Inleiding

Patrick Bassant, Jan Daems, Arnout De Cleene & Yves Petry

Smaakmaker bij DW B 2021 3: Schreeuwen op de markt. Excentrische literatuur

‘Excuses voor de 500 pagina’s, minder lukte niet.’


‘De gedichten moet u achterstevoren lezen.’


‘Mocht het niet bevallen. Ik heb op de andere computer nog 1000 gedichten staan.’


‘Het is de zoveelste e-mail maar nu ga ik echt stoppen. Dank voor publicatie!’

I

Bijna veertig jaar na het verschijnen van Jacq Vogelaars themanummer Gestoorde teksten in het literaire tijdschrift Raster, lijkt het tijd voor een nieuwe publicatie over wat vaak ‘outsiderliteratuur’ wordt genoemd. In een klimaat waarin diverse psychiatrische voorzieningen creatieve ateliers en schrijfgroepen oprichten, lijkt het een legitieme opzet om de schijnwerpers te richten op ‘brute’ teksten van psychisch kwetsbare mensen. De laatste decennia valt een groeiende belangstelling op te tekenen voor ‘outsiderkunst’ en in het verlengde daarvan voor ‘outsiderliteratuur’. Psychiaters hebben in hun patiëntenbestand allemaal wel enkele boeiende schrijvers die hun ideeën toevertrouwen aan het papier, vaak zonder oogmerk tot publicatie. Schrijvers uit het klassieke literaire veld vertonen niet zelden een fascinatie voor waanzin, depressie, destructie en laten in hun romans veelvuldig personages aan de zelfkant van de maatschappij opdraven.

Maar waar hebben we het eigenlijk over?

Het vierkoppige curatorenteam – wit, mannelijk en ‘insider’ – startte enthousiast aan een themanummer waarvan de focus gaandeweg minder evident, ja zelfs enigszins troebel werd.

We deden een gerichte oproep aan schrijversateliers in psychiatrische instellingen in Vlaanderen en Nederland – waarvan Leni Van Goidsenhoven er in dit nummer enkele onder de loep neemt –, gebruikten het eigen netwerk om getalenteerde patiënt-schrijvers naar voren te schuiven en te putten uit archieven. We hielden rekening met de verwachtingen van de auteurs en de schrijfateliers en compenseerden zo ons profiel met gevarieerde vormen van in- en tegenspraak.

Ook bleek ‘outsiderliteratuur’ een controversieel concept dat hoewel ooit emancipatorisch bedoeld, nu veelal als stigmatiserend ervaren wordt. Je moet natuurlijk altijd oppassen als literatuur wordt gedefinieerd aan de hand van de sociale status van de schrijver. De term ‘outsiderliteratuur’ zorgde dus voor beroering, zowel bij de insider-auteurs als de psychisch kwetsbare schrijvers die we contacteerden. Het bleef zoeken naar een minder beladen term.
Over deze beroering en de (on)zinnigheid van de term schrijft psychiater en kunstenaar Erik Thys in zijn essay ‘De potloodmethode’. ‘De kern van deze kijk’, zo stelt hij, ‘is het idee dat al deze mensen over een ongerepte, natuurlijke, niet door de cultuur verloederde creativiteit zouden beschikken.’ Net deze vermeende ongerepte creativiteit geeft echter (nog steeds) voeding aan de fascinatie voor het werk van psychisch kwetsbare schrijvers en speelt allicht érgens in de duistere krochten van het verzameld brein van de samenstellers. We staan daarin niet alleen.
Arnout De Cleene, medesamensteller, gaat in zijn essay op zoek naar de heldere en duistere beweegredenen van bloemlezers die zich buigen over ‘outsiderliteratuur’ of, zoals we dit nummer finaal noemden, ‘excentrische literatuur’.

‘Excentrische literatuur’ is het onzekere resultaat van lange discussies. ‘Excentrisch e literatuur’ – en niet ‘excentrieke auteurs’ – legt de klemtoon op de teksten. Het zijn teksten die ontstonden en circuleren in vaak weinig toegankelijke of ongekende omgevingen: van de zolders van psychiatrische instellingen, over idiosyncratische teksten die nooit vertaald raakten, tot een wekelijks schrijverscollectief in een kunsthuis voor personen met een psychische kwetsbaarheid of een privécollectie van een zorgzaam familielid. Maar ook ‘excentrische literatuur’ schiet als term – net als ‘outsider’, ‘bruut’, ‘gestoord’, enzovoort – overduidelijk tekort.
Vast staat dat veel van de auteurs die hier aan bod komen zelden terug te vinden zijn in de literaire wereld. Er wordt ontzettend véél geschreven door auteurs met een psychische kwetsbaarheid en dit vaak in de grootste anonimiteit. Dat kunst niet wordt gemaakt om een publiek te bereiken of te behagen, sluit evenwel niet uit dat het door datzelfde publiek wel degelijk wordt gesmaakt – als het maar bij een publiek raakt. ‘Excentrische literatuur’ maakt het, als term en als opzet, mogelijk dat publiek aan te spreken en een ingang te forceren tot de literaire wereld. De geselecteerde teksten mogen en moeten ‘schreeuwen op de markt’ – de aan Wim Maljaars ontleende hoofdtitel voor dit nummer.
De hier verzamelde teksten vertonen enkele opmerkelijke familietrekken. Vaak speelt het fenomeen muziek er een rol in – referenties aan popmuziek, de songtekst als genre, stilistische muzikaliteit. Je treft herhalingen aan, thematische obsessies, woeste associaties. Er is de (voor de lezer niet zichtbare) veelheid van teksten per auteur waaruit geselecteerd werd. Er zijn de experimenten met collectieve vormen van schrijven. Maar laten deze eigenschappen toe deze teksten te markeren als anders dan andere (zogenaamd ‘reguliere’) teksten? Hetzelfde geldt voor het schrijfproces: is dat wezenlijk anders dan bij de zogenaamd niet-outsider?
Filosoof en ervaringsdeskundige Wouter Kusters beschrijft een drang om te schrijven die clinici vaak herkennen als een schrijven om niet te imploderen. ‘Een belangrijke motivatie om het schrijven te vervolgen’, zo lezen we, ‘ligt in de intensiteit en het grote belang van de inzichten die men al schrijvende, al denkende, meent te genereren én te ontvangen. Wat zich voordoet, lijkt zo waardevol dat men bang is dat het verdwijnt als het niet onmiddellijk wordt vastgelegd voor later.’ Een vergelijkbare
bezetenheid door woorden, zij het daarom niet per se door betekenis, bespreekt filosoof en psychoanalyticus Paul Moyaert in zijn presentatie van het schizofrene geval Wolfson, die zich door zijn moedertaal zodanig belaagd, gekwetst, gemarteld voelt dat hij via ingewikkelde tactische spelletjes in secundaire talen probeert te ontkomen aan de vernietigende werking van de primaire taal. Hier zien we de outsider aan het werk als een soort insider, een ingewijde in geheime kwellingen die wij als eerder
conventionele taalgebruikers nooit echt zullen begrijpen. Of het taalspel van de schizofreen automatisch ook poëzie genoemd mag worden, trekt Moyaert in twijfel, wat  dan weer kan ingaan tegen de teneur van het bovenstaande. Maar waarom ook niet?
In elk geval staat het primaire werk in dit nummer centraal. Onze oproep leidde tot een geduldig teksten delven uit kartonnen schatkamers in een beschutte woonvorm en contacten met erven van auteurs die intussen naam maakten, zoals J.M.H. Berckmans, Sophie Podolski, Jos Steen en Jean Jacques Abrahams, en resulteerde in publicatie van auteurs die veel meer aandacht verdienen, onder wie Maarten Otten, Jan-Bart Leo, Wim Maljaars en Vincenzo. Daarnaast publiceren we ook beeldend werk, recent opgedoken ongepubliceerde foto's uit de laatste maanden van J.M.H. Berckmans, door Dirk Vermeire, en beeldend werk van Jos Steen en Maarten Otten (zie p. 153).
Schrijvers en kunstenaars uit het reguliere veld gingen in interactie met bewoners van residentie Villa Voortman, Peter Holvoet-Hanssen werkte met patiënt-schrijvers uit het psychiatrisch ziekenhuis Bethanië in Zoersel aan een groepsgedicht, Hugo Franssen presenteerde werk van schrijvers uit Kunsthuis Yellow Art in Geel. Het resultaat is een intrigerende veelheid aan gedichten, proza, non-fictie, semibiografische stukken, getuigenissen van ervaringsdeskundigen en liedjesteksten. Duik in dit excentrische en eigenzinnige nummer en ontdek de onconventionele kracht van literatuur.

 


«