Aflevering 4 - Van Roger Martin du Gard tot K. Schippers

Gepubliceerd op 28 juni 2022 om 11:15

Dirk Leyman signaleert ‘verse leeswaren’: originele publicaties,  opmerkelijke boeken en nieuwigheden, met ook aandacht voor literaire essayistiek die elders minder aan bod komt.

Roger Martin du Gard, een bekwame gluurder door het ‘sleutelgat’.

Een Franse Tolstoj,  zo is de Franse schrijver Roger Martin du Gard (1881-1958) wel eens genoemd. Of was hij eerder de ‘kleine broer van Marcel Proust’, met zijn uit de kluiten gewassen achtdelige cyclus De Thibaults?

Voor het Privédomeindeel Kijken door het sleutelgat maakte vertaalster Anneke Alderlieste uit zijn immer genuanceerde dagboeken en brieven een schitterende selectie. Een twijfelende zelfonderzoeker, maar ook een schrander observator van de wereld én tijdgenoten als André Gide en André Malraux, dat was Du Gard. Een man die op allerlei manieren de fijnste modulaties van sensaties en gevoelens zocht. En dat hij de Nobelprijs Literatuur kreeg, raakt soms vergeten.

Nobel-loterij

Wanneer Roger Martin du Gard op 11 november 1937 via een telefoontje van zijn schoonzus verneemt dat hij de hoogste literatuuronderscheiding ontvangt, is zijn eerste reflex: het hazenpad kiezen. 'Even had ik het gevoel dat ik door een soort onheil werd getroffen, een schrikwekkende gebeurtenis waaraan ik niet het hoofd kon bieden', zo noteerde Martin du Gard op 8 april 1938 in zijn dagboeken, na een lange rondreis. Kampend met reumatische aanvallen schuifelde de Franse schrijver in november 1937 al een paar dagen geradbraakt rond in zijn appartement in de statige Cimiez-buurt te Nice. 'Mijn eerste gedachte was vluchten, ergens alleen zijn, buiten bereik. Twintig minuten later was ik gekleed, hees me zo goed en zo kwaad als ik kon in een taxi en liet me naar het station brengen. Om er de eerste vertrekkende trein te nemen naar Menton of naar Cannes.' Die bracht hem in Cannes. Hij neemt ‘eerste klas’ om alleen te zijn. Maar Martin du Gard had op dat moment het idee dat hij er eerder uitzag als 'een misdadiger die zich verbergt dan een winnaar van de Nobel-loterij!' Du Gard huurde een kamer voor een nacht tegenover het station en kocht de Eclaireur du soir, waarin hij heet van de naald het nieuws las van zijn eigen Nobelprijs. Niemand herkende hem daar. In Paris-Soir stond zelfs per vergissing een foto van zijn neef Maurice Martin du Gard, omdat er geen foto van hem beschikbaar was. Pas één dag later kwam Martin du Gard weer boven water én viel de wereldpers over hem heen.

De anekdote is tekenend voor deze Franse auteur die zich het liefst helemaal wegcijferde achter zijn boeken én al helemaal een broertje dood had aan journalisten en fotografen; of aan nodeloze stampei. Martin du Gard schuwde de schijnwerpers alsof het steekwapens waren. Hij legde zichzelf een houding van 'strenge bescheidenheid' op. In jury’s weigerde hij te zitten en hoogst zelden nam hij politiek stelling. Toch speelde hij – als trouwe vriend van onder meer André Gide en Stefan Zweig – een aanzienlijke rol in het literaire klimaat. Samen met Marcel Proust, Paul Valéry, Paul Claudel en André Gide vormde hij bijvoorbeeld een tijdlang de redactie van het invloedrijke tijdschrift La Nouvelle Revue française. Met zijn achtdelige cyclus Les Thibaults (1922-1940) verwierf Martin du Gard voorgoed een plaats in de annalen van de Franse literatuur, waarna Albert Camus hem 'onze eeuwige tijdgenoot' noemde. Drie jaar voor zijn dood in 1958 werd zijn oeuvre opgenomen in de prestigieuze Pléiade-reeks. Toch sukkelden Martin du Gards boeken na zijn overlijden redelijk snel in de vergetelheid. Je moest in onze regionen al een notoir francofiel zijn om Les Thibaults op het schap te hebben staan. Ligt het aan de low profile-attitude van de goedmoedige Martin du Gard met de aandoenlijk bolle kaken? Ja, zegt Maarten ’t Hart, in zijn voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Les Thibaults: 'Dat hij zo kritisch was op zichzelf, bracht met zich mee dat hij ook uiterst bescheiden was. Nooit heeft hij zichzelf op de voorgrond geplaatst, hij wilde juist graag schuilgaan achter andere groten.' Volgens ’t Hart heeft Martin du Gard 'geweldige kwaliteiten' en is hij 'een grootmeester van de dialoog'. Bovendien had hij 'een ongeëvenaard observatievermogen.' En dat valt enkel maar te beamen.

Heropflakkering

Maar zie, het onwaarschijnlijke heeft plaatsgegrepen. Roger Martin du Gard beleeft niet alleen in Frankrijk zijn heropflakkering met pockets, heruitgaven én zelfs een tv-serie naar Les Thibaults. Ook hier kreeg hij langzaam weer armslag bij de lezer. Uitgeverij Meulenhoff pakte het behoedzaam aan. Eerst kwamen ze in 2008 met een warmlopertje (de schitterende, prangende novelle De verdrinking). Later probeerden ze het met een klapper: Martin du Gards laatste roman Luitenant-kolonel de Maumort (in 2009). Nog later volgde het pièce de résistance: de vertaling door Anneke Alderlieste van Les Thibaults, gespreid over twee delen, waarvan het eerste nu verschenen is. In Nederland prijkt de kanjer van 864 pagina’s zowaar in de top tien-lijsten. En nu is er dat autobiografische Privédomeindeel.

Roger Martin du Gard genoot wél het voorrecht om onmetelijke zeeën van tijd te bezitten om te schrijven. Afkomstig uit een familie van magistraten en financiers moest hij amper een hand uitsteken voor de kost en kon hij pendelen tussen verschillende huizen en appartementen in zowel Parijs en Nice of nabij Avignon en Clermont-Ferrand. Telkens weer vergezeld van zijn zelfontworpen schrijfstoel, 'een stoel met een ingewikkeld systeem van losse bladeren waardoor hij in een comfortabele houding kon schrijven' en waarin zijn reumatiek werd gedempt, zoals Anneke Alderlieste in haar nawoord bij Les Thibaults meldt. Al op vroege leeftijd toonde hij een voorkeur voor de literatuur – een in zijn milieu lichtjes scheef bekeken bezigheid. Maar Martin du Gard was ook begiftigd met een grote indolentie. Op het lyceum is hij een beroerde leerling: 'Niet ongezeglijk of brutaal, dat niet, eerder gewillig, maar lui en totaal afwezig.' Wanneer hij op zijn zeventiende Oorlog en vrede van Lev Tolstoj leest, heeft Martin du Gard een aha-erlebnis. Het is dé definitieve stroomstoot die hem richting roman dirigeert. Bij Tolstoj bewondert hij het vermogen alsof je 'door een open raam naar de echte wereld' kijkt, 'naar de naakte werkelijkheid.' Na enige matig onthaalde boeken als Devenir! belandt zijn werk bij uitgeverij Gallimard, waar in 1913 zijn roman Jean Barois verschijnt. Het betekent zijn doorbraak. Aangemoedigd door het succes begint Martin du Gard te broeden op een groots epos. Met behulp van een ingewikkeld pakket steekkaarten zet hij Les Thibaults op poten, een roman-fleuve waarin de twee broers, de bedaarde arts Antoine en de onbesuisde, gevoelige Jacques Thibault, de katalysator vormen van een familiegeschiedenis in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog.

Kijken door het sleutelgat

Kort na de Eerste Wereldoorlog begint Martin du Gard aan een dagboek, een bezigheid die hij dertig jaar consequent volhield. In Kijken door het sleutelgat – een selectie uit 3.500 pagina’s - vinden we veel passages over vriendschap, over zijn oeuvre en constante twijfel, over de angst voor de dood én veel ‘spinnen’: het trage gonzen van gedachten, zoals hij het noemde.  Hij wijst zichzelf terecht, stuurt bij én spaart zichzelf niet, ook tijdens het werkproces. Du Gard blijkt vaak het gelukkigst alleen, heeft af en toe kluizenaarstrekjes, hoewel hij er een druk sociaal leven op nahield. 'Ik onttrek me moeilijk aan die veeleisende vriendschappen. Sterker nog, ik kan me niet bedwingen om hun stuk voor stuk de indruk te geven dat hun vriendschap me plezier doet, dat hun ontmoeting een vreugde is, dat het me spijt hen niet meer tijd te geven. Deze onwillekeurige leugens, die voortkomen uit het feit dat ik niet in staat ben verdriet te doen, anderen teleur te stellen, en uit een ijdele behoefte om bemind te worden, binden me nog meer. Het gevolg is dat ik verstrikt raak in duizend enigszins gekunstelde banden, die me verstikken.' Opvallend is ook zijn fascinatie voor het lichaam, 'alles is aanleiding voor nauwkeurige, gedocumenteerde, quasi-klinische notering', aldus Alderlieste in haar inleiding. Doorheen de pagina’s spookt de wereldpolitiek, hoe kan het ook anders. De brieven aan Gide of de omgang met zijn vrouw Hélène (met wie hij 42 jaar samen was, maar een moeizame verhouding had) komen aan bod in deze bloemlezing, van een man die altijd weer gedreven was om de complexiteit van de wereld recht te doen. Een niet te missen Privédomeindeel, dat smaakt naar een vervolg.

Roger Martin du Gard, Kijken door het sleutelgat, Privédomein, De Arbeiderspers, 502 p., 29,99 euro.


De esprit van ‘Homo poëticus’ Danilo Kiš

Hoog tijd ook voor een hernieuwde exploratie van het oeuvre van de charismatische romanvernieuwer Danilo Kiš (1935-1989), de ‘laatste Joegoslavische schrijver’, antinationalist, zoon van een in Auschwitz omgekomen Joods-Hongaarse vader en van een Montenegrijnse moeder, én balling in Parijs. Kiš werd wereldberoemd met zijn driedelige ‘gefingeerde’ autobiografie Tuin, as; Kinderleed én Zandloper. En geldt als romanvernieuwer met Een grafmonument voor Boris Davidovitsj of Encyclopedie van de doden.

Deze bundel autobiografische geschriften, spitse polemieken en reisverhalen, eveneens verschenen in de reeks Privédomein, toont ons nog maar eens met welke esprit de in Parijs aan longkanker gestorven Kiš literatuur bedreef. 'Ik ben een bastaardschrijver, vanuit het niets hier beland.' En aan jonge schrijvers gaf hij de raadgevingen: 'Wees even hoogmoedig jegens heersers als jegens de massa. (..) Zorg dat je je stijl niet vervuilt met die van ideologieën.' Homo poëticus bevat verder de sleuteltekst Variaties over Midden-Europese thema's, die een hernieuwde actualiteit bezit. Vrijwel op elke pagina staan er observaties die je wil aankruisen, met hevige potloodstrepen. Let ook op Kiš’ vermogen tot snijdende polemiek, onder andere tegen Milan Kundera.

Danilo Kiš, Homo poëticus. Lezen, reizen, literatuur, Privédomein, 296 p., vertaling Reina Dokter & Pavle Trkulja, nawoord Guido Snel, De Arbeiderspers, 23,99 euro.


Een doorwerkende vloek

Een grootheid in Frankrijk, deze Jean-Baptiste Del Amo (°1981), die met het verstikkende De mensenzoon een schokkende roman aflevert, over hoe intergenerationeel familiegeweld als een vloek doorwerkt. Een naamloze man duikt na langdurige afwezigheid terug op in het leven van vrouw en zoon, die hij meeneemt naar een vervallen, overwoekerde boerderij in het afgelegen Les Roches. Fanatiek poogt de vader het verleden weg te wissen. Maar de situatie ontspoort én raakt volkomen behekst. Deze roman wordt door sommige recensenten geplaatst in het spoor van Cormac McCarthy, maar je vindt er vooral echo’s in, die afkomstig lijken uit het oeuvre van Pierre Michon, Maurice Pons en Charles-Ferdinand Ramuz (De grote angst in de bergen).

Jean-Baptiste Del Amo, De mensenzoon, vertaling Joris Vermeulen, 256 p., De Bezige Bij, 23,99 euro.


Broeierig Marokko

Geen exotiek maar wel verontrustende broeierigheid, angst en ongemak in Mimoun, de nu vertaalde, schitterende debuutroman van de Spaanse grootheid Rafael Chirbes (1949-2015). Een leraar Spaans komt in Marokko aan met het onbestemde idee er een roman af te maken. Hij vestigt zich in Mimoun, stadje in het Atlasgebergte, en raakt als eeuwige buitenstaander ingesponnen in een web van glibberige, raadselachtige personages als Francisco, Hassan, Aixa, Rachida en Charpent. 'Elke dag nam ik me voor geen voet meer te zetten in de cafés in Mimoun, waar ik me omringde met mensen die me niet aanstonden en die zelfs een gevoel bij me begonnen los te maken dat dicht in de buurt kwam van angst.' Deze onheilspellende roman blijft rondjes malen in je hoofd.

Rafael Chirbes, Mimoun, vertaald door Eugenie Schoolderman, uitgeverij Vleugels, 112 p., 23,95 euro.


Tweemaal Stefan Zweig

Beleeft de Joods-Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942) tegenwoordig een revival? Enigszins wel, al loopt het nog niet zo’n vaart als met tijdgenoot Joseph Roth. Er verschenen al talloze heruitgaven van zijn biografieën. En zijn sublieme De wereld van gisteren wordt vaak aangehaald als verplichte herleesliteratuur door oorlogswatchers én lieden die beweren dat we momenteel slaapwandelend op WO III afstevenen.

Maar er is ook een frivolere Zweig beschikbaar. 'Het hoogseizoen in Oostende is een ononderbroken, bonte verscheidenheid van feesten en publieke evenementen', zo opent Zweig zijn sfeerrijke reisimpressies over Oostende, stad waar hij later ook zal neerstrijken als exilauteur met onder meer Joseph Roth. Tussen 1902 en 1928 bezocht Zweig ook andere Belgische steden als Brugge, Ieper, Antwerpen, Leuven en Luik. Elegante reportages zijn het, die recent verzameld zijn in het hebbedingetje Het land tussen de talen, vertaald door Els Snick, met aquarellen geïllustreerd door Koen Broucke (die recent ook Boerenpsalm van Felix Timmermans onder handen nam).

Het zestiende-eeuwse Antwerpen vol hoogoplopende, religieuze spanningen vormt dan weer het decor van De wonderen van het leven, een geciseleerde, onbekendere, historische novelle van Stefan Zweig (1881-1942), verschenen bij Uitgeverij Vrijdag en aangeprezen door Alicja Gescinska met een blurb. Een rijk, vroom koopman wil een schilderij aan de kathedraal offreren als dank voor de miraculeuze genezing van zijn moeder. De oude schilder die de opdracht krijgt, komt voor zijn Maagd Maria terecht bij een gevlucht Joods meisje, met wie een tragische vriendschap ontstaat.

Stefan Zweig, Het land tussen de talen, Van Oorschot, vertaling Els Snick, schilderijen Koen Broucke, nawoord Piet Chielens, 93 p., 17,99 euro.

Stefan Zweig, De wonderen van het leven, Uitgeverij Vrijdag, vertalerscollectief olv Els Snick, 94 p., 20 euro.

 


Schrijversinterviews van De Coninck (en Piryns) terug beschikbaar: ‘Onder literatoren’

Terugblikkend op zijn dertienjarige HUMO-tijd ging Herman de Coninck er weleens prat op dat hij ‘het kritische en tegelijkertijd ludieke, speelse, ongehoorzame interview uitvond’. Vijfentwintig jaar na zijn dood is er nu een smakelijke heruitgave van 25 fameuze schrijversinterviews, vaak in duo met spitsbroeder Piet Piryns. Een soort ‘gesproken canon van de Nederlandstalige literatuur van toen’?  'Ik vond dat er iets ontbrak: je hebt weliswaar de verzamelde gedichten, essays en brieven, maar van zijn journalistiek werk is amper iets beschikbaar, behalve de nu onvindbare bundel Woe is woe in de nedderlens (1972)', aldus biograaf en medeorganisator Thomas Eyskens in De Morgen, die met Piet Piryns de heruitgave van de fameuze schrijversinterviews onder zijn vleugels nam. De Coninck was er alleszins trots op: 'Als me toen gevraagd werd wat mijn beroep was, zou ik altijd geantwoord hebben 'journalist', en nooit 'dichter'', zei hij ooit.

De gesprekken bieden een verrassend tijdsbeeld van de jaren 70 en 80, vindt Eyskens. 'Alle groten van die tijd passeren de revue: Nooteboom, Mulisch, Geeraerts, Kopland, Claus, Wolkers…. We lieten ze ook ongecensureerd: ja, het woord ‘neger' valt weleens. En je ziet hoe mei '68 nasmeult, Cuba en Idi Amin, de Koude Oorlog en de dekolonisatie. Ze waren ook vernieuwend, omdat het duo in navolging van Bibeb, spotte met de brave journalistiek. Zo lachten ze met de stopwoordjes van de geïnterviewden, die ze pesterig lieten staan. En bij Ivo Michiels werden vragen over zijn collaboratieverleden niet geschuwd. De inleidingen van De Coninck pik je er trouwens zo uit, zijn taalspeelsheid verraadt hem.' En er zitten alleszins heerlijke quotes in, waaronder deze van Remco Campert: ‘Bohemien is misschien een mooi woord voor te veel drinken’.

De bundel bevat amper twee schrijfsters. Eyskens: 'Dat was toen zo in die tijdgeest én absoluut geen kwade wil. Want later werden De Conincks grootste poëzievoorbeelden vrouwen: Judith Herzberg, Eva Gerlach, Anna Enquist…'

Thomas Eyskens en Piet Piryns (sam.), Herman de Coninck en Piet Piryns, Onder literatoren. Vijfentwintig schrijversinterviews, De Arbeiderspers, 23,50 euro.


Literair wandelen scheert hoge toppen

'Om te vertragen is er nooit iets beters verzonnen dan wandelen. Om te wandelen heb je alleen maar twee benen nodig. De rest is onzin', predikt de Fransman Frédéric Gros in Wandelen, een filosofische gids. In zijn heruitgegeven, aangevulde en nu geïllustreerde filosofische gids brengt Gros een bevlogen ode aan het wandelen. Er zijn nieuwe hoofdstukken toegevoegd, onder meer over wandelen in parken en in de stad.

De cadans van onze voetstappen is een visitekaartje naar totale vrijheid, in het spoor van denkers als Nietzsche, Kant en Rousseau, argumenteert hij. Het stimuleert het 'rebelse, archaïsche deel in ons', zodat we 'bezield raken van een heilig vuur'. Zou het?

En in de blijvende vloed wandelboeken is er nu ook weer een Britse wandelclassic opgedolven en in een koesterbare vorm heruitgegeven. 'Het is een edele kunst; weet hoe je moet wandelen en je weet hoe je moet leven. De manieren maken de man, en het wandelen maakt de manieren', schrijft Stephen Graham (1884-1975) in zijn onvervaarde stapboek Het geluk van de wandelaar uit 1926. Hij cultiveert er de ‘Fernweh’ en bezingt het bucolische verlangen om te ontkomen aan de sleur van alledag, richting een ongewisse bestemming. Graham biedt ook talloze praktische tips voor onderweg, zoals over hoe je het best kan ‘opdrogen na de regen.’

Frédéric Gros, Wandelen. Een filosofische gids, De Bezige Bij, vertaling Liesbeth Van Nes, 23,99 euro.

Stephen Graham, Het geluk van de wandelaar, Uitgeverij Oevers, vertaling Paul van der Lecq, voorwoord Matthijs Deen, 238 p., 21 euro.


Ultieme beproeving

We moeten alleen zijn en door iedereen verlaten als we aan een geesteswerk willen beginnen.' Maar het schrijven aan zijn ultiem musicologisch boek blijkt een beproeving, ja, een verschrikking voor Rudolph, de gramstorige, zieke Weense hoofdpersoon van Beton (1982). In deze sublieme tekst van Thomas Bernhard (1931-1989) verzwelgen we in een lange monoloog over aan het waanzinnige grenzende uitstelgedrag, huiselijke ellende en pijnlijk falen. ‘Ik zal kalm worden en beginnen, zei ik tegen mezelf. Telkens zei ik tegen mezelf, ik zal kalm worden en beginnen, maar toen ik het wel honderd keer had gezegd en gewoon niet kon stoppen met dat te zeggen, gaf ik het op. Mijn poging was mislukt.’ De vertaling is evenzeer een huzarenstuk.

Thomas Bernhard, Beton, Vleugels, 118 p., 24,50 euro. Vertaling Ria van Hengel.


De lust van het combineren

Een originele essaybundel over de lust tot combineren van op het eerste gezicht tegenstrijdige of zelfs botsende ideeën. Vrij Nederland-chroniqueur Carel Peeters onderzoekt de dynamiek van bijvoorbeeld emotie die met verstand in de clinch ligt. En 'moed is niets zonder een periodieke lafheid'. Vijftig prikkelende essays over onder meer Rudy Kousbroek, Roland Barthes, Friedrich Nietzsche, Wisława Szymborska en zelfs Jordan Peterson. Maar ook over hebzucht, eenzaamheid of 'optimistisch pessimisme'.

Carel Peeters, Lof van de combinatie, De Harmonie, 326 p., 24,90 euro.


Biografie van ‘dubbelman’ Marnix Gijsen / Jan-Albert Goris

Een moedige onderneming is het van biograaf Bert Govaerts, die eerder al het leven van Ernest Claes en politicus Albert De Vleeschauwer in kaart bracht: een biografie van Marnix Gijsen (1899-1984), ooit zo alomtegenwoordig in de Nederlandstalige en Vlaamse literatuur én een auteur naar wie zelfs ooit een tulpenbol werd genoemd. Zijn onophoudelijke stroom romans waren meestal ik-vertellingen 'die aan het morele zenuwstelsel van zijn tijd raakten', aldus de biograaf. En ook over het gewicht van de burgerlijkheid, de oorlog der seksen of het afscheid van God. Succes boekte hij met Joachim van Babylon. Gijsen metamorfoseerde van een katholieke Antwerpse burgerzoon én flamingant tot een cabinetard én later diplomaat in New York, die sterk afstand nam van het geloof en de vrijzinnigheid predikte. Maar hij haalde op latere leeftijd ook in columns mopperend uit naar homo’s, de apartheid, ‘moderne muziek’ en ’taalverloedering’.

In 1974 werd Gijsen bekroond met de Prijs der Nederlandse letteren en in 1978 schreef hij nog het Boekenweekgeschenk Overkomst dringend gewenst. Op latere leeftijd werd hij verguisd door onder meer Jeroen Brouwers, Maarten ’t Hart en Tom Lanoye, en zijn stijl moest het ontgelden. Zijn reputatie slonk zienderogen: Gijsen raakte na zijn dood snel vergeten. Zijn Klaaglied om Agnes is al bij al nog zijn bekendste roman gebleven, vaak als verplichte literatuur voor scholieren. Govaerts klaart zijn klus keurig, in een vrij evenwichtige biografie, met aandacht voor de tijdgeest. En de biograaf schuwt ook de kritiek niet of het moment waarop de ontluistering inzet én Gijsen uit de gratie valt. Ook zijn kleine kantjes worden ons wel degelijk geserveerd.

Bert Govaerts, Dubbelman. Een biografie van Marnix Gijsen & Jan-Albert Goris, Houtekiet, 29,99 euro.


POËZIE

Aanstekelijke hoop

Carl Norac werd Dichter des Vaderlands toen onze wereld gevaarlijk wankelde. Maar hij liet zich niet uit zijn lood slaan. Vreemd ook: de werkelijkheid betrappen, maar tegelijk de traagheid prediken, zoals Norac deed. 'Ik ben besmet met poëzie, met aanstekelijke hoop. Onder mijn vingers broeit een lichte koorts, waarmee ik je graag aan wil steken, zo, met liefkozende lippen', schreef hij. In De Keerzij van de toestand zijn Noracs gedichten verzameld uit deze turbulente periode, vol sprankels licht. Het is meteen een balans van 'twee jaar ontmoetingen, gezichten, korte ontsnappingen, woede, verwondering.' En, zo noteert hij ook: 'Ik herinner me dat gedichten bij grote rampen niet veel betekenen, maar ook dat ze niet niets betekenen.' Norac is als Dichter des Vaderlands nu opgevolgd door Mustafa Kör.

Carl Norac, De keerzij van de toestand (L’envers des circonstances), Maelstrom/Poëziecentrum, vertaling Katelijne De Vuyst, 222 p., 18 euro.


De postume K. Schippers

De vorig jaar overleden P.C. Hooftprijswinnaar K. Schippers (1936-2021), stichtend lid van Barbarber, was een van de grootste speelvogels van de Nederlandse letteren, stoeiend met toeval en taal. Hij trad de wereld met haast kinderlijke onbevangenheid én gevoel voor het absurde tegemoet. In de nagelaten bundel Je moest me eens zien gaat hij door op dat elan én laat hij het gewone oplichten, in bijvoorbeeld ‘Toevalsaanrakingen’: ‘Me afdrogen/met de handdoek/waarmee je je/ hebt afgedroogd/brengt me/nog dichter/bij je.’ Maar zijn nakende afscheid én ziekte kleurde de poëzie evenzeer. Het gedicht ‘Diagnose’: ‘Als het me niet was verteld,/zou ik niet weten dat ik het heb’. En ‘Lege bladzij’: ‘Kom hier liggen, bladzij, werk mee/je omgeving zichtbaar te maken,/alsof je er altijd bent geweest.'

K. Schippers, Je moest me eens zien, Querido, 84 p., 18,99 euro.


«