Over Marc Reugebrinks 'De vrouw die niet bestond'

Anne van den Dool 

Nederland bevindt zich op dit moment midden in een heropleving van de #MeToo-beweging, die enkele jaren geleden de wereld overspoelde. Het was de negatieve publiciteit rondom Hollywood-producent Harvey Weinstein en de daaropvolgende ontboezemingen van meerdere vrouwen in de filmwereld die in oktober 2017 een storm aan verhalen ontketende van miljoenen mensen over de hele wereld die zich in de vernederingen herkenden.

Hoewel die storm in de afgelopen vier jaar nooit helemaal ging liggen, deed het schandaal rondom The Voice of Holland opnieuw stof opwaaien. De talentenshow voor aanstormend zangtalent, een van de populairste op de Nederlandse buis, zou bol staan van #MeToo-schandalen. Van de bandleider tot de juryleden: tegen vrijwel iedere bij het programma betrokken man werd zo ongeveer aangifte gedaan.

Wanneer mogen we spreken van grensoverschrijdend gedrag? Die vraag bleef tijdens dat debat circuleren. Vrouwelijke slachtoffers deinsden terug om het woord ‘verkrachting’ in de mond te nemen, omdat ze niet hadden tegengestribbeld. Ze hadden hun grenzen niet goed aangegeven, en wanneer grenzen er niet zijn, kun je ze ook niet overschrijden, was de gedachte. Terwijl, zo weten we uit onderzoek, een van de meest gangbare manieren om te reageren op ongewenste aanrakingen verstijving is.

Barbiepop

Tegen de achtergrond van die discussie zijn sommige delen van De vrouw die niet bestond, de nieuwste roman van Marc Reugebrink, wat ongemakkelijk om te lezen. We worden deelgenoot van de aan sterrendom grenzende populariteit van universitair docent Elias Kroon, die zijn studentes in katzwijm laat vallen met zijn appetijtelijke uiterlijk en zijn filosofisch welhaast onnavolgbare ideeën.

Maar we beginnen het verhaal niet bij Kroon als universitaire ster, maar als vader. Als gebrekkige vader, welteverstaan. Dochter Anna, door wier ogen we de eerste hoofdstukken van de roman beleven, beweert direct in de eerste zin van haar relaas dat ze ‘Elias Kroon nooit werkelijk gemist’ heeft. Ze was zes toen hij zich uit de voeten maakte, zomaar van de ene op de andere dag. Ze herinnert zich nog ieder detail: de kleding die haar moeder droeg, de manier waarop ze haar benen onder zich gevouwen had terwijl ze, zittend op de bank, telefoontje na telefoontje pleegde. Zelfs de barbiepop waarmee Anna speelde, kan ze zich nog helder voor de geest halen, en dan met name de manier waarop ze de haren uit het hoofd kon trekken om ze langer te maken, en hoe ze terugschoten als je er nog een kort rukje aan gaf, als het snoer van een stofzuiger.

Dat klinkt als een vrij morbide situatie, en dat is het misschien ook. Maar voor Anna had het uittrekken van het haar ‘niets pijnlijks’. Het beeld, dat in de roman meerdere malen terugkeert, geeft misschien iets weg van de gangbaarheid waarmee zich in Anna’s jeugd klein leed voltrok. Anders zou haar vader, die ze standvastig blijft aanduiden met voor- en achternaam, misschien niet vertrokken zijn, en had zij daar misschien wel meer gevoelens bij gehad.

Waar Kroon naartoe ging, bleef lange tijd een raadsel. Hoewel: we hadden het misschien kunnen weten, want het eerste wat we over zijn gedachtespinsels lezen is dat hij altijd beweerde dat ‘de onvrijheid van mensen in landen achter het IJzeren Gordijn, in sommige Zuid-Amerikaanse staten en in Zuid-Afrika de voorwaarde was voor ons gevoel van vrijheid’. Algauw wordt de aandacht van de lezer echter verlegd naar de meisjes die aan Kroons lippen hangen, die zich zelfs inschrijven voor zijn colleges als zijn vakken niet in hun pakketten passen. Ook de jongens zijn van hem onder de indruk, maar dan vooral van de bedoelingen van de uitweidingen waarin Kroon zichzelf geregeld verliest.

Andere tijd

Op de korte kneepjes in armen en handen op schouders van jonge studentes zouden we nu een vergrootglas leggen. Maar we bevinden ons in een andere tijd, vlak voor de val van de Berlijnse Muur, en dus zijn de wilde verhalen over studentes die naaktfoto’s van zichzelf onder Kroons neus proberen te schuiven niet meer dan vormen van bewondering.

Hoewel: natuurlijk begint er toch iets te kriebelen, zeker met dat beginbeeld van het verlaten gezin in ons achterhoofd. Zeker wanneer ons wordt verteld dat die sterrenstatus van Kroon eigenlijk maar relatief is: buiten de faculteit Letteren en Wijsbegeerte kennen maar weinig mensen hem, ook omdat zijn papers zelden worden gepubliceerd. Het blijft bij losse ideeën, krabbels en verhandelingen, waarin net zo weinig samenhang te vinden is als in het curriculum dat hij – tussen aanhalingstekens – doceert. Het is zelfs niet precies duidelijk onder welk vakgebied hij het best te plaatsen valt: filosofie, sociologie, politicologie, literatuur – het is van alles wat.

Kroon als orakel. Een orakel dat nooit veel aandacht heeft gehad voor zijn dochter, wie het vaderschap koud lijkt te laten. Hij heeft meer oog voor zijn aanbidsters, ondanks de schoonheid van Anna’s moeder. Zijn gezin laat hem zelfs zo koud dat hij van de ene op de andere dag vertrekt – naar Berlijn, blijkt later. ‘Hij heeft daarginds een vrouw’, blijft haar moeder, als een soort mantra, herhalen.

Een afwezige vader, dat moet volgens freudiaanse theorieën wel tot lesbische praktijken leiden. En inderdaad: Anna ‘heeft zich met jongens nooit goed raad geweten’, en dus schakelt ze over op de meisjes. Haar liefdesleven start bij de ruwe tomboy Saskia en eindigt bij de zachte Julia, haar huidige geliefde, die tijdens een tripje naar Parijs toeziet hoe Anna in het Louvre stilvalt bij het beroemde schilderij De Vrijheid leidt het volk van Eugène Delacroix. Wie het ziet, herkent het meteen: een vrouw met ontblote borsten zwaait te midden van oorlogsgeweld met een fier wapperende Franse vlag.

Ook Anna herkent het, maar niet van plaatjes. Hoewel ze zojuist nog tegenover Julia beweerde nooit eerder in Parijs te zijn geweest, dringen zich nu herinneringen op aan de laatste keer dat ze hier was: met haar vader liep ze door de gangen van het reusachtige museumgebouw en stonden ze stil bij dit meesterwerk, waar ze gesprekken voerden over het mutsje dat de vrouw draagt en de reden van haar ontblote bovenlijf. Wat volgt, is een lesje in socialisme dat Kroon maar al te graag geeft: het is de politieke oriëntatie die door al zijn colleges, aantekeningen en uitweidingen sijpelt.

Berlijnse commune

Anna is er stil van, deze confrontatie met een vroege herinnering aan haar vader. Zo vroeg dat ze die heel lang had weggestopt, als haren die weer in een barbieschedel kunnen verdwijnen, maar die nu weer losgetrokken worden en zich in al hun lengte laten zien. Wat volgt, is een lange mijmering over de manieren waarop haar vader uit Anna’s leven werd gewist, tot zelfs haar moeder haar achternaam in de hare liet veranderen.

Tegenover Julia blijft Anna angstvallig stil. Wanneer ze toch begint te spreken, is dat in onsamenhangende zinnen, die Julia beantwoordt met een opgetrokken wenkbrauw. Want wie is toch die Elias Kroon over wie ze het in iedere zin heeft?

Op dat moment schakelen we over naar het perspectief van Kroon zelf, tot dat moment in nevelen gehuld. Hij is op weg naar Berlijn, waar even daarvoor de Muur is gevallen. Dat was zijn reden om op de trein te stappen, en geen maîtresse, zoals door zijn vrouw altijd werd gedacht. Kroon zwerft door de stad, komt terecht in een wilde wereld met veel gelijkgestemden, met vreemde korte namen als Torte en Beate, levend in een soort communevorm waarin Kroon zonder veel moeite wordt opgenomen.

Ondanks de wisseling van omgeving, van de theoretische schoolbanken naar de weerbarstige praktijk, behoudt Kroon zijn filosofische verteltrant. Hij beziet de wereld om hem heen nog steeds door de ogen van een analyticus:

 

Geschiedenis is ook een lichaam, dacht hij. De historische gebeurtenissen, de verhalen die verteld worden, de mate waarin die verhalen als een niet te relativeren, want in deze contreien immers als wetenschappelijk voorgestelde waarheid worden opgedist – het kruipt onder de huid, het bepaalt de wijze waarop de mensen kijken, lopen, hun hoofden bewegen. Het vertaalt zich onwillekeurig in gebaren die iedereen die die geschiedenis deelt onmiddellijk begrijpt.

 

Kroon blijft een denker, geen doener. De enige strijd die hij aangaat, is er een op kleine schaal, wanneer hij onfatsoenlijk wordt toegesproken door een conducteur. Hoewel zijn denkbeelden bij deze plek mogen passen, is het maar de vraag of dat ook geldt voor zijn levenshouding.

In een volgend deel keren we terug naar het perspectief van dochter Anna, die heeft besloten op zoek te gaan naar sporen van haar vader. Het is juli 2007 en ze huurt een kamer bij een hospita in Berlijn. Via brieven aan haar geliefde Julia lezen we hoe ze steeds een stukje dichter bij mensen komt die haar vader hebben gekend. Eerder had ze in oude dozen op zolder zitten rommelen, waar ze briefjes van haar vader aan haar moeder aantrof, met de Duitse hoofdstad als plaatsaanduiding. Daar ontdekt ze via via dat ze misschien wel meer voor haar vader betekende dan ze tot dan toe altijd vermoedde.

Antiheld

Want dat is waar Anna’s zoektocht werkelijk om lijkt te gaan: niet alleen meer te weten te komen over Elias Kroon, de onaantastbare wiens achternaam boekdelen spreekt, maar vooral of hij misschien toch meer voor haar voelde dan ze altijd heeft gedacht. In die zin hunkert ze net zo naar zijn aandacht en erkenning als de meisjes die op de universiteit om hem heen zwermden, zij het met andere intenties.

Reugebrink, die in 2008 De Gouden Uil won voor Het grote uitstel en werd genomineerd voor De Inktaap en de Gerard Walschapprijs, zet met name Kroon sterk in de verf. Ook wij willen als lezers meer weten over die mysterieuze man en zijn bijzondere denkbeelden, en begrijpen daarmee de hunkering van Anna maar al te goed. Dat de schrijver zich goed heeft verdiept in de tijd en het vakgebied van zijn personage, blijkt wel uit de lange lijst met noten die achter in het boek is opgenomen, en die een intrigerend spel met de werkelijkheid laten zien. Daarin zijn echter ook Duitse citaten (‘Sind Sie taub oder was…’) opgenomen die we prima zelf hadden kunnen vertalen, waardoor de geleerdheid soms omslaat in belerendheid.

Het is daarnaast de vraag of de opbouw van de roman wel zo goed werkt, met afwisselend scènes die Kroons sterrenstatus moeten typeren, terugblikken naar Anna’s jeugd en Kroon als personage onttoveren in het middelste deel van de roman. Eerder overheerst op dat leesmoment de teleurstelling van de held die een antiheld blijkt te zijn, of dat stiekem al die tijd al een beetje was.

Desalniettemin overheerst de bewondering waarmee Reugebrink zijn verschillende personages een eigen stem heeft weten te geven, in de woorden die zij ook voor zichzelf gekozen zouden hebben. Dat het slot hoopvol stemt over de band tussen vader en dochter, maakt dat we de roman met tevredenheid kunnen dichtslaan: de overeenkomsten tussen de twee wegstoppers blijkt groter dan gedacht.

BIBLIOGRAFIE

Marc Reugebrink, De vrouw die niet bestond. Querido, Amsterdam, 2022.

Anne van den Dool over Marc Reugebrink
PDF – 120,8 KB

«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.