Aflevering 3 - Van Ludwig Wittgenstein tot Marguerite Duras

Gepubliceerd op 11 maart 2022 om 14:12

Literair journalist Dirk Leyman zorgt in Klein Beschrijf regelmatig voor verse leeswaren. Hij signaleert opmerkelijke boeken, originele publicaties, literaire essayistiek én nieuwigheden.

FILOSOFIE

 

Wittgensteins ‘Tractatus’  in nieuwe vertaling

De Weense filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) beet zich vast in de logica van de taal en poogde ze in genummerde stellingen te gieten in zijn Tractatus Logico-philosophicus, honderd jaar oud. Naar zijn boude mening had hij daarmee ‘alle wijsgerige problemen’ opgelost. Het ging hem erom ‘de mogelijkheidsvoorwaarden van denken en taal in kaart te brengen.’ Beroemd maar vaak verkeerd geïnterpreteerd én als ondoorgrondelijk weggezet, blijft de impact ervan aanzienlijk. Terry Eagleton noteerde ooit: “Frege is een filosoof voor filosofen, Bertrand Russell de middenstandersidee van een wijs man, en Sartre is het beeld dat de media hebben van een intellectueel. Maar Wittgenstein is de filosoof van de dichters en componisten, toneelschrijvers en romanciers, en delen van zijn machtige Tractatus zijn zelfs op muziek gezet.” Nu is er een nieuwe vertaling van Peter Huijzer en Jan Sietsma, helder ingeleid door Martin Stokhof.

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, Octavo uitgevers, vertaling Peter Huijzer en Jan Sietsma, inleiding Martin Stokhof, 228 p., 19,50 euro.


Michel Foucault in een ‘Elementair Deeltje’

De reeks Elementaire Deeltjes is een valeur sûre geworden voor wie handzame, wetenschappelijke maar toch toegankelijke informatie zoekt over sleutelthema’s, met een heel brede actieradius, van ‘slaap’ tot ‘zintuigen’, van ‘taal’ tot ‘dierenrechten’ of ‘psychoanalyse’. Hamvraag: ‘Hoe zit dat nou eigenlijk?’ Ook filosofen, van Socrates tot Nietzsche en Heidegger of Sartre, kregen een deeltje. Nu verdiepte Michiel Leezenberg, verbonden aan de afdeling wijsbegeerte van de universiteit van Amsterdam, zich in de Franse denker Michel Foucault (1926-1984), “een van de meest omstreden en minst begrepen theoretici van nu”, vanaf 1970 hoogleraar aan het Collège de France. Hij betrekt ook de recente ontsluitingen van Foucaults archief in zijn exposé: zo verscheen vijfendertig jaar na zijn dood een aanvulling op zijn Geschiedenis van de seksualiteit: Bekentenissen van het vlees, en in 2004 De geboorte van de biopolitiek. Foucault had nochtans geordonneerd dat er geen postume publicaties mochten komen, maar zijn erven lieten die wens uiteindelijk los. Leezenberg gaat in op Foucaults roerige leven en zijn bijdragen aan de geschiedschrijving en de filosofie, zijn werk over taal en kennis, zijn analyse van waanzin, discipline en straf en de geschiedenis van de seksualiteit. Foucault weigerde in hokjes geplaatst te worden. Beroemde werken zijn Les mots et les choses (De woorden en de dingen); Discipline, toezicht en straf en zijn Geschiedenis van de seksualiteit. In 1969 noteerde hij: “Vraag niet wie ik ben en vraag me niet dezelfde te blijven. Laat het aan de bureaucraten en aan de politie over om te zorgen dat onze papieren in orde zijn; maar bespaar ons hun moraliteit wanneer we schrijven.”

Michiel Leezenberg, Michel Foucault, Elementaire Deeltjes, 164 p., Athenaeum-Polak & Van Gennep, 9,99 euro.


Lezersgeluk zoeken met Proust

Dorine Vergote, germaniste en filosofe en tekstschrijver voor artistieke projecten, verdiepte zich voor Het raadsel van het geluk in Marcel Proust.  Het soepel geschreven boekje past haarfijn in de Questa-reeks van de Vlaamse uitgeverij Letterwerk, die vast van plan lijkt de essaystiek op diverse terreinen nieuw leven in te blazen én op een hoger plan te tillen.

“Wat beweegt schrijvers ertoe de dag op te offeren voor de nacht om een meesterwerk te voltooien? Ook al gaat dat ten koste van het eigen leven? Wat is lezersgeluk?” Vergote poogt dat te achterhalen aan de hand van Prousts A la recherche du temps perdu. “Denken is bij Proust een scheppend denken en daar nemen wij als lezer aan deel”. Vergote schreef een doctoraat over de Franse filosoof Gilles Deleuze en gaat nogal uitdrukkelijk via Deleuze ook Proust te lijf. Deleuze analyseerde Proust vanuit ‘het teken’ of ‘signe’, het woord dat het meest terugkeert bij Proust: “Welk teken stuurt de geliefde me?” Toch verzandt Vergote zelden in academisme: dit is een helder, goed doordacht én in korte hoofdstukken geschreven opstapje naar Proust, een ‘kleine handleiding bij het Proustisme.’ Vergote: “Proust heeft in zijn meesterwerk tijd en identiteit samengeklonken. Want wie zijn wij, behalve onze herinneringen? En hoe belangrijk is wat Proust ons leert over de tijd voor onze identiteit?”

Dorine Vergote, Het raadsel van het geluk. Filosoferen met Proust, Letterwerk, 72 p., 14,99 euro.


FRANSE LITERATUUR

 

Perec, dollend met de e

Georges Perec (1936-1982), auteur van Het leven, een gebruiksaanwijzing, wist op bijna geniale wijze het maximum te puren uit vormbeperkingen die hij zichzelf oplegde, de zogenaamde ‘contraintes’, als notoir lid van de OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle). Dat leidde bijvoorbeeld tot een 300-pagina’s tellende ‘lipogrammatische’ roman zonder e (La disparition) maar ook tot Les revenentes (met enkel de e als klinker, 1972). ‘Het beperkende kenmerkt de meester’, aldus vertaler Guido van de Wiel, die na ’t Manco nu ook twaalf jaar vijlde aan De wedergekeerden. Thematisch zijn ze elkaar tegenpolen. De wedergekeerden is een schijnbaar knotsgek verhaal, “een legende met veel seks en edelstenen”, over de juwelenroof van vedette Bérengère de Brémen-Brévent en een orgie onder leiding van kerkheer Serge Merelbeke, gewiekst dollend met de lezer, waar niet altijd een touw valt aan vast te knopen. Maar schijn bedriegt: “Een lipogrammatische exercitie, een uitdagend taalspel en een complexe taalkundige puzzel. Het ‘avontuur van het schrijven’ gaat vóór het ‘schrijven van het avontuur”, beoordeelt Margot Dijkgraaf het boek in NRC-Handelsblad. Ook zij is het ermee eens dat vertaler Van de Wiel een huzarenstuk aflevert. Van de Wiel zegt over zijn werkwijze in een interview in Trouw: “Ik ben begonnen met een vrije vertaalronde. Ik gaf de ruimte aan elke inval, zonder zelfkritiek. Dat leverde een rommelige eerste tekst op met veel onbestaande woorden en vraagtekens. Ik sprong ook nog steeds heen en weer tussen verleden tijd en tegenwoordige tijd. Daarna heb ik er diverse vertaalrondes overheen gegooid, telkens kritischer. Het werd steeds beter. E-Nederlands, zoals ik het ben gaan noemen, is echt een nieuwe taal: het kost tijd voordat je haar beheerst.” In zijn inleiding gaat hij in op de meerduidigheid van het werk: “Naast de verhulde thematiek van de [verdwenen] ouders draagt dit werk open en (letterlijk) bloot de motieven van losbandigheid en overvloed, van versmelting en eenwording en van bevrediging en vervulling – oraal, anaal, genitaal en ook verbaal – in zich.”

Georges Perec, De wedergekeerden, vertaling Guido van de Wiel, De Arbeiderspers, 126 p., 22,50 euro.


De uitgeregende zomer van Marguerite Duras

Het is een minder bekend boek van Marguerite Duras, dat destijds wel meteen 70.000 exemplaren verkocht in een halfjaar: Zomer ’80 (L’été 80). Op vraag van Serge July van Libération schreef Duras een wekelijkse column over de grotendeels uitgeregende zomer van 1980. Ze capteerde daarbij gebeurtenissen die amper de actualiteit haalden en tuurde naar de metamorfose van de zee, vanuit haar appartement in Les Roches Noires, een voormalig strandhotel in het Normandische Trouville. “Ik denk dat ik over de regen ga schrijven.” De stukken verschenen op woensdagen, van 16 juli tot 17 september 1980. “Er is één ding dat ik kan, kijken naar de zee. Weinig mensen hebben over de zee geschreven, zoals ik in Zomer ’80 heb gedaan”, noteert ze in La vie materielle. Toch schreef ze ook over de (geboycotte) Olympische Spelen van Moskou, of over de stakingen in Gdansk, de aanslag in het station van Bologna of over de gewaagde verstandhouding tussen een meisje en een kind. Maar zoals vertaalster Kiki Coumans schrijft: “Altijd komt ze uit bij de essentie.” Duras merkt op: “Je zou voor een krant moeten schrijven zoals je over straat loopt. Je loopt, je schrijft, je doorkruist de stad, ze wordt doorkruist, ze houdt op, het lopen gaat door, zoals je de tijd, een datum, een dag doorkruist en dan is hij doorkruist, en houdt op. Het regent op de zee.”

Marguerite Duras, Zomer ‘80, Vleugels, vertaling Kiki Coumans, 72 p., 23,95 euro.

 


Ode aan Stendhal door overleden Jan Fontijn

De Nederlandse biograaf en neerlandicus Jan Fontijn is begin januari in Amsterdam op 85-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een hartkwaal. Fontijn was jarenlang werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam, en ook literatuurcriticus voor Het Parool en Vrij Nederland. Naam maakte hij met zijn tweedelige biografie over Frederik van Eeden maar hij schreef ook uitgebreid over bijvoorbeeld Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan. Onlangs verscheen Moederskinderen. Over moeders en zonen (2019) en eind 2021 zijn zwanenzang Stendhal. Een zwervende gelukzoeker, een hoogstpersoonlijk boek over deze door Fontijn zo beminde Franse schrijver. Fontijn was de echtgenoot van schrijfster Charlotte Mutsaers.

In zijn laatst verschenen boek Stendhal. Een zwervende gelukzoeker schrijft Fontijn hoe hij de Franse auteur ontdekte tijdens zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde, toen hij het werk van Eddy du Perron las. Hij bleef voorgoed gegrepen door de persoonlijkheid en het literaire werk van Henri Beyle, die op 59-jarige leeftijd, op 22 maart 1842 om zeven uur ’s avonds, ineenstortte in de Rue Neuve-des-Capucines te Parijs en daags nadien overleed.

In zijn zwierige, persoonlijk getinte essay vol onverholen bewondering combineert Fontijn leven en werk, doorgrondt hij Stendhals fascinatie voor Italië, of heeft hij het over zijn reportages na een reis per calèche in Frankrijk. Ook analyseert hij de romans of stipt hij zijn opvattingen over de vrouw en de liefde aan. Een prettige, waardevolle introductie is het, onmisbaar voor elke Stendhal-liefhebber en lezer van Le rouge et le noir of Vie de Henry Brulard. Fontijn schrijft: “Wat een oeuvre! Wat een stijl! Dat was schrijven zonder zich te generen. Zoals men zich in een brief aan een bekende op het gemak voelt en men losjes schrijft, zo schreef Stendhal zijn oeuvre.” En: “Nooit kon hij zich losmaken van zijn idee dat er in het schrijven iets charlatanachtig zat; het literaire leven was een ‘vie misérable’ in zijn ogen.’ Vooral was hij een liefhebber, geen professional, benadrukt Fontijn. “Van het beroep van schrijver had hij geen hoge pet op.”

Jan Fontijn, Stendhal. Een zwervende gelukzoeker, Prometheus, 232 p., 25 euro.


VERSE POËZIESIGNALEMENTEN

 

De Belgitude in verzen en foto’s

Een ambitieus project: dichtbundel en fotoboek in één, aaneengesmeed door Max Temmerman en fotograaf Diego Franssens, over de Belgitude, met zowel “liefhebbende als scherpe” verzen over “een worstelende natie”, “een groots land in kleine beelden en verzen.” Franssens heeft zich bij zijn rondgang door ons land – hij doorkruist België al decennialang - goed gespiegeld aan  voorbeeld Harry Gruyaert. Het project doet denken aan het boek Made In Belgium (2000) van Gruyaert, waarbij Hugo Claus gedichten schreef bij de beelden van Gruyaert. Let op de boekverzorging van Koninklijk circus die het uitdrukkelijke Dooreman-stempel draagt. Temmerman publiceerde veel gedichten voor, onder meer in DW B.

Een fragment: “Het is hier bijna gedaan. Het laatste vat / is aangebroken. De laatste plaat opgelegd. / Bijna staan de stoelen op de tafels.” En: “Sluit de deur.
Doe de rolluiken omlaag: / in deze deelstaat is het eindelijk bijna te laat.”

Max Temmerman & Diego Franssens, Koninklijk Circus, Borgerhoff & Lamberigts, 24,99 euro.


‘Koerende kogels’ van Guillaume Apollinaire

Een bezielde vernieuwer, een dichter van de verrassing, van onverwachte beelden en combinaties, dat was avantgardist Guillaume Apollinaire (1880-1918). In zijn baanbrekende Calligrammes putte hij paradoxale energie en schoonheid uit de verschrikkingen van de oorlog, die weliswaar zijn lijf en leden fataal toetakelde. Deze bloemlezing, vertaald door Kiki Coumans, toont “de directe gewaarwordingen van een instabiel bestaan”. Het zijn “vaak fragmentarische gedichten, doorspekt met pieken van adrenaline en angst”, schrijft Coumans in haar introductie. Apollinaire zet er de vernieuwing voort die hij in Alcools inzette, met soms sterk visuele gedichten én typografische experimenten en collages. En hij volgt het adagium dat hij in zijn lezing L’Esprit Nouveau propageerde: ‘Men kan dichter zijn op alle gebieden: je hoeft alleen maar avontuurlijk te zijn en op ontdekking te gaan.’

Guillaume Apollinaire, De nacht is zo mooi met zijn koerende kogels. Gedichten uit de Grote Oorlog, uitgeverij Vleugels, vertaling Kiki Coumans, 136 p., 23,95 euro.


De bijendans van Paul Demets

In zijn nieuwste dichtbundel De bijendans gaat dichter Paul Demets rijkelijk aan de slag met begrippen uit de wereld van de bijen en trekt hij openlijk de kaart van het verontruste engagement. Wegkijken kan niet meer in deze bedreigde wereld, vindt Demets. En hij dicht daar zowel zintuiglijk, snerpend hard of licht hoopgevend over.

Paul Demets, De bijendans, De Bezige Bij, 80 p., 21,99 euro.

 

 


Ritmische zelfbespiegeling van Esohe Weyden

Campusdichter van de Universiteit Antwerpen, juriste én performer Esohe Weyden transformeert in haar poëziedebuut spoken word met verve naar papier. Het leidt tot een ritmisch, openhartige maar genuanceerde zelfbespiegeling: ‘Het eindeloze tuimelen vindt meestal plaats in mijn hoofd/bedenksels die driftig touwtrekken in de rode schemering/’

Esohe Weyden, Tussentaal, Uitgeverij Vrijdag, 86 p., 20 euro.

 


Nieuwe Dante-vertaling van Herman Jansen

Hoeveel vertalers beten hun tanden stuk op La Divina Commedia, het in het Toscaans geschreven meesterwerk van Dante Alighieri (1265-1321)? Herman Jansen zorgt voor een nieuwe toegankelijke, onberijmde versie van de allegorische afdaling in de Hel, de beklimming van de Louteringsberg en het bereiken van Paradijs en Hemel. Uitstekend geannoteerd én in een luxe-uitgave.

Dante Alighieri, De Goddelijke Komedie, vertaling Herman Jansen, IJzer, 810 p., 49,95 euro.


ESSAY

De verdwijntrucs van Geertjan de Vugt

Een origineel onderwerp is het alleszins: in een negental essays, gebundeld in Fonkelrozen, onderzoekt Geertjan de Vugt – die ook kritieken schrijft voor DW B - de geschiedenis van de vingerafdruk, met zijn concentrische cirkelingen een waarmerk van persoonlijke identiteit. Hij voert een parade aan artsen, dermatologen, handlezers, eugenetici of charlatans op – van Jan Evangelista Purkinje tot Francis Galton en Arthur Kollmann - en beseft dat vingerafdrukken zijn eigen obsessie met verdwijnen voeden. Een boek over verdwijnpogingen – en het mislukken ervan. “Is het iemand gegeven geheel te verdwijnen? Bestaat de ultieme verdwijntruc?”

Geertjan de Vugt, Fonkelrozen. Over vingerafdrukken, Van Oorschot, 290 p., 25 euro.

 


Struinen door de literaire Ardennen

Sinds de lockdown hebben veel Belgen weer hun eigenste Ardennen ontdekt. Literatuurhistoricus Stefan van den Bossche – die promoveerde op een studie over leven en werk van Jan van Nijlen en de biografie schreef van Herman Teirlinck - geeft ons extra munitie om de regio te doorkruisen. Hij trekt in het spoor van het vele literaire volk dat er neerstreek, van Jacques Perk, de jonggestorven ‘heraut’ en zijn Mathilde-cyclus, tot Willem Kloos, Arnold Aletrino en Lodewijk van Deyssel. Nogal wat Tachtigers bleken verkleefd aan de Ardennen. En verder stuiten we op Guillaume Apollinaire, Filip De Pillecyn, Paul van Ostaijen, Jan G. Elburg, Jef Geeraerts en Herman de Coninck. Van den Bossche wijdt uitgebreide, met veel voetnoten omlijste essays aan hun bevindingen en belevenissen.

Stefan van den Bossche, De literaire Ardennen. Van de tachtigers tot vandaag, Houtekiet, 334 p., 24,99 euro.

 


Biografie van Hella S. Haasse legt onvermoede kanten bloot

In haar volumineuze biografie over Hella S. Haasse, gecanoniseerde schrijfster van onder meer Oeroeg (1948) en Heren van de thee (1992) en historische romans als Het woud der verwachting (1949), legt biografe Aleid Truijens onvermoede kanten bloot van de altijd zo minzame, soeverein ogende schrijfster. Ze vluchtte in de verbeelding, want haar 64-jaar durende huwelijk was koud en afstandelijk, wars van intimiteit. In haar dagboeken legde ze haar emoties vrijuit bloot. En waarom behoorde ze nooit tot de ‘Grote Drie’ (Hermans, Mulisch en Reve) en bleef ze een eenling? Truijens werkte zeven en een half jaar aan haar biografie over de schrijfster die zoveel genres beoefende én schrijven en moederschap combineerde. Truijens kreeg inzage in het volledige literaire en persoonlijke archief - zestig volle dozen in het Literatuurmuseum in Den Haag. Ze sprak uitgebreid met vrienden, collega's en familie, onder wie Haasses dochters, Ellen en Marijn van Lelyveld. Zie dit interview van Emilia Menkveld met Truijens in de Volkskrant.

Aleid Truijens, Leven in de verbeelding, Hella S. Haasse (1918-2011), Querido, 598 p., 34,99 euro.


«