Plakkerige verzen. Over 'Villa Allucina' van Annemarie Estor

Emiel Roothooft

Hoe vaker je Villa Allucina leest, hoe zoeter het wordt. In de laatste bundel van Annemarie Estor (1973) krijgt de smaak een ereplaats, totdat je lippen ervan op elkaar plakken. Como, het hoofdpersonage van dit verhalende gedicht, volgt de betoverende Nala naar haar villa op een eiland in een meer. Tijdens zijn tocht door ‘Villa Allucina’, die voluit wellicht ‘Villa Allucinazione’ oftewel ‘Villa Hallucinatie’ heet, waant Como zich het ene moment in een magische en exotische antiekwinkel, tot de nok gevuld met objecten uit alle windstreken, het andere in het huis van de heks uit Hans en Grietje, die naast veel lekkers ergens ook macabere collecties heeft liggen. Como ziet er abstracte noties als delicatessen voorbijkomen: ‘schijfjes ideologie’, ‘Potten optimisme in bier’, ‘Kersen in Slaap’, ‘Aardbeien in Woede’, ‘gefermenteerde jaloezie’. Alles lijkt eetbaar ten huize Nala.

 

Stroperigheid

Al vanaf de eerste verzen schuilt er in de zoetheid van het landschap ook gevaar. De wolken, die als ‘imposant licht[e] en gigantische[e]’ ‘zoete toetjes van eiwit en basterdsuiker’ lijken op meringue, smaken niet alleen als snoep, maar roepen ook plakkerigheid op. Onder die hemel zal Como het genot achternagaan, goed wetende dat hij eraan ten onder kan gaan:

 

Alleen hij

kon zichzelf in die wolken verliezen:

hij, die niet bang was

te bezwijken aan verrukkingen.

 

Hoe meer hij in de ban van Nala geraakt, hoe meer hij zich voelt verdrinken. Niet in goed navigeerbare vloeistoffen, maar in dikke gelei:

 

Ik zonk weg in een stroperige,

verslavende afsnoep.

Ik werd een zwemmer

onderin een honingpot.

 

En door de verzen pagina na pagina steeds zwarter en dikker te drukken, wordt die stroperigheid typografisch mooi kracht bijgezet.

Stuk per stuk schakelen Como’s andere zintuigen uit: ‘Ik zoek je / met stroop in mijn ogen’; ‘De rookwalm beet zuur in mijn neus’. Maar ironisch genoeg komt daardoor ook Nala’s lokroep niet meer aan. Wanneer zij hem aanspoort van het balkon te springen, hoort hij niets. Hij is intussen zo verdoofd, dat hij in plaats van te handelen (i.e. zelfmoord plegen) alleen maar kan ondergaan.

 

Een drugskot

Villa Allucina leest als een metafoor voor de afdaling in het blinde, ongeleide verlangen. Slaap, verdoving, trance en dronkenschap komen geregeld terug in Estors taal. Como’s volgzaamheid leidt niet naar een welbepaald doel of een afgelijnd object; hij eindigt bij de roes. Na eerst kamers vol objecten te hebben tentoongespreid, geeft de villa uiteindelijk al zijn geheimen prijs. Het is een drugskot, alle pogingen tot verbloeming ten spijt:

 

Vele van de kamerbewoners waren kneiterstoned

van de glooiende, oneindig bedwelmende velden meiklokjes:

de slierten verslaving aan lelietjes en hun dalen

hingen zichtbaar in de kamer.

 

En de zoetheid van in het begin smaakt niet meer:

 

Een heel erg smerige wolk

voer voor de zon.

 

Het leek of iemand

eieren had verbrand.

 

Toch weet Como uit zijn ‘overdosis’ moed te putten, hoe moeilijk zijn nieuwe levenspad ook wordt:

 

Vanaf hier zou alles terugkeer zijn,

            ontkenning,

                        teruggang,

                                   afgang.

 

Dat is een behoorlijk goed einde voor Como, wetende dat hij voor even al zijn interesse in de wereld was kwijtgeraakt. Wat begon als een open, niet-dogmatische houding was onverschilligheid geworden. In het begin leren we hem namelijk kennen als iemand zonder vaste kijk op de wereld. Of alles nu een vooraf bepaald doel heeft, maakbaar is of als een film voor onze ogen wordt afgespeeld, Como pint zich nergens op vast. Alles is nog vloeibaar bij hem, maar door zijn ‘hondsdolheid zonder komaf’ – een wild verlangen zonder oorsprong noch bestemming – is hij ook een gemakkelijke prooi.

Como heeft iets weg van Faust (‘en leende hij zijn ziel zorgeloos uit’). Hij is op zoek naar het mooie, dat volgens hem eveneens het goede en het ware is. Op het eerste gezicht biedt Villa Allucina hem dat want daar ‘leek het of het goede, het ware en schone / hun oorsprong en bestemming / lang gevonden hadden’. Zijn intuïtie over het bestaan van een hogere schoonheid is vervlochten met zijn seksualiteit: ‘Alles wachtte op hem / in een plechtige bikini.’ Op platonische wijze meent hij door Nala te volgen op te kunnen klimmen van het sexy meisje naar het Schone als idee. Nala heeft iets van allebei:

 

Hoog was haar blik.

 

Statig en glazig haar lijf.

Iets adellijks sierde haar buik.

 

Ze belooft hem ook een nieuwe kijk op het leven, niet langer beperkt tot zijn enkele perspectief. Voor haar behoort alles tot één geheel, geborduurd door ‘een krankzinnig wezen / al net zo snik als jijzelf’.

 

Natuurlijke suikers

Net als Villa Allucina’s beloftes op gastronomisch genot houden die op seksueel en spiritueel genot risico’s in. Erdoor verblind zijn, door welk soort verlangen dan ook, is nooit goed. Schoonheid heeft altijd een keerzijde, zoals wanneer Como op het strand ligt, ‘bespied / door monsterlijke larven van libellen’. Prachtige insecten waren, zijn of worden ook wel eens walgelijk; de vele vogels in Villa Allucina zijn ook maar vlees en veren rond een doodskop.

Estors taal is dicht en filosofisch. Haar poëzie moet het hebben van de afdronk. Niettemin zijn er formuleringen die onmiddellijk tot de verbeelding spreken. Zo beschrijft ze ‘iets groots // dat met een omvangrijke, langzame, / bijna meerlettergrepige plons in het water viel’. Of ook: ‘Het zand in de garage was lang geleden doodgegaan / maar de muren bukten zich.’ Uit haar woordgebruik blijkt ook een gevoel voor subtiele auditieve en visuele associaties: niet hersens maar boom-gelijke ‘harsens’ worden tegen de muur gedrukt na ‘het uitgelaten geweld / van beukende spechten’; ‘scribenten’ schrijven ‘in krasse concentratie’, waardoor het geluid van hun pennen op perkament geen verdere omschrijving behoeft. Het enige dat tegensteekt is de nogal kindse aanmaning aan het begin van Como’s relaas: ‘Luister, luister / naar Como’s avontuur. // Ga / overstuur.’ Er zijn genoeg natuurlijke suikers in Villa Allucina om zo’n kunstmatig lokmiddel niet nodig te hebben.

 

BIBLIOGRAFIE

Annemarie Estor, Villa Allucina. Poëziecentrum, Gent, 2026.

Emiel Roothooft over Annemarie Estor

PDF – 81,3 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.