stapel-bed. Ik lag net iets hoger en er schuin tegenover. Om zijn lijf slechts twee stukken stof. Van het grootste van de twee, dat tevens beweerde 100% cotton wool te zijn, hoopte ik steeds dat het, al waren het maar enkele luttele centimeters voor enkele luttele seconden, zich zou terugtrekken en me met wat extra mensenleer en misschien, hopelijk, wat bont zou verrassen.

Lees meer »

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2019

Poëzie

Proza

'Poeder' door Ana van Liedekerke (tweede laureaat)

Ten slotte strijk ik de haarlokken achter zijn oren glad. Hij is af. Zijn gekrulde tenen heb ik in zijn schoenen geschoven en met mijn duimen heb ik zijn mondhoeken tot een glimlach geboetseerd. Ik heb de knopen van zijn hemd gesloten, zijn das geknoopt, zijn kraag gesteven. Om zijn pols zit het horloge dat hij als geschenk voor zijn Heilig Vormsel heeft ontvangen – in het geloof dat hem een lang volwassen leven was beschoren. Uiteindelijk komt het neer op schoonheid. Als mensen hun dierbaren bezoeken, willen ze niet de snede zien van het mes of de uitstulpingen van de wonden. Mijn taak is het gaaf maken van wat zijn gaafheid heeft verloren.

Lees meer »

'tall red boy' door Rebecca Nollet (derde laureaat)

Het is een warme winternacht waarop ik je in mijn zak vind. Ik zoek naar euro’s en vind pluisjes, een knoop – net uit een cartoon – en een heel klein handje dat zachtjes in mijn pink knijpt. Ik trek je aan je kraag omhoog. Je past net in mijn shotglas. Ik sta in een café: links van mij dansen mensen die ik soms mijn vrienden noem, rechts van mij plakt de toog aan mijn arm. De geur van vuil hout en alcohol maakt me draaierig. Ik zet je op mijn schouder, het glas op de toog. Het valt om, rolt op de grond, breekt in tweeën. De deur valt harder open dan ik had verwacht, en ik struikel. Je moet je vastgrijpen aan mijn haren, slingert heen en weer. Ik lach, jij niet. De nacht is diep, donkerder dan ik had verwacht. Boven ons ontsnapt een handvol sterren aan de lichtvervuiling. Het lijkt me vreemd, misplaatst, en ik voel dat er iets ontbreekt, dat er op een onbestemde plek lege ruimte is ontstaan. De wind strijkt over mijn gezicht, hij voelt wollig, stopt mijn mond en neusgaten vol tot ik niet meer kan ademen. Ik steun met mijn handen op mijn knieën, hoest tot de lucht weer scherp is. Er komt een stofwolk uit mijn mond, denk ik. Je gaat in mijn oorschelp zitten en zegt: ‘Het is oké,’ en ik geloof je. Ik wil gaan zitten. 

Lees meer »

Multimediaal talent