Aflevering 1 - Fixdit, een manifest van wisselende makelij

Gepubliceerd op 16 mei 2023 om 12:16

Dirk Leyman, literair journalist en writer-at-large bij DW B, schrijft in deze heropgestarte rubriek Feuilles Volantes regelmatig een soms polemisch getinte beschouwing. Over actuele literaire gebeurtenissen, een opmerkelijke publicatie, een boekentendens of de schrijverswereld. Met geslepen pen & af en toe een schot voor de boeg. Zijn eerste bijdrage gaat over Optimistische woede, het manifest van het collectief Fixdit.

Eind vorig jaar verscheen Optimistische woede. Fix het seksisme in de literatuur. Daarin tonen elf Nederlandstalige vrouwelijke auteurs en essayisten zich verontwaardigd over de ‘ongelijke positie van vrouwen in de letteren’. Dat veel mensen openlijk toegeven dat ze amper boeken van vrouwelijke schrijvers lezen zit hen dwars, hoewel het merendeel van de literatuurlezers nochtans uit vrouwen bestaat. Daarom verenigden ze zich in het collectief Fixdit. Sleutelen aan de canon en de kussens in de literaire wereld opschudden, dat is het opzet, om strijdvaardig de literaire positie van de vrouwelijke auteur gevoelig te verbeteren. De vonk werd al gegeven in 2019 toen de Nederlandse stichting CPNB vreemd genoeg ‘alwéér geen vrouw’ had weten te vinden voor het Boekenweekgeschenk. Daar is verandering in gekomen: tegenwoordig worden gelijkelijk mannen en vrouwen aangezocht voor het Boekenweekgeschenk en Boekenweekessay. Voortrekkers van Fixdit zijn onder meer Annelies Verbeke, Gaea Schoeters, Christine Otten, Jannah Loontjens, Rachida Lamrabet, Manon Uphoff en Yra van Dijk.

‘Wij geloven natuurlijk niet in een complot, een evil masterplan of iets dergelijks, waarbij machtige mannen aan de touwtjes trekken. De machtsongelijkheid is het gevolg van een culturele erfenis van eeuwen’, klinkt het bij Gaea Schoeters in een interview in de Volkskrant. Maar wie verantwoordelijk is voor dat geviseerde seksisme, wordt niet meteen duidelijk.

Fixdit stroopt de mouwen op, met vrij concrete initiatieven, die in Optimistische woede toegelicht worden. Zo maken ze onder meer een podcastreeks ‘Moderne klassiekers’ waarin schrijvers Annelies Verbeke en Jannah Loontjens (soms vergeten) vrouwelijke auteurs – zoals bijvoorbeeld Virginie Loveling, Lin Scholte en Ida Simons - weer onder de aandacht willen brengen. Ook wordt er werk gemaakt van historische heruitgaven en is er dus het manifest, dat – zoals dat nu eenmaal gaat bij manifesten - nogal sloganesk klinkt én vooral voor eigen parochie lijkt te preken. De teksten in Optimistische woede – geschreven door de diverse initiatiefnemers - vallen daarbij nogal eens in herhaling en lijken op vrij korte termijn bij elkaar gepuzzeld.

Kloppen op dezelfde spijker

Het essay opent met een tekst van auteur Gaea Schoeters, die zich de laatste jaren met veel bombarie via sociale media een plaats op het publieke forum veroverde. Ze legt op menige slak haar portie zout. Als je lang genoeg op een spijker klopt, zo redeneert Schoeters, dan luistert men uiteindelijk wel. En ja, hoor, tegenwoordig staat ze te boek als opiniemaker en ventileert ze over ongeveer elk denkbaar onderwerp haar mening, overigens niet altijd consistent.

Onlangs kreeg Schoeters  van verschillende zijden – ook uit haar eigen achterban - de wind van voren door alvast preventief bedenkingen te spuien over de film Tár van Todd Field (met Cate Blanchett). Ze brandde die – in al haar voortvarendheid - meteen af, zonder dat ze de prent was gaan bekijken. Wat later dan toch gebeurde, goed voor – uiteraard - een zoveelste opiniestuk in De Standaard. Schoeters vond het ongepast dat een lesbische vrouw in een topfunctie (in casu een dirigente) hier in een positie van machtsmisbruik werd gemanoeuvreerd. Maar het weerwerk volgde: ‘Als vrouwen deze film geen kans ­geven, op basis van meningen van anderen, dat zou pas antifeministisch zijn. Het helpt het debat in elk geval geen meter vooruit’, repliceerde Annelies De Waele in De Standaard.

Schoeters’ inleidende bijdrage ‘Omdat we ervan af willen’ (in Optimistische woede) heeft iets onmiskenbaar doordrammerigs: ze verzekert ons trouwens te ‘blijven zeuren’. Ze maakt gewag van ‘structureel seksisme’, al komen daar relatief weinig argumenten of onderbouwing aan te pas, tenzij uitentreuren herhaalde riedeltjes. Het is een knotsbegrip waarmee ze driftig in het rond zwaait. ‘Grote Auteurs’ zijn altijd mannen, schrijft ze. Zou het echt? Die fase zijn we nu toch al een poos voorbij. Het zou geen overbodige luxe geweest zijn om dit manifest van een soort verklarende begrippenlijst te voorzien, zodat we preciezer weten waarover we spreken.

Soms gaat het er in haar essay nogal potsierlijk aan toe: Schoeters beweert zelfs dat orkanen met vrouwennamen minder ernstig worden genomen. En dat mannen in vergaderingen niets anders doen dan voorstellen van vrouwen weglachen en ‘vervolgens bejubeld worden als een man ze herhaalt’ – ‘hepeating’, heet dat. Zou het? Maar het omgekeerde komt ook voor. Niets is tegenwoordig eenvoudiger dan ideeën stelen, via sociale media bijvoorbeeld. En daar maken heus niet enkel mannen zich schuldig aan.

Nadenken mag je als vrouw pas als je de leeftijd van seksuele aantrekking voorbij bent, zo beweert Schoeters verder in haar stuk, dat wemelt van kort-door-de-bocht geponeerde oekazes. Welke leeftijd is dat dan precies, volgens Schoeters? Nochtans zien we in en op allerlei fora – gelukkig - veel jonge slimme vrouwelijke filosofen, veelbelovende denkers en schrijvers opduiken, van Martha Claeys tot Lotte Spreeuwenberg of van Tinneke Beeckman tot Miriam Rasch. Of is iemand als Stine Jensen uitgerangeerd als denker? Nee, toch? Wie heeft dan de blinde vlek?

Oh maar, wacht even, voert Schoeters een paar regels verder aan, in een spreidstand waar ze het patent lijkt op te hebben. De pers (waar ze zelf vaak voor schrijft), die heeft helaas wél een duidelijke voorkeur voor bepaalde vrouwtypen - kwestie van toch haar punt te maken: ‘Knip maar eens alle foto’s uit bij auteursinterviews, dan ziet u het vanzelf: jonge, mooie debutantes hebben een streepje voor. Geen uitgever die een vrouw boven de veertig durft te lanceren.’

Een paradoxale redenering? Want hoe zit het dan precies? Je mag nadenken vanaf je veertigste maar dan ben je maar beter niet meer knap? Het klinkt als een eerder seksistisch getinte vaststelling van Schoeters waarop je graag de reactie van collega-vrouwelijke auteurs zou willen horen. Hoezo, oudere of zelfs vergeten oudere vrouwelijke auteurs krijgen geen kansen? Er zijn precies ontzettend veel vrouwelijke schrijvers herontdekt de laatste jaren, om Clarice Lispector, Caroline Lamarche en Fleur Jaeggy niet te noemen – met stuk voor stuk indrukwekkende oeuvres. Uitgeverij Orlando specialiseert er zich zelfs in – brengt auteurs als Angela Carter of Katherine Mansfield uit, met ondergesneeuwde klassiekers - en ook uitgeverijen als Koppernik, Vleugels en Oevers doen een stevige duit in het zakje. Dat komt niet zomaar uit de lucht vallen. In Privédomein verschenen teksten van Andreas Burnier en Renate Rubinstein. En wat dan met de hernieuwde aandacht voor de Franse Annie Ernaux, 82 jaar intussen, en sinds begin oktober 2022 een Nobelprijs rijker?

Wil u nog meer ongeverifieerde uitspraken van Schoeters aftoetsen? ‘Of let eens op de aanbevelingsquotes op boeken; een blurb van een mannelijke collega is goud waard voor een vrouwelijke auteur, maar geen man die een aanbeveling van een vrouw op zijn cover zet.’ Ook dat valt makkelijk te weerleggen en behoort tot de categorie nattevingerwerk. Maar, herhaalt Schoeters steeds weer, ‘mannen aan de top bepalen nog steeds onbewust de literaire norm’. En voegt ze eraan toe: ‘Vrouwelijke auteurs hebben weliswaar hun schade ingehaald wat aanwezigheid, populariteit en productie betreft, maar qua waardering blijven ze achterophinken’. Ook deze uitspraak baadt in een verregaand waas. Er is net veel kritische waardering ontstaan voor vrouwelijke schrijvers, uit alle windstreken. Schoeters haalt ook uitspraken aan van de Librisjury uit 2007 en 2010 die allang achterhaald zijn.

Er lijkt trouwens in 2022 én 2023 weinig te mopperen voor Fixdit: ongeveer alle grote literaire prijzen zijn aan vrouwen of queerauteurs toegevallen: de Boonprijs ging naar Marieke Lucas Rijneveld, de Libris viel Mariken Heitman met Wormmaan toe en Anjet Daanje ontving voor Het lied van ooievaar en dromedaris de Boekenbon Literatuurprijs  in november en nu zelfs ook de Libris Literatuur Prijs. En dat geldt  voor de meeste poëzieprijzen: zo ging de Herman de Coninckprijs naar Alara Adilow en de J.C. Bloemprijs naar Iduna Paalman. In de media gaat tegenwoordig de ruimste aandacht naar vrouwelijke auteurs. In de meeste Nederlandse uitgeverijen staan vrouwen aan het roer en is het merendeel van de redacteuren en medewerkers vrouwelijk. De meeste Nederlandstalige boekenbijlagen worden door vrouwen geleid. Moeilijk voor te stellen dat dit Schoeters is ontgaan.

Voor Schoeters is er uiteindelijk maar één simpele oplossing: mannen moeten een lesje krijgen, ja, zelfs bijna een soort ‘Berufsverbot’ opgelegd worden. Kan het ongenuanceerder? ‘De beste oplossing is wellicht wereldwijd Lysistrata-gewijs de dijen te sluiten, de kookpitten dicht te draaien en de luiers onververst te laten tot mannen inzien dat gelijke rechten betekenen dat je samen de kaart van de werkelijkheid hertekent. Van nul af aan’, lezen we. Helaas staat het er zonder een sprankel ironie. Een gratuite uitspraak, waarbij Schoeters’ wereldbeeld kennelijk ook ergens in de fifties is blijven hangen. Kent ze werkelijk geen mannen die luiers verversen, huishoudelijke taken verrichten en behendig in de kookpotten roeren? Tijd voor een wake-upcall.

Het stigma van het ‘vrouwenboek’

Gelukkig draven niet alle auteurs in Optimistische woede zo door. Ze  brengen valabele argumenten aan waarom extra inspanningen wenselijk zijn, arceren pijnpunten én komen met waardevolle, haalbare suggesties. Of er wordt geijverd voor een dynamische canon en gewezen op manifeste lacunes in verouderde, eenzijdige leeslijsten.

Sanneke van Hassel ontleedt op soms wrang vermakelijke wijze het begrip ‘vrouwenliteratuur’ en de classificatie ‘vrouwenboek’ en stelt voor het nogal stigmatiserende begrip te verbannen. Annelies Verbeke schrijft in haar bijdrage: ‘Volgens mij is de enige manier om een bitse, energie slurpende strijd te voorkomen over de vraag welke vrouw in de plaats van welke man zal komen, een langere canonlijst creëren. (…) Ik zeg “aanvullen” in plaats van “aanvallen”.’ Ze denkt daarbij aan Carry van Bruggen en Hella S. Haasse. Niet alle auteurs zijn dus gebrand op een loopgravenoorlog tussen de seksen en beseffen dat deze kwestie nuance en samenwerking vereist. Jannah Loontjens merkt op dat François Poulain de la Barre al in 1673 schreef: ‘De geest heeft geen geslacht.’  Fleur Speet houdt verder een gloedvol pleidooi voor meer Nederlandse historische romans waarin vrouwen een hoofdrol spelen. Waar blijft de Nederlandse Hilary Mantel?

Toch kenmerken de bijdragen zich door een zekere wispelturigheid en zijn ze van wisselende makelij. Rachida Lamrabet verrast vooral door uit de biecht te klappen van de Ultima-jury (over de toekenning aan Fikry El Azzouzi), toen ze als voorzitter fungeerde. Haar bijdrage gaat eerder over haar strijd tegen het ‘zelfverklaarde eurocentristische centrum’ dan over hoe vrouwen zich in de literatuur positioneren. Wel merkt ze op: ‘Wij, vrouwen van kleur, gunnen de voornamelijk witte lezer – die ons tot nu toe enkel via de buitenkant kan analyseren – de blik van de insider. En zelfs deze ‘inside’-blik wordt dan nog gelezen door de lens van hun eigen vooroordelen.’ Lamrabet hekelt daarbij de ‘white gaze’, in navolging van Toni Morrison.

Christine Otten schrijft in een nogal warrig exposé, waar duidelijk geen eindredacteur aan te pas kwam, over de taak van literatuur: ‘Het gaat er vooral om hoe literatuur een écht democratische en meerstemmige ontmoetingsplaats is (of wordt), waar we in onze diepmenselijke zoektocht naar “wie te zijn”, en “hoe te leven” de ander(en) werkelijk kunnen ontmoeten, en waar je je en passant bewust wordt van allerlei processen in de samenleving en jouw eigen aandeel daarin, en zelf verandert (of niet).’ Maar kun je literatuur wel met zoveel opdrachten opzadelen?

 

‘Open ramen, lucht, licht, daglicht, nachtlicht’

Optimistische woede is vermoedelijk vrij snel in elkaar gebokst. Vanwege een soort urgentie, vanuit de drang om een en ander op scherp te zetten. Het manifest zelf (‘een teasende performancetekst’, volgens Schoeters) doet te zeer denken aan het resultaat van een wilde brainstormsessie waar iedereen elkaar luidkeels oppept. Het resultaat is vrij sloganesk én niet al te wervend, tikje hortend van ritme ook. De tekst kon een typografische kuur à la Paul van Ostaijen best wel gebruiken. Verder stuiten we op paradoxen én onduidelijkheden. Zo staat er bijvoorbeeld: ‘We zijn niet per se vrouwen, we zijn schrijvende mensen (en vrouwenboeken bestaan niet).’ (Waarbij het etiket ‘vrouw’ dus wordt afgezworen, terwijl er net geijverd wordt om meer boeken van vrouwen te lezen.) Iets verder lezen we: ‘Nogmaals, wij willen niet PER SE vrouwen zijn, We worden er steeds op gewezen VROUWEN te zijn.’ Om te stellen: ‘Wij willen met een onbevooroordeelde blik gelezen worden. Open ramen, lucht, licht, daglicht, nachtlicht.’ Het manifest fungeert als vaandeldrager van een Fixdit-tournee waarmee de auteurs – in wisselende samenstelling - de hort op gaan.

Een mooie vondst is de lijst met namen van vrouwelijke auteurs die als een rolkrant onderaan de pagina’s van Optimistische woede loopt. Gaat u maar eens na hoeveel u ervan kent of gelezen hebt? Nog boeiender ware meteen een literatuurlijst geweest (al brengt Munganyende Hélène Christelle in haar bijdrage een kort overzicht van ‘intersectionele, feministische stemmen’). Jammer wél dat er zoveel namen verkeerd gespeld  zijn in deze opsomming doorheen het boek: Natascha (sic) Appanah [Nathacha], Irène Némerovsky [Némirovsky], Monica (sic) van Paemel [Monika] …

 

Fixdit (red.), Optimistische woede. Fix het seksisme in de letteren, De Geus, 12,99 euro.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.